Vierhonderd jaar geleden, rond het jaar 1619, woedde in wat toen Nederland was een papieren godsdienstoorlog tussen twee groepen. Die werden afwisselend de rekkelijken en de preciezen, de arminianen en de gomaristen, de remonstranten en de contraremonstranten, de strakke calvinisten en de verlichte protestanten genoemd. De pamflettenregen liep uit op de onthoofding van de rekkelijke Johan van Oldenbarnevelt. Hij was de landsadvocaat van Holland en de hoogste ambtenaar van de zeven gewesten waaruit de Republiek bestond. Hij stond tegenover de precieze en calvinistische stadhouder prins Maurits.
De onthoofding van Oldenbarnevelt betekende de overwinning van het calvinisme, nog eens bevestigd door de Synode van Dordrecht die in dezelfde tijd, tegen de zin van Oldenbarnevelt, werd gehouden. Dat was het sluitstuk van de godsdienstoorlog. Daar ligt de bron van het calvinisme waarvan men zegt dat het altijd aan Nederland zal blijven kleven. De overwinning van de calvinisten onder leiding van prins Maurits zou uitlopen op een nederlaag omdat de verdraagzaamheid uiteindelijk toch aan het langste eind ging trekken. Vandaar dat historicus A. Th. van Deursen zijn biografie over Maurits de ondertitel ‘De overwinnaar die faalde’ meegaf.
Uiterste misère en een verderfelijk bloedbad
De felheid van de papieren burgeroorlog laat zich aflezen aan een pamflet met een prominente plaats in De advocaat van Holland, de historische roman die Nicolaas Matsier over Oldenbarnevelt heeft geschreven. In de veertig dichtbedrukte pagina’s van het pamflet De Gulden Legende van den Nieuwen St. Jan wordt op een nietsontziende manier de doopceel van de dan tweeënzeventig jarige Johan van Oldenbarnevelt en zijn familie gelicht. Alles wat hij sinds 1586 als advocaat van Holland heeft gedaan wordt in een kwaad daglicht gesteld. Alles zou gedaan zijn om zichzelf en zijn familie te bevoordelen. Zijn vrouw, zijn kinderen, zijn kleinkinderen, zijn schoonzoons, allemaal worden ze door het slijk gehaald. Uiteindelijk zou het zijn bedoeling zijn geweest om Nederland weer aan de vijand, de Spaanse koning, uit te leveren. ‘Hij heeft getracht het land in de uiterste misère te storten en een verderfelijk bloedbad aan te richten.’
‘Uiteindelijk zou het zijn bedoeling zijn geweest om Nederland weer aan de vijand, de Spaanse koning, uit te leveren.’
Wanneer Oldenbarnevelt in november 1618 wordt gearresteerd en in het Binnenhof wordt opgesloten (om de hoek van zijn huis aan de Kneuterdijk), krijgt hij dit net verschenen pamflet in handen. Het was tussen een stapel lakens naar binnen gesmokkeld. Oldenbarnevelt vraagt zich af wie zo graag wilde dat hij dit gedrocht in gevangenschap onder ogen zou krijgen, niet in staat om zich te verweren. Matsier gebruikt het pamflet om de ontreddering te beschrijven van de man die zich doorgaans goed in de hand had. Dit was onder de gordel. Het sloeg een wond.
De Advocaat
Ook al noemt Matsier hem steeds afstandelijk ‘de Advocaat’, ondertussen is hij als schrijver tegelijk de woordvoerder van diens gedachten, bewustzijn en gevoelens. De toonaard van De advocaat van Holland is zowel afstandelijk als intiem. We zien hem vooral van binnen, want Oldenbarnevelt komt acht maanden niet buiten, ziet zelfs nauwelijks daglicht, zo streng wordt hij bewaakt. Hij mag zelfs niet lezen, alleen in zijn Franse psalmboek. Hij mag aanvankelijk zelfs niet schrijven, en dan later nog alleen om zijn verweer op te stellen. Vóór de verhoren in maart 1619 beginnen zit hij zich drie maanden lang in een verduisterde kamer te vervelen. ‘Hij is volop werkeloos.’ Jarenlang, meer dan dertig jaar, was hij van de vroege morgen tot de late avond in touw geweest, vergaderend van Friesland tot Zeeland, brieven schrijvend naar het ene koninklijke hoofd na het andere, dagelijks beslissingen nemend waarvan levens afhingen.
Omdat Matsier het perspectief van Oldenbarnevelt heeft gekozen krijgen we nauwelijks te horen wat er om hem heen omgaat. Hoe heeft zijn familie gereageerd op zijn gevangenneming, hoe de bevolking in Den Haag, hoe de Staten van Holland, hoe de remonstranten. Oldenbarnevelt mag geen bezoek ontvangen. Zijn familie wordt van hem weggehouden. Hij wordt vanwege zijn leeftijd bijgestaan door een van zijn knechten, Jan Francken, dat is alles.
Voor wat er zich in zijn omgeving afspeelt moeten we bij de echte historicus zijn, zoals Wilfried Uitterhoeve en zijn boek De zaak Oldenbarnevelt, waarin zijn val, het proces en zijn executie worden beschreven. Bij Uitterhoeve lezen we de teksten die over Oldenbarnevelt de ronde doen, wie wat over hem schrijft, wie hem voorzichtig verdedigen, wie tevreden zijn over zijn arrestatie. Zoals Francois van Aerssen, volgens Oldenbarnevelt de schrijver van het incriminerende pamflet en (net als Maurits) voorstander van het voortzetten van de oorlog, toen Oldenbarnevelt zich beijverde voor het Twaalfjarig Bestand met Spanje (1609-1621).
Meer dan dertig jaar was hij van de vroege morgen tot de late avond in touw, schrijvend aan het ene koninklijke hoofd na het andere, dagelijks beslissingen nemend waarvan levens afhingen.
Matsier grijpt de verhoren van Oldenbarnevelt aan om in korte economische hoofdstukken de belangrijkste gebeurtenissen in het leven van de Advocaat te beschrijven. De uiteindelijke aanklacht tegen Oldenbarnevelt draaide om vier thema’s. Hij zou het houden van een Nationale Synode, waar de calvinistische geloofsregels definitief zouden worden vastgesteld, hebben tegengewerkt. Hij zou in veel steden ‘waardgelders’ hebben aangesteld, extra soldaten die de rust moesten bewaken, maar die volgens de contraremonstranten (de calvinisten) bedoeld waren om hen in toom te houden. Hij zou op kerkscheuring aansturen. Hij zou het gezag van Maurits hebben ondermijnd. Hij zou de Habsburgers (in casu de katholieke koning van Spanje) hebben begunstigd, wat neer zou komen op landverraad.
Oldenbarnevelt vond dat kerk en staat gescheiden moesten zijn en dat de staat het laatste woord had. Voor de calvinisten waren kerk en staat één. Oldenbarnevelt had ook niets op met de voorbeschikking, de predestinatie die zei dat God bepaalde wie uitverkoren was en wie niet. Religie dreigde het hele leven te gaan omvatten. Als het om religie in de Republiek ging bemoeide zelfs koning Jacobus I van Engeland zich ermee. Holland zou volgens hem ‘een broeinest van ketters’ aan het worden zijn.
Toen Conradus Vorstius in 1611 als opvolger van Arminius in Leiden werd benoemd protesteerde Jacobus heftig want Vorstius zou onbetrouwbaar zijn. Hij liet zijn boeken in Londen, Cambridge en Oxford verbranden. Er zouden negenennegentig ketterijen zijn aangetroffen in zijn geschrift De Deo. Maar Oldenbarnevelt en de Staten Generaal die Vorstius hadden benoemd stonden in voor zijn goede trouw.
Volgens zijn rechters had het ook kwaad bloed gezet dat Oldenbarnevelt erop aanstuurde dat vier kerkenraadsleden die de Kloosterkerk (naast zijn woonhuis) hadden gekraakt veroordeeld zouden worden, het liefst snel tot onthoofding. Dat was een affront want dat kraken zou met toestemming van Maurits zijn gebeurd.
Religieuze haarkloverij
Dat Nicolaas Matsier telkens een ruime witregel tussen zijn alinea’s zet is tekenend voor kalme urgentie waarmee De advocaat van Holland is geschreven. Ook al bevindt Oldenbarnevelt zich in isolement in zijn kamer en in zijn hoofd, Matsier ontsluit per alinea zijn leven. In die kamer komt alles samen. Niet dat Oldenbarnevelt érg dichtbij komt, maar daarvoor was hij dan ook een weinig warme persoonlijkheid. Matsier laat hem wel op goede voet staan met zijn knecht Francken.
Oldenbarnevelt was vooral wat hij kon. Hij was als ‘superieur bestuurder’ efficiënt, snel, had inzicht, doorzicht en overzicht. Hij had ‘een fenomenaal geheugen’. Hij was wel ‘schraapzuchtig’ en bezat vier landgoederen, ‘heerlijkheden’ en kastelen. Matsier doet niet veel moeite om uitsluitsel te geven over de vraag of Oldenbarnevelt al dan niet terecht is veroordeeld tot de doodstraf. Voor hem is Oldenbarnevelt vooral iemand die politiek en persoonlijk botst met Maurits. Ook al behoort hij tot de ‘vredespartij’, hij raakt verstrikt in intriges, jaloezie, religieuze scherpslijperij en haat. Maar hij weet zich in hoge mate staande te houden. Hij weigert om gratie te vragen.
‘Hij bedacht niet dat met opgroeiende leeuwtjes wel kan worden gespeeld zolang ze jong zijn, maar niet als zij volwassen geworden zijn.’
Uitterhoeve doet veel moeite uitsluitsel te geven over wat er zich tussen Oldenbarnevelt en Maurits heeft afgespeeld. Het was Oldenbarnevelt die Maurits op zijn achttiende jaar de ruimte gaf om de opvolger van zijn vermoorde vader Willem van Oranje te worden. Toen had hij hem aan de leiband. Maar, schrijft Uitterhoeve niet onaardig, ‘hij bedacht niet dat met opgroeiende leeuwtjes wel kan worden gespeeld zolang ze jong zijn, maar niet als zij volwassen geworden zijn. De Prins ging dat gaandeweg tegen de borst stuiten.’
Uitterhoeve meent dat er uiteindelijk niet voldoende grond was om Oldenbarnevelt ter dood te veroordelen. Er was zelfs niet voldoende grond om een strafproces te beginnen. Het was Maurits die zich steeds breder had gemaakt. Ook al was hij dan niet op de absolute soevereiniteit uit geweest, hij ging wel die richting uit door de positie van de Generaliteit, de Staten-Generaal, de Stadhouder en de Opperbevelhebber te versterken. Zijn eigen positie dus. In navolging van andere historici noemt hij Maurits uiteindelijk ‘ondoorgrondelijk’.
Er zijn zoveel kanten aan Oldenbarnevelt dat Matsier zijn ziel maar laat opstijgen in een prachtig sereen slot. Hij laat hem uitkijken over zijn land en over zijn eigen landerijen, in het besef dat hij vooral zijn land gediend heeft door zo min mogelijk te doen aan religieuze haarkloverijen en zo veel mogelijk aan ‘tolerantie’. Daar staat Oldenbarnevelt voor: als advocaat van het meer verlichte Holland.
De advocaat van Holland door Nicolaas Matsier is uitgegeven door uitgeverij De Bezige Bij. Gebonden, 416 pagina’s. €24,99.
De zaak Oldenbarnevelt door Wilfried Uitterhoeve is uitgegeven door uitgeverij Vantilt. Paperback, 224 pagina’s. €23,50.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.