In de zomer van 1941 schrijft Klaus Mann in zijn dagboek dat hij in New York ineens Stefan Zweig op Fifth Avenue tegen het lijf liep, onverzorgd, ongeschoren en zo diep in gedachten verzonken dat hij Mann niet ziet. Pas toen Mann zijn aandacht trok kromp Zweig van schrik ineen, ‘als een slaapwandelaar die zijn naam hoort’. Maar meteen was daar weer zijn gebruikelijke levendigheid, vriendelijkheid en vrolijkheid. Zijn verblijf in New York was voor Zweig een tussenstop. Gevlucht uit Oostenrijk, zwervend door Europa was hij via Londen en New York op weg naar de stad Petrópolis in Brazilië. Gastvrij ontvangen, maar ontheemd en depressief werkte hij aan zijn autobiografie De wereld van gisteren, aan een biografie van Balzac en een bewonderende biografische schets over Montaigne.

In het huis aan de rand van de jungle dat Zweig bewoonde lagen de Essays van Montaigne. Die had hij ooit als twintiger eerder gelezen. Toen kon hij er niet koud of warm van worden. Hij vond het rond 1900 niet echt nodig dat de individuele vrijheid zo hartstochtelijk werd verdedigd, zoals Montaigne deed, die vrijheid was immers vanzelfsprekend geworden. Ze waren al geruime tijd bevrijd van dictatuur en knechtschap, de wereld lag voor hem en zijn tijdgenoten open, niemand liep het gevaar uitgestoten, verbannen of verdreven te worden. Zweigs generatie vond dat Montaigne zinloos aan ketenen rukte die allang verbroken waren.

Maar Zweig las de Essays nu, veertig jaar later in 1941, onder heel andere omstandigheden, vergelijkbaar met die van Montaigne: zoals Zweig op de vlucht was voor de barbaarsheid van het nazisme, zo had Montaigne in zijn tijd te kampen met de bloedigste burger- en godsdienstoorlogen, waarbij hij en zijn familie hun leven niet zeker waren, zoals tijdens de Bartholomeusnacht in 1572. Dat noemt Zweig hun ‘lotsverbondenheid’. Ook al had hij vierhonderd jaar te overbruggen, hij noemt hem zijn geestelijke broer.

Er was dan ook nog meer waardoor Zweig zich speciaal tot Montaigne aangetrokken voelde: zijn levenshouding. Montaigne was na Marcus Aurelius en Augustinus de derde in de geschiedenis die in zijn essays zijn geestelijke autobiografie schreef, iemand bij wie ook alles om zijn ik draaide. Montaigne was de pleitbezorger van de innerlijke vrijheid: iedereen moest zorgen voor een ruimte in zijn geest die louter hém toebehoorde. Een eigen domein waar je je kunt terugtrekken, door niemand gestoord. Ook de intiemste medemens mag en kan er niet bij.

Michel de Montaigne. Credit: Mary Evans Picture Library Ltd./ANP
de citadel

Nadat hij op zijn achtendertigste zijn maatschappelijke taken had neergelegd en hij vanaf 1572 aan zijn essays ging schrijven, wilde Montaigne zich volkomen vrij kunnen ontwikkelen, vrij in de meest uitgesproken betekenis: van verplichtingen, vrij van clericale dogmatiek, vrij van partijdigheid, vrij van ideologie. Het liefst ook nog van familiale verplichtingen, maar dat was te veel gevraagd. In zijn ronde kamer in de toren bij zijn kasteel in de buurt van Bordeaux beschouwde hij zich autonoom. Hoe, was zijn vraag, ‘bewaar ik mijn oereigenste ziel’, zeker in een tijd van ‘kuddewaan’? Zijn ‘strijd’ was louter van defensieve aard, ‘gericht op de verdediging van de innerlijke verschansing die Goethe de “citadel” noemt en waar niemand een ander toegang toe verleent’.

‘We beginnen ons leven steeds weer van voren af aan,’ citeert Zweig Montaigne op een moment dat hij zelf in Brazilië met zelfmoordgedachten worstelt.

Het wereld- en mensbeeld van Montaigne bestaat uit ‘aaneengeschakelde ikken’, duidelijk afzonderlijke wezens, maar wel met elkaar verbonden. Op die individualiteit hamert hij, en met hem Zweig, voortdurend, zoals in een essay over Democritus en Heraclitus: ‘Gezondheid, geweten, gezag, kennis, rijkdom, schoonheid en hun tegendelen leggen bij binnenkomst hun kleren af en worden door de geest opnieuw gekleed en in de kleuren die hem aanstaan: bruin, groen, licht, donker, hard zacht, diep, flets, elk naar elke geest afzonderlijk goeddunkt, want ze hebben niet met elkaar de regels en modellen bepaald voor een bepaalde stijl: elke geest is een koning in zijn eigen staat’. Een eeuw later zal Blaise Pascal dit hoogmoedig en zelf ‘zondig’ vinden. Maar voor Zweig heeft Montaigne hiermee ‘een onvergelijkelijke daad gesteld: door zichzelf te blijven en te beschrijven heeft hij de mens in nuce in zichzelf bewaard, de naakte en tijdloze mens’.

Hiermee legde Montaigne voor zichzelf een basis in de eerste editie van zijn essays die in 1578 verschijnt. Montaigne komt na tien jaar uit zijn toren en gaat dan gedurende twee jaar op reis naar Italië. Op zijn weg terug hoort hij dat hij tegen zijn zin benoemd is tot burgemeester van Bordeaux. Hoe weinig zin hij daarin ook heeft, de reis heeft hem ervan doordrongen dat hij zich niet langer kan blijven terugtrekken in zijn toren. ‘Sluit je af. Bouw je eigen wereld,’ is niet langer zijn stringente adagium nu hij tien jaar in afzondering essays heeft kunnen geschreven. Nu dreigt de kleine ruimte van zijn kamer in de toren tot bekrompenheid te leiden, terwijl hij een man van verandering was, op zijn hoede voor verstarring. ‘We beginnen ons leven steeds weer van voren af aan,’ citeert Zweig Montaigne op een moment dat hij zelf in Brazilië met zelfmoordgedachten worstelt.

de bij en de bitterheid

Zweig zag dat Montaigne een relativist was die van tijd tot tijd in de knoop kwam te zitten met zijn relativisme. Zo vond hij dat een mens zichzelf trouw moest blijven, maar hoe blijft een relativist zichzelf trouw? Om zichzelf aan te sporen ook eens consequent te zijn kon Montaigne zijn standpunt ook zonder enige relativisme formuleren, zoals: ‘De dingen hebben niet hun eigen gewicht,’ zei hij, ‘maar het gewicht dat wij er aan geven’. Dat is gelukkig vaak het geval, speciaal als het gaat om flexibele zaken, ideeën, thema’s en opvattingen, maar niet altijd als het om onveranderlijkheden, harde feiten, leven en dood gaat.

Het is aan alles duidelijk dat de kleine honderd pagina’s van Zweigs Montaigne geschreven zijn met op de achtergrond wat zich in Europa afspeelt: alles wat Montaigne verafschuwde, de burger- en godsdienstoorlogen en de moord en verdrijving van de hugenoten, is verwant aan de ideologie van het nazisme die Zweig ontvluchtte. ‘Het fanatisme van de dictators van de geest’ stond haaks op de ‘verscheidenheid’ waar Montaigne voor pleitte. Na de tien jaar in zijn toren ziet Stefan Zweig dat bij Montaigne zijn oude ‘l’humeur vagabonde’ terug is, een instelling waar die verscheidenheid bij hoort.

Zweig kon door het lezen van de Essays nog zo dicht op het nieuwe levensélan van Montaigne komen te zitten, het genas hem niet voldoende van zijn somberheid en depressie. Een vriend zei dat hij op een bij leek ‘die uit elke bloem bitterheid zoog’. In Montaignes briljante essay over zelfmoord, ‘Een gewoonte op het eiland Cea,’ komt veel vertwijfeling, zekerheid, hoop en wanhoop langs, maar Montaigne schrijft toch onomwonden: ‘De mooiste dood is er een uit eigen verkiezing. Ons leven hangt af van andermans wil, onze dood hangt van onszelf af. Het leven is slavernij als het verstoken is van de vrijheid om te sterven’. Zelfs God gaf ons volgens Montaigne alle vrijheid om te gaan ‘wanneer het leven ons zwaarder valt dan sterven’. Daar wist Zweig alles van. Tijdens zijn verbanning in Engeland, Amerika en Brazilië voelde hij zich ‘opgejaagd als een everzwijn’. Maar hij had altijd ‘een zeker flesje’ klaarstaan. Daar maakte hij en zijn vrouw Charlotte in 1942 gebruik van na dit essay geschreven te hebben.

Montaigne door Stefan Zweig is vertaald door Isabelle Schoepen en Kris Lauwereys, van een voorwoord voorzien door Ton Naaijkens en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.