‘Als iemand je vijftien keer steekt, voelt dat beslist heel erg eerste-persoons,’ zei Salman Rushdie tegen de hoofdredacteur van The New Yorker David Remnick in 2023. Hij vertelde Remnick dat het boek waaraan hij bezig was over de moordaanslag niet in de derde persoon geschreven kon worden, net zoals zijn omvangrijke ‘memoir’ Joseph Anton, het boek over zijn leven na de fatwa van ayatollah Khomeini in 1988. Het boek waaraan hij werkte was een ‘ego-verhaal’, dat kon niet anders. Dichterbij de dood en bij zichzelf was hij niet gekomen bij de aanslag op 12 augustus 2022 in Chautauqua in de staat New York.

Bij Salman Rushdie gebeurt nooit iets zonder dat het wortels krijgt in de geschiedenis, in de werkelijkheid of in de literatuur. Hij heeft iets van een allesweter, hij laat zijn kennis werken. Dat hij een boek schrijft waarin hij tot in de kleinste en intiemste details vertelt over de aanval op zijn leven door een jonge fanatieke moslim is opvallend. Tot het schrijven van Mes had Rushdie een hekel aan zulke álles-vertellende boeken: ‘Jezelf bloot geven is nog nooit zo populair geweest, en hoe meer er van het zelf wordt blootgegeven, hoe beter’, schrijft hij in een essay over het verschil tussen een autobiografie en een leegloop-boek in De taal van de waarheid (2021). Rushdie heeft het daarin misprijzend over een ‘vloedgolf van memoirigheden in een tijd van confessionele knausgårderij’, verwijzend naar de vele delen openhartigheid van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård.

Rushdie weet wat hij doet wanneer hij zelf vertelt over het legertje dokters en chirurgen dat hem redde, hoe hij verzorgd werd, hoeveel pijn hij had, hoe hij een oog moest missen, welke behandelingen hij moest ondergaan, hoe hij bezocht werd door nachtmerries en doodsangsten, ten prooi was aan wisselende stemmingen, hoe hij het vol wist te houden door de steun van zijn vrouw Eliza.

De moordaanval met messteken in zijn gezicht en rechteroog, is voor hem zo onomwonden werkelijk dat zijn fantasie het nakijken heeft.

Dat Rushdie zich waagt aan zo’n boek waarin ‘de waarheid’ wordt verteld wil zeggen dat hij denkt het waarachtiger te kunnen doen. Hij, die altijd dacht dat fictie het dichts bij de waarheid komt, denkt inmiddels dat de werkelijkheid zo fantastisch aan het worden is, dat die de fictie voorbij aan het streven is. De moordaanval met messteken in zijn gezicht en rechteroog, is voor hem zo onomwonden werkelijk dat zijn fantasie het nakijken heeft.

Rushdie heeft altijd min of meer bekend gestaan als arrogant, hoewel hij dat volgens mij helemaal niet was of is. Hij was en is wel iemand die je niet veel hoeft te vertellen. Hij weet natuurlijk welke schrijvers er eerder zijn aangevallen met een mes (Samuel Beckett), in welke films messen prominent optreden, in welke verhalen ogen het moeten ontgelden, en wie zijn held in het eenogige is, de cricketer Mansoor Ali Khan, batsman en captain van India, beter bekend als ‘Tiger’.

Rushdie heeft een perfect associërend brein dat zich de schrijvers en filmers te binnen laat schieten wanneer hij de avond voor de aanslag naar de volle maan staat te kijken. In het bijzonder denkt hij dan aan de stomme film Le Voyage dans la Lune (1902), waarin een raket in het rechteroog van de maan met het menselijke gezicht stort – een lugubere vooruitwijzing naar wat hem een dag later zelf zal overkomen.

Het alles-weten en op alles een antwoord hebben is Rushdie niet kwijt, maar in Mes is hij op de aarde geland. Hij is, om een modewoord één keer passend te gebruiken, kwetsbaar geworden. Hij is zich gaan hechten aan de meest elementaire dingen, alsof hij vanaf niets weer moet beginnen met leven. Hem valt de kleinste vriendelijkheid op. Hij trekt zich vaderlijk op aan zijn volwassen zoons Zafar en Milan, en aan zijn zus Sameen die hem vanuit Engeland komen bezoeken. En boven alles is hij idolaat van zijn vrouw Eliza die hij op de dag van de aanslag vijf jaar kent en bij wie hij het geluk van zijn leven heeft gevonden, in de meest onopgesmukte bewoordingen: ‘Jij bent alles voor me.’

Wanneer Rushdie het over hun liefde heeft legt de literatuur in Mes het loodje. Hij is dan niet in staat om de literatuur nog zijn eisen te laten stellen. Hij wil zeggen wat hij op zijn hart heeft en dat doet hij op de manier van het ongestileerde hart, zoals in dit door henzelf opgenomen gesprek: ‘Hoe voel je je vandaag, liefje. Hoe is het met je, schat. Dit is dag vier nadat onze levens voorgoed veranderden. Weet je… het gaat op en neer. Maar ik ben omringd door de mensen van wie ik hou. In de eerste plaats, jou. Dus ik kan het. We redden het wel. We hebben meer verhalen om te vertellen. En wat we hebben is het beste verhaal, en dat is liefde.’

vrijheidslievende barbiepop

Natuurlijk is Rushdie zich ervan bewust dat hij niet in deze romcom-stijl kan blijven schrijven. Zijn toestand is zo belabberd en hij is tegelijk zo gelukkig met Eliza dat hij zijn geluk tot onderwerp van reflectie moet maken. Hij bekent dat hij altijd al geïnteresseerd is geweest in het schrijven over geluk, ‘vooral omdat het extreem moeilijk is’. Hij weet meteen wie het eerder heeft geprobeerd: Henry de Montherlant. Die zei dat geluk met witte inkt of witte pagina’s wordt geschreven. Het laat zich niet zien. Om het toch te proberen schrijft Rushdie het begin van een verhaal over Henry White, de man wiens aard het was om gelukkig te zijn. Henry moet van hem lijden aan geluk, zoals mensen aan een ongeneeslijke ziekte kunnen lijden. Hij denkt aan Voltaire’s Candide. Die dacht dat hij in de beste van alle werelden leefde, maar ondertussen krijgt hij elke denkbare rampspoed over zich heen. Terwijl hij zit ‘te babbelen over gelukkig zijn’, moet Rushdie denken aan onze huidige rampspoeden, aan de ‘miljoenen’ die sterven aan de pandemie, aan de opkomst van radicaal-rechts, aan de stromen vluchtelingen, boek uitbannende conservatieven, de oorlog in Oekraïne en een planeet die zich in het nauw bevindt. Henry heeft last van het onnozele antisocratische ononderzochte leven: ‘geluk als privilege.’ Dan blijft er niets anders over dan solipsisme en je tuin bewerken.

Maar zo ver laat Rushdie het niet komen. Hij wil toch meer weten over zijn aanvaller. Hij noemt hem A. en probeert met een denkbeeldig gesprek bij hem in de buurt te komen. Hoe Rushdie ook probeert, hij stuit op een A. die het steeds maar over God heeft en Rushdie een ‘duivelse slang’ noemt.

Gedurende de drie maanden dat hij herstellende is voltrekt zich aan Rushdie een versimpeling. De arrogante, egoïstische Rushdie die de roddelpers van hem maakte ten tijde van de fatwa, raakt op de achtergrond. Daar komt de sympathieke, goede, bijna-martelaar Salman voor in de plaats, ingebed in de liefde van zijn vrouw en haar familie, zijn zoons, zus en vrienden: ‘Ik ben een vreemde vogel geworden, niet zozeer beroemd om mijn boeken als wel om de incidenten in mijn leven.’ Dit betekent dat hij terugvalt op het meeste eenvoudige, ook in de verwoording wanneer hij het tegen A. heeft: ‘Jij kan me niet schelen (…). Ik heb mijn leven, en mijn werk, en er zijn mensen die van me houden. Die dingen kunnen me schelen. (…) Nu neemt het leven weer zijn loop, en het is een leven gevuld met liefde.’ Dit zijn futloze, geslagen zinnen. Maar deze Rushdie is wel weer zo wakker dat hij het ‘futloze’ tot onderwerp maakt. Hoe komt het dat hij soms zo futloos is? ‘Als het lot me heeft veranderd in een soort deugdzame, vrijheidslievende barbiepop, Vrijheid-van-Meningsuiting-Rushdie, dan zal ik dat lot omhelzen.’

Mes gaat in gelijke mate over het grote ongeluk van de bloedige aanslag, en over het grote geluk, gevonden in de persoon van Eliza. Rushdie telt zijn zegeningen met zijn ‘gewonde geluk’.

Mes van Salman Rushdie is vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer en is uitgegeven door Uitgeverij Pluim.