Tot de nalatenschap van de Portugese dichter Fernando Pessoa behoorde een grote eikenhouten kist waarin hij in de loop der jaren alles bewaarde dat hij had geschreven. Hij publiceerde weinig. In de kist zaten aanvankelijk 25.426 originele manuscripten, dat cijfer werd ooit genoemd door een van zijn Nederlandse vertalers, August Willemsen (de andere is Harrie Lemmens).
De kist kreeg een sprookjesachtige status omdat er steeds weer iets nieuws uit opgediept werd. Inmiddels zijn het zo’n dertigduizend manuscripten geworden. De laatste die zich over de inhoud heeft mogen buigen is Michaël Stoker. Die heeft er nu een boek uit samengesteld met het accent op alle dagboekachtige en autobiografische stukken en fragmenten: Kroniek van een leven dat voorbijgaat.
Aan dat boek heeft Pessoa zijn leven lang zelf gewerkt, maar nooit gepubliceerd. Het werd pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw gepubliceerd onder de titel Boek der rusteloosheid. Het was niet geschreven door Pessoa, maar door een voor de gelegenheid door hem bedachte schrijver, Bernardo Soares, hulpboekhouder te Lissabon.
Verdeeld in zielen
Over Pessoa schrijven betekent verzeild raken in een literair labyrint en te maken krijgen met veel circumstantial poespas. Afgezien van deze Bernardo Soares splitste Pessoa zichzelf op in vier verschillende dichters die hij een eigen naam en eigen oeuvre bezorgde.
Alberto Caeiro was een natuurliefhebber en een soort spinozist. Alvaro de Campos was een uitzinnige, oeverloos op zoek naar sensaties. Ricardo Reis was een saaie en kalme kamergeleerde met intellectuele aspiraties. En Pessoa zelf, de dichter met de meerdere persoonlijkheden die zijn hele leven lang niet weet wie hij is en dat in talloze variaties opschrijft, tot Michaël Stoker er een boek van 326 pagina’s van samenstelt.
Rond dat boek moet ook weer het nodige verteld worden. Stoker zondigt tegen de Pessoakunde door bij het weergeven van deze dagboeknotities en autobiografische fragmenten geen onderscheid te maken tussen Pessoa’s aantekeningen en die van zijn dichterlijke afsplitsingen: hij laat ze allemaal van Pessoa zelf zijn. Pessoa beschouwde het spel met die andere dichters als een ‘toneelstuk verdeeld in zielen’. Hij is de schrijver van dat toneelstuk, dus is hij de bron.
De lezer van Pessoa moet maar zien hoe hij hier mee omgaat. Pessoa stalde in die andere dichters aspecten van zijn karakter die te tegenstrijdig waren om normaal mee te kunnen leven. Hij moest ze ergens parkeren. Pessoa verlangde hevig naar niet-denken, want denken zorgde voor knetterende schermutselingen tussen de vele zielen in zijn hoofd en borst. Vandaar dat Pessoa vaak verlangde naar ‘vergetelheid’: naar ‘nee, niets, niemand, nergens’.
In 1935 schrijft Pessoa: ‘Ik heb nooit nostalgie gekend, omdat ik nooit iets heb gehad waarnaar ik kon terug verlangen en altijd rationeel in mijn gevoelens ben geweest.’
Een ‘spel’ was die afsplitsing in andere dichters maar tot op zekere hoogte. Het was een existentiële noodzaak vanaf zijn jongensjaren, blijkt uit deze aantekeningen: ‘ik weet niet wie ik ben, noch welke ziel de mijne is.’ Hij maakte het tot literaire noodzaak want hij wilde de literatuur er een impuls mee geven: ‘Ik ga in mijn eentje een hele literatuur vormen’.
Het was ook een soort cultuurfilosofische noodzaak: het was de tijd dat de grote zekerheden van de politiek, de religie en de psychologie wegvielen. Pessoa werd de personificatie van de uit elkaar gevallen, gefragmenteerde identiteit van de moderne dichter en schrijver, samen met T.S. Eliot, Ezra Pound, Gottfried Benn en Paul Valéry. De hele wereldorde werd bovendien door de ramp van de Eerste Wereldoorlog in twijfel getrokken.
verbeelding en intellectueel genot
Een voorbeeld van de tegenstrijdigheden die te vinden zijn in Kroniek van een leven dat voorbijgaat zijn de passages waarin hij schrijft ‘nooit nostalgie’ te hebben gekend. In 1935, het jaar van zijn dood, schrijft hij: ‘Ik heb nooit nostalgie gekend, omdat ik nooit iets heb gehad waarnaar ik kon terug verlangen en altijd rationeel in mijn gevoelens ben geweest. Aangezien ik niets van mijn leven heb gemaakt, is er niets wat mij weemoedig zou kunnen stemmen’.
Alles speelde zich in Pessoa’s hoofd af, het kwam nooit tot daden, alles bleef onaf.
Dat is kras omdat Pessoa een lang, ruim driehonderd regels tellend heimwee-gedicht schreef over zijn smartelijke herinneringen aan zijn ‘Un soir à Lima’ op de piano spelende moeder: ‘En door mijn tranen heen zie ik toch/in mijn herinnering/duidelijk, volmaakt als een medaillon,/de lijn van dat meer dan volmaakte profiel.’ Zij speelt ‘eindeloos in mijn hart’. Wanneer ze in 1925 sterft wordt de laatste band die hij nog had met de gevoelsmatige kant van het leven doorgesneden, schrijft hij.
Door haar besefte hij hoezeer hij behoefte had aan ‘genegenheid die je, als lucht inademt en niet voelt.’ Maar hij deed in zijn leven niets om die genegenheid te krijgen. Alles speelde zich in Pessoa’s hoofd af, het kwam nooit tot daden, alles bleef onaf. ‘Handelen’ vond hij vulgair en altijd onvolmaakt. Het moest bij de verbeelding en bij intellectueel genot blijven. Maar dat genot verpulverde hij zelf weer door het als ijdelheid te bestempelen.
Alles wat Pessoa deed en schreef was daarom veinzerij, doen alsof, want niets was echt of bestendig. Hij stoorde zich aan de ‘menselijke gekunsteldheid’, maar met menselijke onbevangenheid en directe emotie moest je niet bij hem aankomen. Hij ‘intellectualiseerde’ zijn emotie volgens August Willemsen, zoals in het gedicht ‘Autopsychografie’: ‘De dichter doet alsof/Hij doet dat zo compleet/Dat zelfs de pijn die hem echt trof/Door hemzelf verzonnen heet’.
Bij Pessoa doortrekt de ‘veinzerij’ zijn hele bestaan, maar in de Europese poëzie is in die tijd het zoeken naar een talig, verzonnen equivalent voor de echte emotie, ook te vinden, bij T.S. Eliot en Paul Valéry.
Pessoa liet het meeste van wat hij schreef onaf omdat niets bij hem definitief, afgerond mocht zijn.
Het ‘artistieke liegen’ van Pessoa bleef behelpen. Niets beklijfde bij hem: ‘Niets hecht mij aan niets./Ik wil vijftig dingen tegelijk./Ik hunker met een drang van honger naar vlees/Naar iets, ik weet niet wat’. Pessoa’s ‘stuurloze wanhoop’ was zo groot dat hij in het lezen houvast vond: dat bond hem aan een verhaal, aan een structuur, een vast vorm. In de cocon van een boek was hij even veilig.
onaf
Dat Pessoa kan schrijven dat hij ‘altijd de schoonheid van de tegenstelling’ had ingezien is maar al te begrijpelijk wanneer hij in 1935 noteert dat hij voortdurend het gevoel heeft ‘iemand anders te zijn geweest, te hebben gevoeld en gedacht als een ander’. Dat willen we wel geloven. Hij is kennelijk even vergeten dat hij in zijn leven niet veel anders heeft gedaan dan van zichzelf een ander te maken. Het adagium van Rimbaud, ‘Ik is een ander’, slaat op niemand beter dan op Pessoa. Hij schreef het gedicht ‘Ik weet niet hoeveel zielen ik heb’ waarin staat dat hij telkens weer werd ‘ontbonden’. ‘Het is alsof ik voortdurend wegeb’ (…)/Ik ben mijn eigen toneel,/Ik kijk hoe dat ik speel/En alleen en gespleten rondren,/Ik voel mezelf niet waar ik ben.’
Pessoa liet het meeste van wat hij schreef onaf omdat niets bij hem definitief, afgerond mocht zijn. Gedurende zijn hele bestaan heeft hij het ‘mysterie van de wereld’ gekoesterd. Dat mocht niet opgelost worden, dat moest een mysterie blijven. Van de dichter Alvaro de Campo maakte hij een filosofisch zoekende die op zoek was naar de deur tot de waarheid. Maar hij was bang hem te vinden. Pessoa was ook bang dat iemand iets definitiefs zou ontdekken over God.
Het is ook niet verbazingwekkend dat Pessoa niet van ‘feiten’ hield. Die waren hem te veel feit. Er zijn in Kroniek van een leven dat voorbijgaat nog meer van zulke bijzondere tot eigenaardige ideeën te vinden. Pessoa interesseerde zich voor het boeddhisme, de theosofie, de vrijmetselarij, de astrologie en de kabbala. Hij was een strikte conservatief met wereldvreemde archaïsche sentimenten ten aanzien van het nut van tirannen. Hij vond dat vrijheid, zoals in de middeleeuwen, een ‘privilege’ moest zijn. Hij had ook iets met de aristocratie: ‘De aristocratie is de manier om vrij te kunnen denken.’ En: ‘We zouden blij moeten zijn voor degenen die uitverkoren zijn en niet sentimenteel doen over de minderbedeelden.’
En Zwitserland, Nederland en België waren geen landen die iets essentieels toevoegden aan de beschaving: ‘Ze zouden kunnen ophouden te bestaan zonder dat de beschaving daaronder lijdt.’ Dit soort ideeën geeft aan dat Pessoa, naast zijn baanbrekende gedichten, ook de nodige hersenspinsels in zijn hoofd had.
Kroniek van een leven dat voorbijgaat door Fernando Pessoa is samengesteld en vertaald door Michaël Stoker en uitgegeven door Van Oorschot.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.