Voor een schrijver die met zijn pseudoniem ‘Nescio’ zegt ‘het niet te weten’ was J.H.F. Grönloh een belezen man. Nescio is niet iemand die je een ‘erudiet’ noemt, want die kwalificatie zou hij onmiddellijk ironiseren. Toch was hij wel iemand die op zijn zeventiende intekende op Elseviers tiendelige Garmond editie van Multatuli’s Verzameld Werk. En die een jaar later in het bezit was van de achttiendelige Algemeene Geschiedenis van F.C. Schlosser en van de achtdelige Geschiedenis der achttiende en negentiende eeuw van dezelfde schrijver.

In diezelfde tijd las hij schrijvers als Couperus, Van Eeden, Kloos, Heine, Verwey, Twain en natuurlijk ‘die beste nobele Multatuli’, vooral zijn Ideen, Minnebrieven en Max Havelaar. Aan de Havelaar ontleende hij de naam ‘Adinda’ ten behoeve van zijn fantasieën over het meisje van de zangvereniging waar hij van een afstand verliefd op was. In die fantasieën wilde hij met haar ‘een godenleven’ leiden.

een oester die open gaat

Om dat zogenaamde niet-weten van Grönloh/Nescio draait zijn leven en werk: hoe zo onbevangen mogelijk te blijven. Onbevangen, ondanks het feit dat hij ook een beetje een man van de wereld moest zijn. Iemand die ‘álles wist en aan wie je álles kon vragen’, zoals een van zijn dochters zei. Over het leven van Nescio is in de jaren na de oorlog langzaamaan wel het nodige bekend geworden. Hij werd toen wat toeschietelijker en sloot zich niet meer zo erg af van het literaire leven.

Maar de biografie van Lieneke Frerichs van zo’n zeshonderdvijftig pagina’s geeft heel wat meer dan biografische achtergrond aan een miniem klein oeuvre. Hier wordt een leven ontsloten dat aanzienlijk voller was dan men ooit heeft kunnen bevroeden. Voor wie Nescio kent als de schrijver van De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene tekel en Boven het dal is deze biografie als een oester die open gaat – de oester, precies één van de karakterologische alter ego’s van Nescio. In zijn kleine oeuvre draait het om novellen en verhalen waarin de grote wereld nauwelijks voorkomt, maar waarin het vooral draait om bijzondere individuen en individualisten.

Dit is de Grönloh die een hekel heeft ‘bazerij, gezag, gelul, principes’, veelal afkomstig van ‘hoge heren’.

In de biografie verschijnt de jongeman die we uit zijn werk kennen als ‘Koekebakker’ nu als een echte jongen met opgewonden fantasieën en wereldveroverende ambities. Deze jongen doet nog niet alsof hij het ‘niet weet’, maar kijkt de werkelijkheid recht in het gezicht, ook al gaat dat gepaard met ‘wroeten, woelen, graven, werken, klagen.’

Advertentie

Advertentie

Hij moet niets hebben van ‘carrière maken.’ Hij schrijft de ‘X geboden van de God Carrière’ waarvan het Tweede Gebod luidt: ‘Gij zult geen valse goden maken als eerlijkheid, trouw, geweten, schoonheid of waarheid’. En het Tiende Gebod spoort aan om nooit te laten zien ‘wat ge wilt noch wie ge zijt maar werk in stilte. Want in huichelen en knoeien ligt uw heil en karakter is een frase’. Dit is de Grönloh die een hekel heeft ‘bazerij, gezag, gelul, principes’, veelal afkomstig van ‘hoge heren’.

In die tijd verschijnt ook de vertwijfelde jonge Grönloh die grenzenloos verliefd is en zeker weet dat hij Agathe Tiket wil (en haar ook krijgt tot zijn duurzaam geluk). Hij schrijft haar een paar half formele, niet verstuurde brieven waarin hij vraagt om een gesprek aangezien ‘de zaak (de verliefdheid, CP) grote afmetingen als deel van mijn bestaan heeft aangenomen’. Dat levert hem een prachtig geschreven klein briefje als antwoord op: ‘Mijnheer! Wanneer u mij spreken wilt, komt u dan morgen om vijf uur aan de Muiderpoort.’

vertrouwd met luxe hotels

Het gaat in de biografie uiteraard over de vrienden die uitgroeiden tot de ‘Titaantjes’. Over de debatclub waarvan hij lid was. Over de zangclub Sweelinck waar hij zijn Agathe Tiket voor het eerst ziet. En over Grönlohs contacten met de idealisten die in de buurt van Huizen of Blaricum een stuk eigen grond willen hebben om daar naar het voorbeeld van Van Eedens Walden een kolonie te stichten waarin alles anders toe zal gaan dan in de echte wereld. Deze vriendschappen zorgen ervoor dat Grönloh heel Nederland lopend, fietsend, per bus of per trein op zijn duimpje leert kennen.

Het was bekend dat Gronloh ging werken bij de Holland-Bombay Company, een handelsfirma waar hij bekend stond als een harde werker en het in de loop der tijd bracht tot directeur. Wat je je moeilijk bij Nescio kunt voorstellen: in die hoedanigheid werd hij bepaald een bereisd iemand, met enige tegenzin vertrouwd met luxe hotels, maar hoe dan ook, door regelmatige bezoeken bekend met Europese hoofdsteden als Parijs, Lissabon, Londen, maar ook met dagen durende zeereizen, maandenlang bezoek aan Brits-Indië, inclusief eindeloze treinreizen, bediendes, tropenkostuum en tropenhelm. Hij kreeg daar een grote hekel aan de ‘inlanders.’

Dat Nescio een moeilijke relatie had met God was ook wel bekend, maar dat hij als jongeman afscheid van hem nam met grote ruzie zou je niet zeggen.

Hij maakte ook menige gecombineerde vakantie-zakenreis samen met zijn vrouw. Dit ging altijd gepaard met het schrijven van brieven naar huis en vrienden, zonder eind. Grönloh was een compulsief briefschrijver. Het was praten op papier. Wanneer zijn gezin een maand aan zee was kreeg het zo ongeveer elke dag een brief van meerdere kantjes. Er moest van Grönloh door zijn dochters ‘vaak, veel en geestig’ geschreven worden.

Moeilijke relatie met god

Het is moeilijk voor te stellen dat deze Grönloh dezelfde is als de Koekebakker die in de Titaantjes samen met Hoyer, Bavink en Bekker over de zee uitkijkt. Hoyer heeft het over het verantwoordelijkheidsgevoel van de kunstenaar. En dat Bavink dan zegt dat hij dat niet heeft, zo’n ‘sociale taak.’ En of Koekebakker dan verantwoordelijkheidsgevoel heeft. Die antwoordt er niet rechtstreeks op, maar hij weet wel dat ‘een nieuwe tijd’ zal aanbreken: ‘nog konden wij groote dingen tot stand brengen. Ik deed mijn best ‘t te gelooven, héél erg mijn best.’

De wereld van de Titaantjes draaide om hun jeugdige verwachtingen en om hun weigering om in het gareel van het dal der plichten te lopen. En de sombere berusting waaraan ze moeten geloven. Grönloh kreeg er een Januskop van die hem soms ‘in crisis’ bracht. De tegenstelling tussen plicht en leven werd hem dan te veel.

Dat Nescio een moeilijke relatie had met God was ook wel bekend, maar dat hij als jongeman afscheid van hem nam met grote ruzie zou je niet zeggen, aangezien hij later een min of meer pantheïstische relatie met hem kreeg. Maar zover is het nog niet wanneer hij zich als twintigjarige ‘dood hongert’ naar ‘een groote omvademende liefde.’ Wanneer die nog maar niet wil verschijnen in de gedaante van Agathe Tiket schiet hij volgens Lieneke Frerichs weer eens ongeduldig in zijn ‘zelfvergrotingsmodus’ en beveelt hij God in zijn dagboek: ‘Spreek God, spreek of ik donder je van je troon dat de heele feestvierende, uitgelaten, krankzinnige stad ervan dreunt en ga er zelf op zitten’.

met één been wel, met één been niet in de grandeur.

De biografie gaat niet alleen over Grönloh/Nescio, maar ook over het gezin Grönloh, uiteindelijk gezegend met vier dochters. Die zijn regelmatig met z’n vieren gefotografeerd, alle vier voorzien van de lichtgevende nieuwsgierige ogen van hun moeder. Grönloh was binnen het gezin wel enigszins een enigma. Hij maakte voortdurend alleen voet- fiets- of treintochten in de omgeving van Amsterdam of verder weg tot aan Maastricht. Maar hij was wel een onmiskenbare vader, een die, zoals gezegd, ‘álles wist’ en wel degelijk voorzien was van een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Ook op zijn werk. Dat brak hem dan ook wel eens op. Hij was een ‘gevoelig’ en ‘kwetsbaar’ iemand, een neurasthenicus die bij dokters terecht kwam en bij toen vermaarde psychologen als J.A. Westerman Holstijn.

Ook al wist hij niets, Nescio had over veel heel stellige meningen.

Er doen zich allerlei sferen in de biografie voor. Het huiselijke leven, het schrijven, het wandelen, het kantoorleven, de vrienden, het maken van tochten, op reis gaan, verhuizen, contacten met tijdschriftredacties, schrijvers en literatoren die hij leert kennen, zoals Nico Donkersloot. Nescio gold jarenlang als geheimtip. De Grönlohs verhuisden geregeld, steeds naar een iets ruimer huis, wat hij zich kon permitteren want zijn salaris was aanzienlijk. Typerend is dat zo’n huis voor hem een ‘wereldse (onwereldse) grandeur’ moest hebben. Dat ‘onwereldse’ tussen haakjes geeft precies de ambivalentie aan waarmee Grönloh in het leven stond: met één been wel, met één been niet in de grandeur.

Frerichs vertelt ook alles over het ontstaans- en publicatiegeschiedenis van de drie vermaarde novellen, wat soms iets te veel wordt. Grönloh wist precies wat zijn werk kwalitatief waard was. Er wordt hem steeds gevraagd nog eens iets in die geest te schrijven. Maar dit soort verhalen lieten zich niet zomaar op verzoek schrijven. Er groeide maar zelden zo’n ‘bloem uit mijn misère.’

Dat hij zo vertrouwd was met Multatuli verklaart waarom hij in vele opzichten ongenaakbaar kon zijn. Ook al wist hij niets, hij had over veel heel stellige meningen, zoals over het ‘drabbige proza’ van Israël Querido, of over de ‘hoge heren’ en hun bazigheid. Of over hoge bergen, die hij ‘stom’ vond. Hij hield van heuvels. Grönloh is zijn hele leven niet afgekomen van zijn minderwaardigheidsgevoel. Hij wist standsverschil maar moeilijk te relativeren. Hij kon volgens zijn dochter Miep ‘tactloos’ zijn en soms weinig empathie tonen.

denkbeeldige uitroeptekens

Frerichs heeft het tamelijk terloops over zijn ‘stoïcijnse levensinstelling’, wat mij in tegenspraak lijkt met de bezieling waarmee Grönloh alles in de natuur en buiten onderging. Bij alles wat hem beviel in het landschap en de natuur zette hij denkbeeldig een uitroepteken. Hij zat wel vol ‘ambivalenties’ én hij was de man ‘die het niet wist.’ Maar anderzijds was hij een emotioneel egoïst die lyrisch werd van wat hij zag en wilde zien. Dat hij ‘erg gevoelig’’ was wilde zeggen dat hij snel ontroerd was. Hij was een verkneukelaar, hij kon zich bij voorbaat op iets verheugen en het ter plekke ondergaan. Geen betere getuige dan zijn Natuurdagboek, waarin hij schrijft wat hij op zijn tochten ziet (‘Fantastische belichting, overal gebroken wolken en overal een prachtige zonneschijn’).

Het lukte Grönloh niet in Don Quichotte ‘een edele ridder’ te zien, wat hij vreemd vond want ‘idealisme is zoo te zeggen mijn vak.’ We weten dat Grönloh als jongeman een ‘idealist’ was in de tijd dat hij met vrienden een kolonie wilde stichten, maar hij was ook een idealist omdat hij de werkelijkheid niet helemaal serieus nam. Toen hem gevraagd werd waarom hij de eerste twee hoofdstukken van Titaantjes had laten vervallen antwoordde hij: ze waren te realistisch.

Hij wilde met zijn hoofd boven de realiteit uitkijken, daar waar het nog ongeschonden is. De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje hebben iets ontstegens, zitten niet erg aan de realiteit vast, de gesprekken tussen de jongens, ‘maar aardige jongens’, gaan ook over niet helemaal bij de echte werkelijkheid willen horen.

De vele ambivalenties van Grönloh maakten dat het dringen was in zijn borst. Daar moest plaats zijn voor de vrijbuiter, de harde werker in ‘het dal der plichten’, de gekwelde kunstenaar en de geresigneerde filosoof. Daarom liet hij deze kanten van zijn persoon vertolken door Japi, Bavink, Bekker en Koekebakker. Maar ondertussen wilde Grönloh van tijd tot tijd graag zeggen dat hij in zijn leven ‘nix geleerd’ en ‘nix afgeleerd’ had. En dat hij graag gedachteloos was en niet wilde denken, zoals Japi, de uitvreter.

In Veere, uitkijkend over de zee, werd eigenlijk ‘helemaal niet gedacht.’ Bewegen en denken, zei Japi, ‘is voor domme menschen.’ Daar hield Grönloh zich niet aan, helemaal niet, want hij was in werkelijkheid iemand die ook ‘nooit klaar was’. ‘De kruidenier op de hoek is met zichzelf klaar’, schreef hij.

Wijsheid was niets voor Grönloh. Aan een vriendin schrijft hij: ‘U mag wijs wezen als U zestig is en ik als ik de tachtig haal. De wijsheid is niets zonder de dwaasheid en verdorvenheid.’ Als hij nog eens iets goeds schrijft dan is het ‘omdat ik nog zoo heel veel met mezelf te stellen heb.’

Dat Grönloh op het laatst in de biografie een schim wordt van wie hij was is jammer, maar onvermijdelijk. Het is dan zaak om in de biografie ze snel mogelijk terug te gaan, daar waar Grönloh nog zijn vele brieven schrijft, zijn wandelingen maakt, zijn treinreisjes regelt, de man is die altijd iets miste, maar niet wist wat. Lieneke Frerichs maakt terecht een ingewikkeld personage van hem, iemand die ‘nooit klaar’ was en verschillende karakters in zich… ‘verenigde’ wilde ik schrijven, maar van verenigen was geen sprake.

Het is een prachtige en monumentale biografie over iemand die veel wilde zijn, behalve een monument.

Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh door Lieneke Frerichs is uitgegeven door Van Oorschot.