In de tijd dat voetballers nog vooral voetballers waren, dus in de jaren vijftig, de tijd van Abe Lenstra, Faas Wilkes, Ferenc Puskás, Cor van der Hart en de zwarte panter Frans de Munck, kon je sparen voor voetballertjes van jouw club. Miniatuurvoetballers in een voor hen karakteristieke schiethouding, verdedigend, een sliding makend, een kopbal nemend, de keeper (De Munck) die een snoekduik maakt – allemaal echt, maar dan in het klein. De liefde voor het spel werd er danig mee verhoogd. Er ontstond een wisselwerking tussen speler en figuurtje. De voetballer werd een beetje bezit van de fan, hij werd enigszins geconfisceerd.
Hetzelfde heeft zich even later voorgedaan met talloze figuren die kinderen en jong volwassen gingen koesteren, zoals Kuifje, Bobby, Kapitein Haddock, Suske en Wiske, Superman, Guust Flater, Asterix. Die werden allemaal een vast onderdeel van de kinderkamer. Hier was een oplossing gevonden voor wat je in het groot of echt niet kunt krijgen: een klein handzaam formaat als representant van het echte. Ze zijn klein, maar hun personages staan wel ergens voor, dat wordt wel eens vergeten, zo vanzelfsprekend zijn ze geworden. Guust Flater troost elke onhandige jongen, kapitein Haddock staat voor elke vader die in woede uit kan barsten. Kuifje weet altijd wel een uitweg.
toe-eigenende hartstocht
In Op onware grootte, het boek waarin Nicolaas Matsier 43 stukken heeft verzameld die hij heeft geschreven over ‘verkleiningen’ in de meest algemene zin: modellen, miniaturen en maquettes, is dit soort toe-eigenende hartstocht op een gedempte manier op bijna elke pagina te vinden. Verkleiningen, afgezien van de bewondering voor de technische hoogstandjes die ze vereisen, zijn niet per definitie aandoenlijk.
Matsier gaat doorgewinterde trivialiteiten niet uit de weg, daarom behandelt hij ook het souvenir der souvenirs, de Eiffeltoren. Die is in Parijs zo alomtegenwoordig dat men helemaal vergeten is dat het niet zo’n geweldig bijzondere toren is – hij is om die reden het model geworden van de hoogspanningskabels die overal door het land staan.
Even lastig zijn de flessenscheepjes, waarvan er duizend te zien zijn in Enkhuizen. Ze zien er klein, schoon en helder uit, zorgvuldig tentoongesteld, maar die scheepjes zitten daar maar te zitten. Zo denkt de liefhebber er niet over, die ziet ineens de beroemde Cutty Sark in een fles, en bedenkt misschien wat dat schip allemaal aan drama en schoonheid heeft meegemaakt. Overal geweest, met thee uit Shanghai of wol uit Australië, terug naar Londen. Na verdiende rust als museumschip afgebrand en weer opgebouwd, waarna het het scheepsmodel der modellen werd.
Er is een fantastische diversiteit in verkleiningen. Matsier heeft het over de globes in miniatuur, gevat in een perfect foudraaltje. Die konden mee op reis over de aardbol terwijl je diezelfde aardbol in je binnenzak had. En over Antonio Chichi (1743-1816) die modellen maakte van kurk, een materiaal waarmee goed te werken is, zoals we weten sinds Theo en Thea. Maar Chichi pakt het serieuzer aan: hij maakte historische tempels, theaters, grafmonumenten, triomfbogen, aquaducten, bruggen en sluizen.
Grand Tour-reizigers kregen een gretige belangstelling voor Chichi’s kurkmodellen. Er werd door Duitse edellieden en Catharina de Grote jacht gemaakt op complete series van zesendertig stuks, waaronder een model van het Pantheon in Rome waarvan ook de binnenkant getoond kon worden.
‘Het procedé van de vergroting’, schrijft Matsier, ‘zou je kunnen zien als een nieuwe etappe in de geschiedenis van het opzien baren.’
De diversiteit blijkt in Op onware grootte ook uit de contrasten die ontstaan wanneer Matsier zowel het zelfgemaakte circus van Alexander Calder behandelt als de zwijgende voorstelling Kamp van Hotel Modern waarin figuurtjes in gevangeniskleding kleine geluiden en kleine bewegingen maken tegen de achtergrond van Auschwitz-achtige beelden, die tot pictogrammen van de vernietiging zijn geworden. Dan is drastische verandering van verwachting in het hoofdstuk over Calder noodzakelijk, aangezien Calder ‘schitterende filmpjes’ heeft gemaakt van een aantal voorstellingen van zijn circusje die door Matsier ‘buitengewoon opvrolijkend’ worden genoemd. Calders circus is zo aantrekkelijk omdat het helemaal zelfgemaakt is in een wereld waarin het automatisch gemaakte alles domineert.
‘Kleine humeurverbetering’
Daar verkleiningen, daar vergrotingen. Die komen aan de orde wanneer Matsier het heeft over de gigantische vergrotingen die Claes Oldenburg maakte van heel gewone gebruiksvoorwerpen, zoals klokhuizen, schroeven, troffels, schepjes, knijpers, veiligheidsspelden. De aanwezigheid van zo’n huiselijk ding midden op een rotonde of in een park zou vervreemdend werken als Oldenburg niet liever had dat we het ding opvatten als een onverwachte practical joke. Voor Matsier zorgen ze voor ‘een kleine humeurverbetering’.
Oldenburg begon dan ook in de tijd van ZERO-kunst. ‘Het procedé van de vergroting’, schrijft Matsier, ‘zou je kunnen zien als een nieuwe etappe in de geschiedenis van het opzien baren’ (begonnen met Duchamps urinoir binnenshuis, uitlopend op Oldenburgs Troffel in de buitenlucht).
Verkleiningen hebben heel wat vóór: ze zijn geruststellend klein, ‘klein’ roept bijvoorbaat sympathie op, klein is kwetsbaar en komt voor bescherming aan aanmerking.
Tot de categorie ‘vergrotingen’ kun je ook de vele maquettes rekenen die de architect Hermann Giesler maakte voor Hitler. ‘Veel’ omdat het plan om Hitlers geboortestad Linz tot een van de vijf hoofdsteden te maken steeds werd uitgebreid. De bedoeling was dat daar alle kunst naar toe ging die Hitler had buitgemaakt. Daar moest een groot museum voor komen.
Voor de verbeelding is het echte werk op het gebied van klein en miniatuur nog altijd de speldenknop waarop de slinkse inlichtingendiensten zoveel mogelijk geheimen kwijt proberen raken. Maar de verbeelding en James Bond kunnen ernaar fluiten: de speldenknop is vervangen door miniatuur-electronica. Echte miniatuur doet zich alleen nog in de kunst voor, al zal je het niet gauw aantreffen in moderne kunst. De miniatuurkunst van Anatoly Konenko (1957) bestaat onder meer uit een portret van de dichteres Anna Achmatova geschilderd op het zaadje van een appel. Matsier drukt ook het portret af dat Konenko heeft gemaakt van de Noord-Koreaanse Kim Il-Sung, geschilderd op een rijstkorrel.
Verkleiningen hebben heel wat vóór: ze zijn geruststellend klein, ‘klein’ roept bijvoorbaat sympathie op, klein is kwetsbaar en komt voor bescherming aan aanmerking. Klein is handzaam. Klein moet slim zijn. Aan het kleinste insect, dacht Jan Swammerdam, kun je zien dat god er in huist. Dat dacht Blaise Pascal ook. De mens die denkt in het licht van de oneindigheid nog heel wat te zijn, moet maar eens onderzoek doen naar de kleinste dingen die hij kent: zoals de mijt. Dan weet hij weer hoe de verhoudingen liggen. Dit is niet meteen wat je meekrijgt van Op onware grootte, al komt het citaat daar wel uit. Het is een verzameling degelijke curiositeit die vooral door de animerende manier van schrijven door Matsier tot leven komt.
Op onware grootte door Nicolaas Matsier is uitgegeven door De Harmonie.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.