Tot het niet zo ruime repertoire van rare dingen die Karel van het Reve kon doen, behoorde het standpunt dat hij innam bij het Schrijversprotest van het jaar 1963. Zo’n honderd schrijvers drongen eindelijk aan op subsidie voor hun werk. Andere kunstvormen genoten daar al jaren van. Schrijvers moesten het doen met incidentele minimale beurzen van een hoogte waarmee ze twee keer heen en weer naar Maastricht konden reizen. Bovendien kregen ze nog steeds niets van de bibliotheken die gul hun boeken uitleenden (dat duurde nog tot 1995). Maar Karel van het Reve vond dat schrijven heel goed een parttime professie kon zijn, het Nederlands taalgebied was te klein voor een volledig schrijverschap. Dat het wél kan naast een baan kon je zien bij Nescio en Elsschot. De weekenden waren daar heel geschikt voor.
Dit beviel zijn broer Gerard helemaal niet. Te meer omdat Karel in een stuk in Hollands Maandblad had gesuggereerd dat Gerard er meteen bij zou gaan schnabbelen als hij f. 5000,- subsidie had gekregen. Het was niet de eerste keer dat Gerard daarop de relatie met zijn broer verbrak. Zijn eigen broer had zich ‘bij de onderkruipers gevoegd’ die hem een armzalige staatssubsidie wilden afnemen, nota bene in koor met het ‘schorum’ en ‘geinponum Godfried Bomans’. Gerard was er eerlijk over: ‘hijzelf en Karel leden aan “Van het Reve hoogmoed”’. Maar wat zich bij hemzelf tot ‘een eerlijke en indrukwekkende grootheidswaan heeft ontwikkeld, bereikt bij hem [Karel] slechts het peil ener weinig belangwekkende pedanterie.’
De broers verzoenden zich wel weer, zoals steeds, maar wat van dit incident blijft hangen in Willem Melchings biografie over Karel van het Reve De zelfdenker is die ‘Van het Reve hoogmoed’. Het valt moeilijk te ontkennen dat we met Gerard en Karel van het Reve een bijzonder talentvol duo hebben, totaal verschillend, maar allebei in het bezit van die Van het Reve hoogmoed. Die hoogmoed hield in dat ze zich lichtelijk ontstegen voelden ten opzichte van iedereen. Ook al stonden ze vol in het leven, er was iets in hen dat maakte dat ze zich nooit iets van iemand aantrokken. Karel deed iets meer aan het gewone leven mee dan Gerard, maar hoe down to earth ze allebei ook waren, ze voelden zich lichtelijk verheven boven iedereen, niet op een hooghartige manier, maar gewoon door hun ingebakken gedrag, hun habitus. Het was een bijna niet zichtbare onverschilligheid voor hoe het hoort.
Niet in de biografie van Melching maar in Denkbeelden uit een dubbelleven, de aardige biografie die Ger Verrips in 2004 over Karel schreef, wordt geciteerd uit een stuk van Karel in het jubileumnummer 1976 van Vulpes, het schoolblad van het Vossius Gymnasium. Hij herinnerde zich dat al in de eerste klas de leraren hoog opgaven over de ontzettend knappe klas van 1932-33, met leerlingen als Lou de Jong, Marius Flothuis en Willy Pos.
Karel schrijft dat hij meteen doorhad dat het met die begaafdheid wel meeviel. Het was ‘meer een zaak van braaf leren en mooie cijfers halen en net op tijd met het verwachte antwoord komen dan van echte begaafdheid. Ook het in de maatschappij mooi terechtkomen van die jongens beschouwde ik als een duidelijke aanwijzing dat ze eigenlijk niet zoveel waard waren. Ik vond onze generatie, mijzelf en mijn vrienden, veel origineler, begaafder en interessanter dan die knappe klas, ook al hadden wij veel slechtere cijfers en brachten wij het in de maatschappij niet zover als zij. Ik heb dat gevoel eigenlijk nog steeds.’
gezegend met originaliteit
Karel heeft het hier over wat zijn broer die typische ‘Van het Reve hoogmoed’ noemt: in staat zijn niet braaf de regeltjes te volgen, niet zo maar willen voldoen aan de verwachtingen, niet keurig de goede cijfers halen, maar gezegend zijn met originaliteit, bijzonderheid, iets grilligs en unieks. Hoe braaf, oppassend, koketterend met luiheid en onwetendheid Karel van het Reve ook vaak leek, hij was ondertussen in het geheim uit op het beste, origineelste en hoogste.
Karel van het Reve kon met nietsontziende arrogantie schrijven dat over ‘de Russische literatuur en dat wat ons er in aantrekt nauwelijks één verstandig woord is geschreven’.
Als iets de biografie van Melching laat zien dan is het hoe gretig Karel schrijver wilde worden, hoe hij met vrienden als David Koker en Jan Erik Romein elk moment van de dag in literatuur dacht, gedichten schreef, vertalingen maakte en dagboeken vulde waarin allerhande schrijfprojecten werden opgezet. Aan zijn latere vrouw Tini schrijft hij dat hij ‘nu eenmaal voor schrijfwerk geboren’ is. Binnen de kortste keren las hij Russisch en vertaalde hij Toergenjev. Het duurde daarna niet lang meer of hij kon met nietsontziende arrogantie schrijven dat over ‘de Russische literatuur en dat wat ons er in aantrekt nauwelijks één verstandig woord is geschreven.’
geloof in het communisme
Iets anders wat opvalt in Melchings biografie is de wonderlijk lange duur van Karels geloof in het communisme, hij die altijd een broertje dood had aan geloof. Hij was natuurlijk erfelijk belast door geboren te zijn in een communistisch gezin waarvan de vader zich in de partij manifesteerde en veel schreef. Het duurde jaren voor Karel erkende dat de showprocessen in Moskou eind jaren dertig tegen de trotskisten volstrekt niet ‘legitiem’ waren, zoals hij steeds met overtuiging had beweerd. Zijn leraar Jacques Presser lukte het niet hem aan het twijfelen te krijgen.
Tot de dood van Stalin in 1953 wist Karel steeds wel weer iets vergoelijkends te bedenken voor wat er weer in de Sovjet-Unie was gebeurd (de Sovjet-Unie was ‘door en door vredelievend’). Met de ‘verplaatsing’ van honderduizenden koelakken naar verbanningsoorden was volgens hem niets mis. De moeilijkheden die zijn vader met de CPN kreeg brachten hem ook niet van zijn stuk, ook niet toen Jef Last, met wiens dochter Femke hij dik bevriend was, genoeg kreeg van de dwingelandij waarmee de partij erop aandrong dat hij zich distantieerde van André Gide en zijn boek over het pijnlijke bezoek aan de Sovjet-Unie.
Karel was allereerst verknocht aan de Russische taal en literatuur. De communistische canon, de werken van Marx en Lenin, ging hij pas in 1948 echt lezen nadat hij in het gezelschap van schaakgrootmeester Max Euwe een bezoek aan Moskou had gebracht. Hij was toen al zevenentwintig.
De lange duur van Karels afscheid van het communisme, uitmondend in zijn proefschrift in 1955 waarin hij verklaart ‘geen adept’ meer te zijn ‘dezer wereldbeschouwing’, was hoogmoedige koppigheid. Hij kón het niet mis hebben gehad. Toen hij zich er grondig in ging verdiepen kalfde het geloof stapsgewijs af, tot hij het communisme van zich had ‘àfgedacht’. ‘Het was de zegepraal van de rede’, schrijft Melching. Het ging Karel niet alleen om de onhoudbaarheid van het marxisme, het materialisme, het historisch materialisme en de dialectiek zoals hij dat later in Het geloof der kameraden (1969) uiteen zou zetten, het ging hem ook om de menselijke finesses die in het communisme teloor gingen. Het ging dan om ‘moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties, smaak, fatsoen, redelijkheid, een zekere persoonlijke halsstarrigheid.’
‘Ik geloof niet langer zoals de marxisten, vegetariërs, esperantisten en seksuele hervormers, dat men door het socialisme, het gras eten, het Esperanto spreken of het vrijen het Koninkrijk der Hemelen op aarde kan doen neerdalen.’
Precies dit maakte het verschil: de middelen waarmee iets bereikt werd moesten fatsoenlijk blijven. Die gingen er bij het doel van het communisme aan: het doel heiligt daarin de middelen. Dit maakte dat Karel ging behoren tot wat ik het fatsoensschooltje van de intellectuelen noem: George Orwell, Raymond Aron, Isaiah Berlin, Menno ter Braak en Stefan Themerson (Huizinga-lezing 1981 Een leerstoel voor fatsoen).
Die hoogmoedige koppigheid nam Karel van het Reve wel mee naar het opgewekte anticommunisme dat hij voortaan zou belijden. Hij werd een echte renegaat, een afvallige, alleen geen verzuurde, maar wel even fel anti als hij eerder pro was: ‘Ik geloof niet langer zoals de marxisten, vegetariërs, esperantisten en seksuele hervormers, dat men door het socialisme, het gras eten, het Esperanto spreken of het vrijen volgens Van der Velde het Koninkrijk der Hemelen op aarde kan doen neerdalen.’ Zoals aan dit citaat is te zien weet Willem Melching goed te citeren uit Karel werk, maar daar was Ger Verrips in zijn biografie ook niet slecht in, sterker, Verrips geeft een niet minder mooi overzicht van Karels leven en (ook al zouden er fouten in staan) hij schreef beter, met meer leven in zijn zinnen, waar Melching het tamelijk neutraal houdt.
Wandelende filosofieën
Net als Verrips is Melching een liefhebber van Van het Reves werk, maar geen van beiden brengen iets steekhoudends te berde tegen Karels beperkte kijk op de mogelijkheden voor een zinnige bestudering van literatuur. Karel had natuurlijk gelijk als het gaat om het dieventaaltje dat in de literatuurwetenschap werd gehanteerd. Maar niet als het gaat om de schat aan literaire, psychologische, sociologische, filosofische kennis die in goede literatuur opgetast is en die Karel niet wilde zien. Volgens hem waren die ‘zijpaden’ niet bepalend voor het literaire van de literatuur. Maar literatuur is niet alleen literatuur, literatuur is ook psychologie, politiek, filosofie, mentaliteit en antropologie, zoals in het leven zelf.
Karel zag ook niets in een literatuurgeschiedenis aan de hand van ‘stromingen en gestalten’. Voor hem bestonden alleen maar unieke individuele schrijvers, bijna autarkisch los van elkaar, alleen en op zichzelf. Oók zou ik zeggen, ze staan óók op zichzelf. Maar wat te doen met alle literaire en filosofische beïnvloeding, met psychologie in het werk van Thomas Mann, een schrijver waar Karel op gesteld was. Wat te doen met Doctor Faustus, en met De Toverberg waarin de personages wandelende filosofieën zijn? Interpretatie, wat je zou kunnen vertalen als goed begrip van wat je leest, was voor Karel ook uit den boze, je begreep het meteen of je begreep het niet.
het zelfdenken bevorderd
De Van het Reve hoogmoed uitte zich bij Karel op verschillende manieren. Door die inborst vond hij dat hij het zich kon permitteren om de stukken van de Academische Raad van de Leidse Universiteit linea recta in de prullenmand te gooien. Hij hield niet van overbodige vergaderingen. Vanwege die vergadercultuur ging hij een paar jaar eerder met emeritaat. Maar wel bleef hij nog twaalf jaar elke woensdag college geven aan een select gezelschap studenten (die allemaal bekende vertalers zouden worden). Melching geeft terecht veel ruimte aan Karels koppige inzet voor Russische dissidenten als Andrej Amalrik en Andrej Sacharov. Een uitvloeisel daarvan was de Alexander Herzenstichting die teksten van Russische dissidenten uitgaf.
Een biografie van Karel van het Reve kan niet andere dan boeiend zijn door de vele citaten uit zijn essays. Het werk van Karel van het Reve heeft alleen al bestaansrecht vanwege de stijl, zoals mooi te zien is in de zeshonderd handzame pagina’s van de bloemlezing uit zijn essays Karel van het Reve voor beginners en gevorderden. Maar niet minder door de uitnodiging tot tegenspraak die bijna elk essay of column bevat. Het zelfdenken wordt door De zelfdenker sterk bevorderd.
De zelfdenker. Karel van het Reve 1921-1999 door Willem Melching is uitgegeven door Prometheus.
Karel van het Reve voor beginners en gevorderden. Een keuze uit zijn werk is samengesteld door David van het Reve en uitgegeven door Van Oorschot.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.