‘Nuchterheid bestaat niet’ is de titel van een essay van Hafid Bouazza over de roes. In zijn vooral met Perzische tapijten en boeken ingerichte appartement in Amsterdam-Zuid maakt de schrijver vanmiddag niettemin een uiterst heldere indruk. Gekleed in een grijze kamerjas vertelt hij enthousiast dat de uitstekende fles Jade Absinthe Nouvelle-Orléans op het bijzettafeltje net gisteren is bezorgd. De afzender bleef anoniem.

Terwijl hij alvast drie glazen en een aangebroken fles Pernod Absinth klaarzet – alcoholpercentage 68 procent, aanlengen is niet de bedoeling – vraagt Bouazza zich bezorgd af wie hij hiervoor nu moet bedanken. Collega-schrijver Allard Schröder? Zijn uitgever Mai Spijkers? Of iemand anders die hem wil feliciteren met de door hem vertaalde bundel Arabische pornografie, en die weet dat een nieuw boek steevast wordt gevolgd door een periode van verhoogde inname?

Terwijl hij met opgetrokken benen in een Chesterfield gaat zitten, legt Bouazza uit dat zijn al langere tijd aangekondigde standaardwerk over de roes dit jaar nog niet zal verschijnen. ‘Doordat Yves van Kempen, met wie ik het boek samenstel, onder invloed van de trap viel en zijn kaak brak, zal het begin 2007 worden.’

Het boek wordt voor een deel encyclopedisch, met informatie over de werkzame bestanddelen van verschillende drugs, maar de nadruk ligt op de alomtegenwoordigheid van roesmiddelen in de kunsten. In beeldende kunst en film, maar vooral in de literatuur. Er staan vertalingen in uit de Arabische, Perzische, Chinese en Engelstalige literatuur. Dichter bij huis beschrijft Connie Palmen haar verslavingen aan drank en sigaretten, en maakte A.F.Th. van der Heijden een reeks ‘miniparoxismen’ over drank, drinken en dronkenschap. Ook staan er observaties in van Simon Vinkenoog, geschreven onder invloed van lsd. ‘We hebben de popmuziek maar buiten beschouwing gelaten,’ zegt Bouazza. ‘Want anders word je gek. Er is door de eeuwen heen zo verschrikkelijk veel geschreven over de roes.’

‘In arme streken in Marokko stoppen kinderen sokken in de uitlaatpijp van een auto en snuiven de uitlaatgassen op om high te worden.’

Het sterkte de schrijver in de overtuiging dat de behoefte aan bedwelming van alle tijden en universeel is. ‘Zelfs als de middelen niet voorhanden zijn. In arme streken in Marokko stoppen kinderen sokken in de uitlaatpijp van een auto en snuiven de uitlaatgassen op om high te worden. Ik zag het ook bij mijn eigen kinderen. Als ze een jaar of twee zijn, gaan ze opeens cirkeltjes draaien om hun as, om duizelig te worden. Heerlijk vinden ze dat. Ik vind dat fascinerend. Het is moeilijk te zeggen waarom, maar blijkbaar is de roes belangrijk voor het voortbestaan van de mens.’

Het is ook belangrijk voor hemzelf. Jaren­lang experimenteerde hij driftig met allerhande roesmiddelen. Maar net als Baudelaire, die softdrugs een ‘nutteloos en gevaarlijk zelfmoordwapen’ noemde, terwijl drank ‘vruchtbare resultaten’ voortbrengt, koos Hafid Bouazza uiteindelijk voor alcohol. Of, om precies te zijn: voor absint. Aanvankelijk werd hij vooral aangetrokken door de mythe rond die drank en het verbod op de verkoop en productie, dat in Nederland pas vorig jaar werd opgeheven, vertelt Bouazza.

‘Maar ook de eraan toegeschreven hallucinogene kwaliteiten maakten mij nieuwsgierig. Vijf jaar geleden dronk ik het voor het eerst in Portugal, maar de coup de foudre kwam een jaar daarna in Praag toen een etalage vol verschillende merken mij wenkte. Het werkzaam bestanddeel van absint is thujone – een fles mag volgens huidige regels niet meer dan 35 mg bevatten – die ervoor zorgt dat er in de hersenen meer neuronen worden afgevuurd dan gewoonlijk. Dat geeft een high, een lucide roes en stimuleert de verbeelding: dromen worden er extra helder door. Verboden in Nederland, maar mijn favoriet, is King of Spirit Gold, een Tsjechisch merk dat 100 mg thujone bevat – het etiket waarschuwt terecht “for experts only”. Flinke inname ervan doet de omgeving baden in een lome, vloeibare goudgloed. De kater mag er dan ook zijn: je hoofd voelt aan als een rots in de woestijn.’

Helpt drank je bij het schrijven, of zit het eerder in de weg?

‘Ik gebruik nooit iets als ik schrijf. Geen drugs en ook geen alcohol, totdat ik klaar ben voor die dag. Als ik in een absintroes op de bank lig, gaan er ontzettend veel beelden en ideeën door mijn hoofd. Het stimuleert heel erg de verbeelding, ook visueel. Maar die roes neemt de plaats van het schrijfproces in, alsof ik al aan het schrijven ben. Wanneer ik schrijf, kan ik in een vergelijkbare toestand terechtkomen, met de taal als roesmiddel. Dan ben ik heel geconcentreerd mijn woorden aan het kiezen, en tegelijkertijd in extase. Dat had ik sterk toen ik aan mijn roman Paravion werkte. Ik hoorde zinnen alsof ze van buiten kwamen, een constante stroom die ik moest indammen.’

Is dat echt een vergelijkbare staat?

‘Nee, de roes van het schrijven is zuiverder, meer kristallijn. Of lucide. Dat andere is meer geroezemoes, alsof het te druk is in je hoofd. Het is interessant om al die vertakkingen en meanderende gedachten te bewandelen, om alle luiken open te zetten. Overigens geloof ik niet dat je daarvoor per se drugs of alcohol nodig hebt. Het kan een stimulans zijn, maar het is geen conditio sine qua non. Er komt uiteindelijk niet meer uit de kruik dan erin zit.’

Heb je minder behoefte aan een roes wanneer je schrijft?

‘Toen ik in 2000 bij de Jellinek-kliniek liep om af te kicken van mijn verslavingen, had ik af en toe een terugval. Dan dronk ik weer, nam ik heroïne – wat dan ook. De behandelaar wees me erop dat zoiets telkens gebeurde wanneer ik iets had afgerond, een artikel of een boek. Hij zei: “Drugs zijn voor jou een substituut voor schrijven. Dus als je nou gewoon schrijft, hoef je niet te gebruiken.” Heel simpel, maar het was bij mij nooit opgekomen. Ik vergeet ook steeds dat het daardoor komt. Toen ik dit boek af had, twee maanden geleden, heb ik ook weer een keer opium gebruikt. Na maanden van hard werken is er opeens niets meer. En dan raak ik in een depressie, wil ik dat de verbeelding weer wordt gestimuleerd.’

Waarom kwam je bij de Jellinek terecht?

‘Op aandringen van mijn toenmalige vriendin. Toen ik haar ontmoette, ging het niet goed met me. Een paar jaar lang had ik drugs en drank in grote hoeveelheden verslonden. Mijn artikelen kwamen niet meer op tijd af. De Volkskrant gaf me geen opdrachten meer en ik was totaal blut. Eén avond, in sociëteit De Kring, was een soort kruispunt. Ik stond stijf van de coke en de XTC. Toen ik mijn vriend Gerrit Komrij een pilletje aanbood, zei die: “Hafid, er is een grens aan zelfdestructie.”’

‘Ik dacht: of ik ga hier meer door, en ten onder, of ik probeer mijn leven weer op te pakken.’

 

‘Ik wist dat hij gelijk had. Dacht: of ik ga hier meer door, en ten onder, of ik probeer mijn leven weer op te pakken. Diezelfde avond ontmoette ik die vriendin. Ze wilde niet met me mee, omdat ik veel te high was. Ze heeft gelijk, dacht ik. En voor haar wilde ik wel van de drugs afblijven.’

‘Maar toen ik een tijdje met haar was, kwam ook de alcohol aan bod. Omdat ze arts was – een leverspecialiste, haha – kon ze medicijnen voorschrijven. Ik kreeg Naltrexon, dat ervoor zorgt dat alcohol geen effect meer heeft. En Refusal, waar je doodziek van wordt als je drinkt. Goed, toch gedaan natuurlijk. Ik dronk twee biertjes. Nou! Mijn hart ging tekeer, ik werd rood als een tomaat, kotsen, en toen kreeg ik een black out.’

Zo te zien heeft die beslissing geen stand gehouden.

‘Een klein jaar heb ik helemaal niets gebruikt. In mijn achterhoofd dacht ik: goed, dan stop ik een paar jaar, tot ik weer wat controle heb. Maar zij zei: als je eenmaal stopt, kun je nooit meer drinken. En dan werd het me letterlijk zwart voor de ogen. Ik vond het een vreselijk leven. Kreeg depressies, stemmingswisselingen, veel ruzies, slapeloosheid, zweten. Ik had de hele tijd ontzettend veel energie, en wist niet wat ik ermee moest. Ik heb nog nooit zoveel gefietst, heel Amsterdam door.’

‘Maar ja… en dan? Ik schreef veel, maar ook weer niet meer dan normaal. Je kunt maar een paar uur per dag schrijven. Er ontbrak iets, en ik wist precies wat het was. Constant was ik een niet-drinker, bezig dat verlangen níét te vervullen. De liefde bekoelde, mede omdat alles in het teken stond van het niet drinken. “Gefeliciteerd Hafid, weer een dag niet gedronken.” Ik voelde me betutteld.’’

Dat was het je niet waard?

‘Nee. Op een gegeven moment vroeg die man van de Jellinek: “Ik heb de indruk dat je het voor je vriendin doet. Wil jij zelf wel echt stoppen met drinken?” En nee, dat wilde ik niet. Ik ben zoniet een marionet, dan toch een goede vriend van mijn eigen driften. En ik kon geen échte, geen existentiële reden vinden om dat verlangen niet te vervullen. Hij zei: je bent nog jong, je kunt nog altijd terugkomen. Dat waren verlossende woorden, waar ik meteen werk van ben gaan maken, om het zo maar te zeggen. Al heb ik wel nog jarenlang het nummer van de Jellinek in mijn mobieltje bewaard, zoals een promiscue vrouw het nummer van de abortuskliniek bij de hand houdt.’

Weet je waarom je wel van drugs af kunt blijven, maar niet van drank?

‘Ik denk dat ik in essentie een alcoholist ben, en geen drugsjunkie. Met drugs treedt er op een gegeven moment verzadiging op. Dan nam ik LSD en wist ik: nu gaat er dit gebeuren en nu krijg je dat. Bij coke krijg je genoeg van dat geknarsetand. Alcohol werkt altijd, verliest nooit zijn kracht. Het is veel subtieler en subliemer. Complexer ook, het werkt op verschillende delen van de hersenen. Ik vind drank een heel trouwe vriend. Zoals Byron schreef: in de beker is noch verraad noch bedrog. Hoewel, een verraderlijke vriend is het nu juist wel. Ik ben me er dondersgoed van bewust dat ik niet weet wanneer de alcohol het overneemt van mezelf. Het is een soort twee-eenheid, de drank en ik.’

Heeft drank altijd die aantrekkingskracht op jou gehad?

‘Ik denk dat mijn islamitische achtergrond daarin wel een grote rol speelt. Alcohol was in mijn jeugd een enorm taboe. Mijn oudste zus had ooit last van haaruitval en iemand raadde haar aan om het met bier te wassen. Een drama was dat! “Ik ga geen bier kopen,” riep mijn vader. “Ik mag het van de Koran niet eens aanraken!” Terwijl: dat mag wél wanneer je het als een medicijn gebruikt. Uitein­delijk, ik zal het nooit vergeten, stond hij daar in de deuropening met twee blikjes Grolsch tussen zijn nagels. “Snel, haal ze weg!”

‘Zelf kan ik mijn eerste slok nog goed herinneren. Ik was zeventien, achttien, woonde net in Amsterdam. Ik werd uitgenodigd om bij een vriendin te komen eten, en iemand zei dat ik een fles wijn moest meenemen – zo hoorde dat. Op het moment dat ik die fles kocht, wist ik: ik ga hier vanavond van drinken. Ik was echt bang. Want dat mocht niet. Ik had het gevoel dat mijn vader en moeder over mijn schouder meekeken. Met bonkend hart heb ik mijn eerste slok genomen. En na een paar glazen was de angst en het schuldgevoel helemaal verdwenen.’

Je hebt weleens gezegd dat roesmiddelen je bevrijd hebben.

‘Oh zeker. In mijn puberteit was ik alleen maar bezig met lezen, schrijven en tekenen. Ik ging nooit uit. En ik was ontzettend verlegen. Zelfs thuis met de gordijnen dicht durfde ik niet naakt te lopen. Dat heeft heel lang geduurd. De islamitische cultuur is een cultuur van schaamte. Vanaf mijn tweeëntwintigste ben ik me daarvan los gaan maken, en in diezelfde tijd ben ik echt veel gaan gebruiken. Ik brak met mijn religie, mijn vader wilde niks met me te maken hebben en twee jaar lang heb ik mijn familie nauwelijks gezien. Mijn geest was een kamer die door anderen was ingericht. Ik besloot alles weg te gooien, het behang er af te scheuren en die kamer zelf in te richten. Dat was een ontdekkingstocht. In die tijd ben ik over mijn verlegenheid heen gekomen.’

Inmiddels, zegt Bouazza, zijn de banden met zijn familie weer hersteld. Ook met zijn vader, die twee jaar geleden overleed, werd de vrede nog op tijd getekend. Hij komt om in het werk en werd zelf vader van twee zoons, bij verschillende moeders. Hoewel beide relaties geen stand hielden en er problemen waren met omgangsregelingen, ziet hij tegenwoordig zijn jongste zoon weer regelmatig. Bouazza’s leven is in rustiger vaarwater beland, maar zijn voorliefde voor drank bleef onveranderd.

‘In Roes staat een stuk van Adri van der Heijden, waarin hij zich afvraagt wat dat nou is, die zucht naar drank. Is het ons zelfbewustzijn dat we niet aankunnen, en dat we de hele tijd moeten verdoven? Ik heb een ADHD-hoofd, kan heel moeilijk tot rust komen. Met alcohol lukt dat wel. En ik heb moeite met dat voortdurende zelfbewustzijn. Dat verdwijnt niet wanneer je drinkt, maar het zorgt voor een verinnerlijking waarmee ik toegang krijg tot gebieden die ik zonder alcohol waarschijnlijk niet zou hebben ontdekt. Sommigen noemen dat escapisme. Nou, ik vind dat er niks mis is met escapisme.’

‘Het eerste biertje van de dag is… nou, een orgasme gaat wat ver, maar alcohol bevredigt me elke dag weer.’

Maar bovenal verschaft de fles hem genot. ‘Ik ben een zeer genotzuchtig mens. Het eerste biertje van de dag is… nou, een orgasme gaat wat ver, maar alcohol bevredigt me elke dag weer. Het is in feite iets diepreligieus om niet te mogen genieten, om iets met mate te doen. Ik ben geen man van mate, maar van extase, uitbundigheid. Of het nou muziek of literatuur is, ik vind het geweldig om ergens aan overgeleverd te worden. Iets dat je bij de lurven grijpt, dat je overstroomt, en waardoor je je klein gaat voelen.’

Maar literatuur en muziek hebben geen schadelijke gevolgen.

‘Als ik mezelf alcoholist noem, zeg ik dat niet met spijt, noch voel ik me er schuldig over. Ik accepteer het, in het volle besef dat ik mijn leven er niet mee verleng. Toen ik de alcohol leerde kennen, is er een heel specifiek verlangen in me geopend. En net zoals ik niet zou willen leven zonder sommige van de boeken die ik hier in de kast heb staan, kan ik heel erg ver gaan om die verlangens te vervullen. Het is het tegenovergestelde van de gedachte waar ik mee ben opgevoed, dat in het hiernamaals al je wensen worden vervuld. Daar wil ik helemaal niet op wachten. Ik wil het nu!’

Drank knaagt niet aan je discipline bij het schrijven?

‘Natuurlijk doet-ie dat. Daarom ga ik ook vaak op een afgelegen plek zitten als ik iets van langere adem moet schrijven. Dan drink ik veel en veel minder. Het is constant hard werken om de discipline te behouden. Ik heb ankerpunten nodig in mijn leven. Naast het schrijven zijn dat mijn kinderen. Twee jaar lang zag ik mijn oudste zoon drie keer per week. Dan dronk ik helemaal niets, totdat hij in bed lag. Toen ik hem niet meer mocht zien, was mijn anker weg en ben ik veel meer gaan drinken en gebruiken. Nu zorgt mijn jongste voor een zekere regelmaat. Ik wil niet onder invloed zijn als ik hem zie. Dat voelen kinderen feilloos aan. Die dingen houden me bezig, want als mijn ankerpunten wegvallen, zie ik wel gebeuren dat het slecht met me afloopt.’

Daar zijn, ook in de schrijverswereld, af­schrikwekkende voorbeelden van.

‘Daar ben ik me van bewust, en ik ben er ook bang voor. Waarom zou ik sterker zijn dan die mensen? Ik weet dat ik niet sterker ben dan alcohol. Op foto’s van mezelf zie ik dat de drank zijn tekenen op mijn gezicht aan het achterlaten is. Gelukkig heb ik mensen om me heen, zeker mijn familie, die me er van zullen weerhouden om helemaal af te glijden. Ik loop niet weg voor de duistere kanten van alcoholisme. Als je leeft en drinkt zoals ik, kan dat niet. Maar daarin zit voor mij ook een zekere aantrekkingskracht. Niet zozeer het kijkje in de afgrond, maar de vorm van zelfbeschikking die erbij komt kijken. Om jezelf langzaam te vergiftigen. Drinken is een erkenning van mijn egocentrisme. Mijn ­lichaam is niet geleend van Allah, zoals me geleerd is. Het is van mij. Het is míjn leven. En het is ook míjn lever.’

‘Roes’, samenstelling Hafid Bouazza en Yves van Kempen, verscheen in het voorjaar van 2007 bij uitgeverij Prometheus.