Op het moment dat Jenseits von Gut und Böse van Friedrich Nietzsche in de zomer van 1886 verscheen, verbleef de filosoof in de Zwitserse bergen van zijn vertrouwde Sils-Maria. Ook al kwam hij daar vooral om lange eenzame wandelingen te maken, in de avond was hij aan de stamtafel van hotel Alpenrose te vinden, waar hij ongedwongen converseerde met de plaatselijke dokter, de dominee en de onderwijzer.
Ook al heeft Nietzsche in het boek weinig lieflijke woorden over voor vrouwen, in Sils-Maria was hij maar al te blij met het gezelschap van de Engelse Schopenhauervertaalster Helen Zimmern en met de strijdster voor vrouwenrechten Meta von Salis. Zimmern (die door Nietzsche in een brief ‘een literatuurvrouwtje’ wordt genoemd) had al snel door dat Nietzsche tot de categorie mannen behoorde die er wel vreemde theorieën over vrouwen op nahouden, maar die nauwelijks in de praktijk brengen.
De bevrijde en gezeglijke staat waarin Nietzsche zich in Sils-Maria bevond, staat in sterk contrast met de inhoud van het in die zomer verschenen Voorbij goed en kwaad. Nietzsche noemde het boek, dat nu in een nieuwe vertaling van Maarten van Buuren bij Boom is verschenen, zijn ‘jongste en boosaardigste kind’.
Wanneer je het neemt voor wat er staat, kan het niet anders of Nietzsche vindt geweld geweldig, ziet slavernij wel zitten, beschouwt tirannie als respectabel.
Het boek is ook boosaardig omdat Nietzsche er zo fel rechtse oorlogstaal in bezigt dat je het ongemerkt op een andere manier gaat lezen nu er twee echte oorlogen om ons heen woeden.
Nietzsche geeft in Voorbij goed en kwaad af op de democratisch gezinden die ‘het algemene groeneweidegeluk van de kudde’ zouden nastreven. Daarbij lieten ze de twee ‘afgezaagde deuntjes’ van ‘gelijke rechten en medelijden met alles wat lijdt’ horen. De zekerheid, veiligheid, het welbehagen en een makkelijk leven voor iedereen waar een democratie volgens Nietzsche op uit zou zijn, verafschuwde hij. Dat is hem niet risicovol genoeg. Hij zegt te behoren tot ‘de tegendraadsen’: ‘wij denken dat hardheid, geweld, slavernij, gevaar op straat en in het hart, leven in het verborgene, stoïcisme, verleiderskunsten en duivelse streken van elke aard, dat al het kwade, angstaanjagende, tirannieke, roofdier- en slangenachtige in de mens net zo goed dient ter verbetering van de menselijke soort als het tegendeel.’
Dit is duidelijk genoeg. Wanneer je het neemt voor wat er staat, kan het niet anders of Nietzsche vindt geweld geweldig, ziet slavernij wel zitten, beschouwt tirannie als respectabel. Duivelse streken zijn niet verkeerd, gevaar op straat niet gek, de mens die zich gedraagt als roofdier: spannend.
Deze ‘gevaarlijke springstof’, zoals hij het zelf noemt, zie je liever niet aanbevolen worden door een filosoof die bij zijn verstand is. Dat is Nietzsche bij vlagen dan ook niet meer helemaal. We moeten het niet zo serieus nemen, zegt hij tegen zijn vriendin Meta von Salis: neem ‘de krachtige dingen’ die ik schrijf niet al te letterlijk.
Dat nam ze maar al te gretig aan, aangezien ze Nietzsche in de omgang kende als de voorkomendheid zelve. Hij was beschaafd, bescheiden en hartelijk. Wat hij in Voorbij goed en kwaad schreef, kon ze niet plaatsen. De eenzelvige denker, die met zijn ideeën geen weerklank vindt, verheft onwillekeurig zijn stem en overschreeuwt zich, meende zij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.