Over de oorzaken van de stikstofcrisis is langzamerhand al zoveel gezegd en geschreven dat je er bijna horendol van zou kunnen worden. De achtereenvolgende kabinetten-Rutte schoven de kwestie veel te lang voor zich uit en namen hun toevlucht tot juridisch onhoudbare geitenpaadjes als de PAS-regeling, waardoor boeren alvast vergunningen konden krijgen als ze in de toekomst hun uitstoot zouden verminderen. Pas toen de rechter een streep door de rekening zette, de bouw stil kwam te liggen en het echt niet anders meer kon kwam het laatste kabinet met een ijzerenheinig plan, gebaseerd op abstracte rekenmodellen, zonder enig perspectief voor de boeren, en tot overmaat van ramp met een volkomen onbegrijpelijk stikstofkaartje waardoor ook biologische boeren bij natuurgebieden vreesden voor hun voortbestaan. En intussen werden de plannen om ook de industrie, de luchtvaart en het autoverkeer aan te pakken, voor onbepaalde tijd uitgesteld. Geen wonder dus dat de halve boerenstand in opstand kwam, en dat BBB bij de Statenverkiezingen een monsterzege haalde.

Hoe anders ging het in de jaren tachtig, toen Pieter Winsemius, voormalig McKinsey-consultant, als minister van VROM eigenhandig in een paar jaar tijd niet alleen de Meststoffenwet doorduwde, maar ook een einde wist te maken aan het probleem van de zure regen. Inderdaad: stikstof. Toen Winsemius in 1982 als minister aantrad, had bijna niemand nog van zure regen gehoord. Maar het keerpunt diende zich aan toen DSM, toen nog een staatsbedrijf, in het nieuws kwam door gerommel met verontreiniging. Winsemius belde de bestuursvoorzitter en zei, zoals hij in 2017 in het AD uit de doeken deed: ‘Wij hebben een probleem, jij en ik. Jullie zitten fout, en als je je vanaf morgen aan alle regels houdt, valt je bedrijf om. Maar als dat gebeurt, heb ik hier in Den Haag óók een groot probleem. Dus wat gaan we doen?’ Vervolgens stelde hij voor dat DSM een plan zou maken om zich binnen vijf jaar aan alle milieuregels te gaan houden. Het lag binnen een paar maanden op tafel. Voor het ministerie en voor de milieubeweging was dat de grote eyeopener: kennelijk was het in korte tijd mogelijk concrete resultaten te boeken.

Dat we in een overvol landje een einde moeten maken aan een vleesindustrie die tachtig procent van de productie exporteert en de mest hier achterlaat om het landschap te verzuren, is best uit te leggen.

Niet lang daarna lanceerde Winsemius een landelijke campagne om het grote publiek te doordringen van de noodzaak om in te grijpen. In alle abri’s op treinstations en bij bushaltes kwamen foto’s te hangen van door de zure regen aangetaste kalkstenen beelden. Binnen de kortste keren kregen schoolkindertjes in het hele land over de zure regen te horen. De minister zelf liet zich hardlopend fotograferen in een T-shirt met de afbeelding van een waarschuwingsbord: Stop zure regen. En intussen ging hij flink aan de slag met het bedrijfsleven om de uitstoot te bedwingen, onder meer door filters op schoorstenen van fabrieken en kolencentrales. In een paar jaar tijd verbeterde de luchtkwaliteit aanzienlijk: sinds de maatregelen van Winsemius is volgens het Planbureau voor de Leefomgeving de ‘verzurende depositie’ met vijftig procent afgenomen, en is de overschrijding van ‘kritische depositieniveaus’ zelfs met tachtig procent gedaald.

Zo kan het dus ook.

Maar in plaats daarvan stelden de kabinetten-Rutte de noodzakelijke maatregelen eindeloos uit, en zakten de ministeries en de achtereenvolgende bewindslieden steeds verder weg in technocratisch gepraat over rekenmodellen en depositiewaarden waar de gemiddelde burger geen touw aan kan vastknopen. Precies dat is het probleem. Volgens tal van opinieonderzoeken vindt een flinke meerderheid van de Nederlanders dat het milieu meer aandacht verdient.

Maar van een campagne om de burgers van de noodzaak van ingrijpen te overtuigen, is helemaal niets te bespeuren. De abstracties over stikstof waar de overheid mee komt aanzetten zeggen de burger niets, en geven klimaatsceptici als Thierry Baudet de gelegenheid het probleem weg te wuiven, want stikstof zit sowieso al in de lucht, en brandnetels zijn ook natuur. Terwijl het helemaal niet zo ingewikkeld zou moeten zijn om het probleem te benoemen: mest en zure regen. Dat we in een overvol landje een einde moeten maken aan een vleesindustrie die tachtig procent van de productie exporteert en de mest hier achterlaat om het landschap te verzuren, is best uit te leggen. Maar in plaats daarvan kwam dit kabinet met een abstract stikstofplan dat de indruk wekte dat álle boeren de sigaar zouden zijn, ook de biologische boeren bij natuurgebieden, terwijl je die juist zou moeten steunen.

technocratische praatjes

Van de week sprak ik met Jaap Dirkmaat, de oprichter van de vereniging Das & Boom, die er sinds het begin van de jaren tachtig met slimme campagnes in slaagde tal van bedreigde diersoorten, van de das tot de korenwolf, voor uitsterven te behoeden – met zoveel succes dat de dassen nu het treinverkeer in Friesland en Noord-Brabant lamleggen door tunnels te graven onder de spoorlijn – en die zich de afgelopen jaren sterk maakt voor het cultuurlandschap.

Ook volgens Dirkmaat heeft het kabinet zich hopeloos in de nesten gewerkt met technocratische praatjes, terwijl het zo eenvoudig zou kunnen zijn. ‘Het kabinet zou moeten zeggen: natúúrlijk gaan we de biologische boeren steunen, en de boeren met gemengde bedrijven, en de veehouders met bijzonder koeien zoals Lakenvelders, en de boeren die zich inzetten voor de weidevogels, en die de natuur helpen onderhouden. Daar is een hele waslijst van te maken. En als je die lijst vanaf boven afwerkt, kom je uiteindelijk vanzelf bij de echte boeven uit: de conglomeraten die vaak niet eens grond hebben, maar kolossale stallen voor varkens en pluimvee, die kapitalen verdienen met de export en de stront hier achterlaten. We weten precies waar die zitten: in de Peel, de Gelderse Vallei en een beetje in de Veenkoloniën. Dat we die moeten uitkopen, kan iedereen begrijpen. De boeren die al goed bezig zijn laat je dus met rust, en met de boeren die nog een duwtje moeten hebben ga je aan tafel, want die hebben we ook nodig. Dan heb je in één klap het grootste deel van het probleem opgelost.’

Het stikstofbeleid, kortom, is vooral een ramp geworden door slechte marketing. Daar zou toch iets aan te doen moeten zijn.