De Amerikaans-Nederlandse schrijfster Dola de Jong kon het soms kernachtig zeggen. Toen ze in 1932 in Amsterdam ging wonen was dat in eerste instantie in een meisjespension. Daar was ze snel weg: ‘niks voor mij, al die truttemedutten’. Het schrijverschap en alles wat daarbij komt kijken noemde ze ‘de hele mikmak’. Toen ze als beginnende danseres een typebaantje had om financieel rond te komen deed ze dat tegen heug en meug voor ‘een gelardeerd kreng’. In het begin van haar schrijverschap schreef ze voor allerlei bladen, ook ‘voor die stinkbladen’ voor oudere meisjes. Geen wonder dat de NRC naar aanleiding van een van haar boeken voor die oudere meisjes schreef dat ze ‘door toon en stof een allure van mondigheid heeft die men zelden aantreft, zelfs in boeken voor oudere meisjes’. Het mag hierna geen verwondering meer wekken dat Dola de Jongs biograaf Mirjam van Hengel moest denken aan de uitspraak van de ‘even feministische als misogyne Dorothy Parker: “God verhoede dat ik schrijf als een vrouw.”’

Niet alleen als het om literatuur ging kon De Jong het onomwonden zeggen, ook na een huwelijk van acht Nederlandse jaren (1970-1978) met Oscar van Leer (van de vaten): ‘Dat zo’n klootzak als jij weer zo’n fantastische vrouw heeft gevonden bewijst dat er geen gerechtigheid bestaat,’ zei ze hem. Hij was het met haar eens. Door dit alles zou de veronderstelling post kunnen vatten dat De Jong louter een tough lady was, alleen met handschoenen aan te pakken. Maar drie van haar nu regelmatig herdrukte romans, Dans om het hart (1938), En de akker is de wereld (1947) en De thuiswacht (1954) zijn met groot inlevingsvermogen en sensitiviteit geschreven.

Mirjam van Hengel. Foto: Keke Keukelaar.
de weg van de grootste weerstand

Dola de Jong combineerde een aantal eigenschappen. Te beginnen met vasthoudendheid, nodig om haar vader (eigenaar van luxe kledingzaken in Arnhem en Den Haag) te weerstaan. Die moest er niet aan denken dat zijn dochter haar diepste wens zou vervullen door ‘danseres’ te worden, iets wat hij gelijkstelde met prostitutie. Het balletdansen was natuurlijk het tegendeel van wat die vader in zijn hoofd had. In De Jongs roman over het dansen, Dans om het hart, is de hoofdpersoon Enny een model van menselijke consideratie tussen vrienden en collega dansers. En tegelijk staat Enny voor een eigenschap die in het werk van De Jong als een vasthoudend en groot motief alles doordringt: Enny wil als danseres alles zélf doen, niet financieel geholpen worden door haar moeder. Die wil haar helpen met het oprichten van een eigen dansschool, maar dat wil ze niet: ‘De weg van de grootste weerstand, moeder, die zoek ik. Zélf wil ik het doen.’

Enny staat hierin niet alleen, ook Luca in deze roman weet wat het vergt om iets als balletdanser te bereiken. Maar zij worstelt met haar doel en haar liefde voor Wouter. Die eist haar als een bezitterige macho op en wil dat ze er helemaal voor hem is en het dansen opgeeft (‘Je bent van mij’, zegt hij fluisterend). Tegenover een collega die, om haar werk voor te laten gaan, elke verliefdheid afkapt zodra die bij haar opkomt, bekent Luca dat ze ‘geschipperd’ heeft met haar werk: ‘Het ene wilde ik behouden en ook het ander niet loslaten.’

In New York begon een ogenschijnlijk kosmopolitisch bestaan, maar de brieven van haar broer, de enige overlevende van de familie, bezorgen haar de gevoelens waar overlevenden mee te maken krijgen.

Dola de Jong was, naast het dansen bij het gezelschap van Kurt Jooss, in de tweede helft van de jaren dertig al begonnen met het schrijven van boeken voor kinderen en oudere meisjes: Tussen huis en horizon (1938), Gastvrouw in het groot (1939) en Knikkernik, Knakkernak en Knokkennok (1940). En de roman voor volwassenen Dans om het hart (1938), waarin Enny’s vriendin Luca door De Jong is uitgerust met de intuïtie dat het met jodenvervolging fout gaat. Als joodse en als pessimiste zat ze te wachten ‘als een ingewijde op het afgaan van de tijdbom’.

Dola de Jong danste begin 1940 nog voor de laatste keer in Coppélia in de schouwburg van Haarlem. Het was tegelijk in al die jaren de eerste keer dat haar familie kwam kijken: haar zwaar sceptische vader, haar gehate stiefmoeder en haar broer Jan, ‘trots met twinkelende ogen’. Op 10 april 1940 heeft ze de intuïtie van haar personage Luca omgesmeed tot een beslissing: ze vertrekt uit Nederland. Via Parijs is ze op weg naar Tanger, haar verloofde de schilder Jan Hoowij achterna. Die maakte met vrienden een wilde zeiltocht die kant op.

Mirjam van Hengel maakt de lezer tijdens het schrijven van de biografie deelgenoot van het avontuur dat het verkrijgen van biografisch materiaal was. Dat is niet echt nodig, maar maakt wel duidelijk dat het toeval er een flink aandeel in heeft gehad. Over het gedoe rond De Jongs vertrek uit Amsterdam wist Van Hengel aanvankelijk nauwelijks iets. Tot ze bij toeval in een map in het archief van De Jongs zoon in Californië haar paspoort uit die tijd vond. Dat openbaarde haar gangen aan de hand van achtentwintig pagina’s stempels. Over het jaar dat ze niet weg kon uit Tanger weten we het nodige uit haar roman De akker is de wereld die zich daar afspeelt. Het verliefde stel dat zich daarin ontfermt over negen kinderen die hun ouders kwijt zijn, confronteerde De Jong met vluchtelingen en met de consequenties van de oorlog in Europa, ook voor haar eigen familie, waarvan het grootste deel in kampen zou omkomen. En bij De Jong voor een blijvend schuldgevoel zorgde.

Na de nodige strubbelingen en ontberingen op de boot via Lissabon komt De Jong op 13 juni 1941 aan in New York. Daar begint een ogenschijnlijk kosmopolitisch bestaan, maar de brieven van haar broer, de enige overlevende van de familie, bezorgen haar de gevoelens waar overlevenden mee te maken krijgen. Maxwell Perkins, de gerenommeerde redacteur van uitgeverij Scribner’s, stimuleerde haar na The Field is the World, dat in 1945 in Engelse vertaling verscheen, de roman te schrijven over de overlevende vluchtelingen zoals zij. Dat lukte haar niet, hoewel er menige titel voor werd bedacht, contracten getekend en voorschotten overgemaakt.

het overlevende zijn

De ongenaakbare Dola de Jong, die het zo kernachtig kon zeggen, wist haar emoties over het lot van de joden en van haar familie niet om te smeden tot een roman. Ze begon er tot drie keer toe aan. Ook haar niet zo leuke jeugd bleef steken in (schrijnende) fragmenten over emotionele verwaarlozing. Zo ‘kalm en beheerst, zonder emotie en zonder razernij’ als zij volgens Edmund Wilson in The Field is the World schreef, wist zij zich niet meer op te werken voor een roman over haar jeugd. Het emotioneerde haar te veel. De Jong moest de emoties die haar besprongen verdringen en deed dat door in veel kranten en tijdschriften in Nederland columns, recensies, reportages te schrijven. Jarenlang schreef ze elke maand over Amerikaanse literatuur voor Literair Paspoort.

Dans om het hart laat er geen misverstand over bestaan dat het een roman is over het verlangen van vrouwen naar zelfstandigheid. Dat verlangen wordt een persoonlijke eis en Enny, die als personage veel weg heeft van Dola, weet daaraan te voldoen. Tegelijk is het een roman over emotionele afhankelijkheid, gepersonifieerd in Luca. Die wil zelfstandig zijn én dansen, maar kan niet los komen van haar gevoelens voor Wouter (terwijl hij toch niet bepaald sympathiek is). Deze reële spanning wordt door De Jong niet idealistisch verdoezeld.

Omdat het De Jong niet lukte om een samenhangende roman te schrijven over haar pijnlijke jeugd en over het overlevende zijn, heeft Van Hengel een hoofdstuk geschreven waarin die omissie wordt ingevuld.

Het was dan ook iets wat zij zelf aan den lijve ondervond. Van De Jongs liefdesleven heeft Van Hengel niet goed hoogte kunnen krijgen. Er waren zo’n acht mannen in haar leven en drie huwelijken. De Jong wilde in alle opzichten zelfstandig zijn. En ze had behoefte aan afhankelijkheid (zoals bij Luca), in min of meer gelijke mate, getuige enkele briefjes van en aan Oscar van Leer (‘een beest’). De scheidde van de onmogelijke Van Leer om weer zichzelf, zelfstandig te kunnen zijn. Ze ging desnoods behoren tot ‘het gilde van de verlaten vrouw’.

Miriam van Hengel komt in deze biografie van tijd tot tijd zelf te voorschijn om te vertellen wat het gevonden biografisch materiaal bij haar teweeg brengt. De vraag is of dat nu wel zo nodig is. Het brengt Dola de Jong niet extra dichtbij. Heel erg storend is het ook weer niet omdat het leven en werk van De Jong zelf de aandacht opslokt. En in één opzicht werpt het wel zijn vruchten af: omdat het De Jong zelf niet lukte om een samenhangende roman te schrijven over haar pijnlijke jeugd en over het overlevende zijn, heeft Van Hengel een laatste hoofdstuk geschreven waarin die omissie aan de hand van verspreide fragmenten in brieven, artikelen en columns wordt ingevuld. Dat werkt goed en rondt deze biografie passend af.

Dola. Over haar schrijverschap en de hele mikmak door Mirjam van Hengel is uitgegeven door De Bezige Bij.

De romans Dans om het hart, En de akker is de wereld en De thuiswacht zijn uitgegeven door Cossee.