Er zijn dingen waar je het niet over hebt. Ik bedoel niets ergs of geheims. Wanneer je het er wel over zou hebben, krijgt het te veel gewicht, terwijl dat waar je het niet over wilt hebben er wel nadrukkelijk moet zijn, maar op een ontspannen manier. Iets moet er wel zijn, maar niet te pontificaal. Kleine aanwijzingen laten zien dat het er wel is, maar zo onnadrukkelijk dat het is alsof het er niet is.

Toen de schrijver F. Bordewijk over dat waar we het niet over willen hebben een roman schreef in 1938, gruwde men van de manier waarop de vader van de hoofdpersoon te werk ging om de zoon dat waar we het niet over willen hebben bij te brengen.

We kunnen het als afleidingsmanoeuvre wel hebben over specifieke gedaanten van dat waar we het niet over willen hebben, zoals Theophrastus heeft gedaan, maar dat brengt ons alleen maar van onze à propos. Dan zien we ineens een immoralist voor ons, of een lafaard, een gierigaard, een opschepper of een uitslover.

Dat mag nog interessant zijn, maar het gaat er nu juist om dat iemand niet iets specifieks is, maar dat iemand dat waar we het niet over hebben bezit omdat hij (of zij) eerlijk is, moedig, kan doorzetten als het moet, mededogen kan tonen en dat om het niet doet, niet met de bedoeling zich te verrijken, zodat die opoffering niet te gelde gemaakt wordt. Dan heeft men het over waar we het niet over willen hebben.

creëren van personalities

Maar Sywert van Lienden had het er juist wel over, in het openbaar tijdens zijn Kohnstammlezing in 2013 onder de titel Het karakter tussen personalities en robotbreinen.

Hij zei het onomwonden, de toen drieëntwintigjarige, dat hij de afgelopen jaren meer had gehad aan het ontwikkelen van karakter dan aan het verwerven van traditionele kennis. En dat hij een ‘grote waardering voor vorming van karakter’ had gekregen, ook in het licht van de hedendaagse manieren van jezelf te leren kennen, zoals door Twitter, Facebook, Instagram of influencers. En door het brein als de nieuwe bron te gaan beschouwen. Het creëren van personalities, jezelf tot iemand maken, zag hij als nutteloos en als niet blijvend. ‘Afwezigheid van of gebrek aan karakter,’ zei Van Lienden, ‘is het ergste wat je iemand kunt toewensen. Je kunt iemand lui vinden, harteloos of boosaardig. Maar op het moment dat je iemands karakter in twijfel trekt, stel je de persoon zelf ter discussie.’

Het was omdat Sywert het openlijk had over dat waar we het niet over zouden moeten hebben, maar dat je wel hebt, dat het ineens zo omineus werd toen hij zei dat ‘het karakter het wezen is van de mens’. Daar kun je niet meer om heen, daarom hoef je het er niet over te hebben, het is een open deur.

Waar we het niet over hebben, maar dat we wel zouden moeten hebben, daar wilde Sywert het speciaal wel over hebben. Omdat het er nu zo weinig is: het ontbreekt aan het ‘verinnerlijken van waarden.’ Het is alsof  ‘karakter steeds minder telt’. Hoe kunnen we karakter weer een plaats geven in onderwijs en opvoeding, vroeg Sywert zich af. ‘De mens heeft karakter nodig: vorming, eigenheid en kennis.’ Want: ‘Met een goed karakter kom je er wel.’