Terug in de tijd, ver terug. In 1986 verscheen het eerste deel van Wessel te Gussinklo’s Ewout Meystertetralogie, zijn debuutroman De verboden tuin. Negen jaar later, in 1995, verscheen de vuistdikke roman De opdracht, het imposante vervolgdeel – Te Gussinklo’s stilistische en compositorische sumo deadlift ten top, een onovertroffen krachttoer.

Lees ookDe grote, mulischeske, gefnuikte vriendschapsroman van Wessel te Gussinklo13 maart 2017

En nu, vierentwintig jaar later, komt het derde deel uit: De hoogstapelaar. Te Gussinklo werkt decennialang door aan de semi-autobiografische roman fleuve die hem als schrijver het scherpst definieert doordat hij zijn kunnen daarin geheel kan tonen. Ook ditmaal, in De hoogstapelaar: weer is het ongekend raak, op een diepfascinerende manier; noem het een kluisterende, van nerveus gelach vergeven afdaling in het meest afschrikwekkende. Eerder zei ik het zo: ‘Te Gussinklo voert de weerspannige lezer in zijn broeierige romans mee naar een drassig veldje. Vooral het behendig meegelokt worden naar die onaangename bestemming blijkt een onvergetelijke ervaring.’

Literaire heremiet

En? Dat die literaire heremiet zo fenomenaal schrijft, weten we zelf wel. Hoe is het met de jonge antiheld Ewout Meyster, wil de trouwe Te Gussinklo-lezer ongeduldig weten. Stevent De hoogstapelaar weer af op een persoonlijke ramp voor hem, de derde op een rij? In De verboden tuin maakten we mee hoe de achtjarige Ewout de lagere school bezoekt. Zijn vader is in de niet lang voorbije oorlog door de bezetters vermoord en zijn moeder draagt sindsdien de zorg voor Ewouts opvoeding.

Door zijn eigen strategie ontspoort Ewout; hij wordt het slachtoffer van wat hij zelf oproept.

Ewout dreigt door het onontkoombare ouder worden zijn kinderlijke besef van samenhang te verliezen – die ongedeelde wereld die alleen om hém draait. Met zijn verbeelding probeert hij die ontwikkeling te keren en zijn paradijs te herwinnen. Maar door zijn eigen strategie ontspoort hij; hij wordt het slachtoffer van wat hij zelf oproept. Via een zelfgeschapen, onbewuste vorm van mystiek – almaar bezwerend vertellen, schouwen en zich inleven om samen te vallen met de werkelijkheid – belandt hij via de gruwelwereld van zijn fantasie in een psychologische obsessie, een gesloten systeem dat niets met de realiteit te maken heeft – een verboden tuin. Dat is dan nog maar het begin van Ewouts psychische hellevaart, die per deel van deze tetralogie verschrikkelijker lijkt te worden.

Een godgelijke figuur

In de in de jaren vijftig spelende roman De opdracht beseft Ewout dat er een werkelijkheid bestaat en dat hij daarmee niet samen kan vallen. Maar ook in deze Bildungsroman geeft hij zijn streven niet op zijn bestaan te ontwerpen. Ditmaal richt de eenzame puber zich daartoe op zijn medemensen: zijn leeftijdgenoten in een zomerkamp van christelijke verzets- en oorlogskinderen. Hij wil zich hen toe-eigenen door in hun blik een godgelijke figuur als de geallieerde oorlogsleiders Churchill of Roosevelt worden.

Machtig wil hij zijn of populair, in de hoop dat ‘het afschuwelijke’ (zijn neiging tot travestie) uit zijn leven zal verdwijnen.

Machtig wil hij zijn of populair, in de hoop dat ‘het afschuwelijke’ (zijn neiging tot travestie) uit zijn leven zal verdwijnen. Die zelfgestelde ‘opdracht’ mislukt grandioos: uitstoting door de groep en isolement zijn zijn deel. Hij maakt vijanden bij de vleet en is al snel de risee. Op de slotpagina van De opdracht lijkt de onaangepaste Ewout, na al die teleurstellingen en publieke vernederingen, een voorlopige levenshouding te hebben gevonden. Uiteindelijk vereenzelvigt hij zich met Hitler – ook iemand die men uitkotste, en machtig bovendien. Vrezen moeten de anderen hem, besluit hij. De lezer beseft dat Ewouts inschatting van de werkelijkheid, van de niet te negeren buitenwereld, nog dramatischer vormen zal aannemen nu hij zijn wankele zelf als de maat der dingen ziet.

Niet ‘mannelijk’ genoeg

In De hoogstapelaar treffen we hem eind jaren vijftig aan als adolescente ex-scholier van zeventien. Hij woont bij zijn moeder in Utrecht. Nadat hij voor de derde keer is blijven zitten wil geen school hem meer aannemen. Zijn tijd brengt hij door met roken, cola drinken en een groepje jongens van zijn leeftijd bestieren.

Meestal komt het erop neer dat zo’n jongen rare gebaartjes of pasjes maakt, een moederskindje is, door anderen niet serieus genomen zou worden.

Voortdurend is hij bezig zijn leiderschapspositie te consolideren. Daartoe neemt hij een corrigerende, vormende rol aan voor zijn meelopers. Hij houdt zelfs individuele spreekuren om zo’n jongen eens goed uit te leggen wat er aan hem schort – in Ewouts alwetende visie. Meestal komt het erop neer dat zo’n jongen niet ‘mannelijk’ genoeg oogt, niets van belang te melden zou hebben, geen denkbeelden zou hebben, rare gebaartjes of pasjes maakt, een moederskindje is, door anderen niet serieus genomen zou worden. Als zo’n ongelukkige Ewouts adviezen opvolgt, kan het ooit misschien nog wat met hem worden.

Zelfs gaat Ewout bij de ouders van zo’n vriendje langs om eens duidelijk te maken dat hij losser van hen moet komen. De dramatische ironie draait in zulke scènes weldadige overuren; je merkt (anders dan Ewout) hoe zijn woorden juist averechts uitpakken. Vrienden verwijderen zich van hem, en de door hem bezochte ouders verbieden hun spruit nadien de vriendschap met Ewout. Ook merk je dat hij zijn hand overspeelt. Hij weet zijn minderjarige vrienden een jazzclub in te krijgen, maar gedraagt zich daar zo onaardig (vanuit zijn idee dat een echte persoonlijkheid dat moet doen) dat hij juist problemen krijgt. Op een zeker moment stapt hij met suggestieve vragen op twee jongens af – homofobie is sterk aanwezig in Ewouts groepsideologie. Hij beveelt die jongens op te staan. Dat doen ze verbouwereerd, maar sindsdien heeft hij er twee gevaarlijke vijanden bij.

Gezwollen oplichter

Als de ‘hoogstapelaar’ (gezwollen oplichter) die hij is, bedient hij zich bij zijn pogingen volgelingen te domineren gretig van geleende boekenkennis en gestrande pogingen denkers te lezen. Aan een half woord Sartre heeft hij genoeg om onophoudelijk praatjes af te vuren over de Ander, de blik die schept, en meer. Want de narcistische Ewout begrijpt Sartre; hem lezen is zo bezien overbodig.

In een prachtige passage, waarin twee modellen om als adolescent ‘iemand te worden in de wereld’ tegenover elkaar staan, houdt ene André, een van de weinige vrienden die als gelijke met Ewout kan verkeren, zo’n jongen die Sartre en Nietzsche en Dostojevski écht gelezen heeft zonder daarover te snoeven, hem voor dat boekenkennis alleen niet genoeg is in het bestaan. André spiegelt zich aan ruige marktkooplui en vechtersbazen, hij gaat ervanuit dat wanneer zulke mensen je accepteren, je door het leven zult dansen.

Op een werf had hij belerend over Sartre lopen oreren tegen de arbeiders en op het nippertje was hij niet tot moes gemept.

Ewout daarentegen, behept met een minder mannelijke en robuuste fysionomie dan André, heeft dan al andere, negatieve ervaringen met mensen die hij bestempelt als ‘achterbuurters’ achter de rug. Op een werf had hij belerend over Sartre lopen oreren tegen de arbeiders en op het nippertje was hij niet tot moes gemept.

Een dreunende dissonant

Je kunt je afvragen: heeft de tijd stilgestaan sinds Te Gussinklo zijn eerste twee delen over Ewout lanceerde? Thematisch blijkt de reeks uiterst consistent, dus ja, die verwaaide tussenjaren doen er niet toe met oog op wat het geheel biedt. Ook is nu opeens duidelijk waarom Te Gussinklo zijn recente romans Zeer helder licht (2014) en De Weergekeerde Bloem (2017) lichte kost noemt. Dat zijn ze niet, die romans stáán en zijn diepgravender dan vrijwel de gehele Nederlandstalige oogst in zo’n jaar van verschijnen. Maar in vergelijking met de Ewout Meyster-reeks is er natuurlijk minder reliëf, in de zin dat de schrijver in die hoofdboeken meer ‘interacties’ in het menselijke verkeer weet te vangen.

Wel zie je de veranderde literaire cultuur weerspiegeld in de delen. De verboden tuin is ronduit geacheveerd geschreven, keurig literair – de brave jaren tachtig. De opdracht daarentegen is extremistisch geschreven en gecomponeerd, in feite een meedogenloos uitgerekte situatieschets over een naakte geworpene in een chaotische wereld, gelardeerd met benauwend uitpakkende herhalingen en gedachtestreepjes en haakjes – om álles in een brede beweging te vangen. Een dreunende dissonant in de hedonistische jaren negentig.

Laat zijn lijdensweg nog lang duren, bid ik de schrijver.

En dan nu De hoogstapelaar, losser van toon, als roman een apodictisch baken in een tijd waarin het besef van wat literatuur ten beste te bieden kan hebben marginaal is geworden. Het zal Wessel te Gussinklo z’n reet roesten, om het eens modern te zeggen. Hij is er als schrijver en hij weet dat. Dat ligt heel anders met zijn alter ego: Ewout verklaart tegen het slot van De hoogstapelaar onomwonden dat hij lijdt aan depressies. En zijn travestieneiging blijft onbedwingbaar. Hij heeft – gelukkig voor de lezer – nog zeker een roman te gaan, misschien wel een paar.

Laat zijn lijdensweg nog lang duren, bid ik de schrijver.

Wessel te Gussinklo, De hoogstapelaar, Koppernik, 372 p., € 21,50

 

Jeroen Vulling stelt elke maand de Republiek der Letteren samen, de literaire nieuwsbrief van Vrij Nederland. Inschrijven kan op vn.nl/jeroen.

Ook hebben we een gesproken variant van de Republiek der Letteren, waarin Jeroen het wel en wee van de boekenwereld bespreekt met VN-eindredacteur Marleen Slob.