In de gelukzalige toestand die we kennen als ‘nirwana’ is de ziel weggezonken in het niets van de oneindigheid, of opgegaan in de kosmische oppergeest. Het vuur van de hartstochten is geheel gedoofd en een toestand van volkomen rust is aangebroken. Over nirwana hebben we het altijd ‘bij wijze van spreken’ want die toestand wordt zelden of nooit bereikt door een eenvoudige westerse ziel. Zoals ze het in India over nirwana hebben, zo makkelijk hebben wij het over ‘hemels’ als iets dat zich normaal buiten ons bereik bevindt.
In de roman van Tommy Wieringa komt ‘nirwana’ niet zo vaak ter sprake, het blijft bij de hoofdpersoon, de tamelijk beroemde schilder Hugo Adema, lang bij mediteren. Hij slaagt er niet altijd in om zich te bevrijden van zijn gedachten, herinneringen en gevoelens, een voorwaarde voor het bereiken van nirwana. Het leven van Hugo Adema is te hectisch en verwarrend, zeker nu zijn vrouw Loïs hem van de ene dag op de andere heeft verlaten, zonder dat hij precies weet waarom. Op zijn meditatiekussen zittend ‘keerde de verloren tijd in al zijn zintuiglijke volheid bij hem terug – Loïs, het huis, de vrede die hij vond in de liefde’.
Het verdwijnen van de vrede die hij vond in de liefde is een lelijke terugval in zijn bestaan. Dat gaat samen met beroerde ontdekkingen die hij doet over zijn familie. Als kleinzoon van de steenrijke, honderdjarige Willem Adema, groot geworden in het bouwen van offshore machinerie voor olieboringen, is hij het zwarte schaap van de familie geworden. Anders dan zijn broer Willem was hij niet geïnteresseerd in het bedrijf. Bovendien is hij één van een tweeling, waarvan de ander, Willem, wél de ambitie heeft zijn grootvader op te volgen. Willem en Hugo hebben een groot deel van hun jeugd vechtend en elkaar tot moes slaand doorgebracht. Door zijn kille moeder is Hugo uiteindelijk in de kost gedaan bij zijn grootouders op hun landgoed in Wassenaar. De familie Adema is geen onbekende in Rotterdam en omstreken, vandaar dat men weet dat de oude Willem Adema in de oorlog zo fout was als een mispel, meedogenloos lid van de SS, in een hoge rang dienend aan het front en een hysterische jodenhaat verspreidend in geschriften. Na de oorlog veroordeeld, maar de plaat gepoetst naar Venezuela. In de jaren zestig zonder probleem teruggekeerd. In recensies van Hugo’s tentoonstellingen werd dit alles graag gememoreerd.
andermans leed inademen
Nirwana is een roman over contrasten, over botsende mentaliteiten en levensinstellingen, met subtiele en krassende hand aangebracht. De ambitie en de ‘winnaarsethiek’ van zijn grootvader en broer Willem leeft bij Hugo in heel andere, artistieke zin: hij spiegelt zich aan de Japanner Hokusai. Die zei dat in zijn werk pas op zijn honderdtiende jaar ‘elke punt en elke lijn het leven zelf zal bezitten’. Toen Hugo dat las ging er ‘een confettibom’ af in zijn hoofd. ‘Honderd jaar was nog te weinig voor wat hij allemaal wilde.’
Dit is het soort vuur dat in Hugo brandt en dat Wieringa onnadrukkelijk laat contrasteren met het ‘verwoestende oorlogsvuur’ dat in het innerlijk van zijn grootvader woedde en dat nu in civiele zin te keer gaat in de rechtse en kapitalistische ambities van Hugo’s broer. Die wil het grootste schip van de wereld bouwen. Wat zijn schepen boven halen is een ander vuur: olie om vuur mee te maken. Alles is terug te brengen tot vuur. Net als in Willem senior ‘zingt het veroveraarsbloed’ in junior. Ook hij heeft meer met fabrieken dan met mensen. Dat die olie meehelpt de wereld om zeep te helpen zal hem een zorg zijn.
Alles wat Hugo onderneemt is het tegenovergestelde van wat hij weet over de misdaden en overtuigingen van zijn grootvader. Het is alsof hij dat aan het goedmaken is.
In het weefsel van mentaliteiten, karakters, politieke overtuigingen en familieverhoudingen dat Wieringa met bedrieglijk gemak spint staat de veroveraarsmentaliteit tegenover de lankmoedige instelling die al het menselijke, tot en met de twijfel, zo veel mogelijk tot zijn recht wil laten komen. Zoals in de figuur van Beth. De drie jaar dat Hugo als puber bij zijn grootouders woont worden verzacht door de aanwezigheid van de huishoudster Beth. In haar keuken is hij altijd te vinden. Daar wordt hij op schoot genomen en over zijn bol geaaid. Zij wordt zijn echte moeder. Hij bewondert haar gezond verstand, begrip en generositeit. Ze wordt ontslagen wanneer ze niet langer de nationaalsocialiste Florrie Rost van Tonningen wil bedienen, die komt als ‘malle tante’ en vriendin van de familie geregeld op bezoek.
Wanneer Hugo Beth na dertig jaar weer terugziet blijkt ze zichzelf te hebben verwaarloosd en woont ergens in Drenthe in een armoedig vakantiehuisje. Ze omhelst hem als een verloren zoon. Ze is ziek en slecht ter been, maar haar geest werkt nog prima dankzij het lezen van Montaigne, Gracián en Marcus Aurelius. Bij haar dood laat ze iets voor Hugo na: de dagboeken van zijn grootvader over de jaren 1937-1943. Hoe ze eraan gekomen is weet hij niet. De lectuur ervan is een aanslag op zijn incasseringsvermogen, aan zo veel moord, doodslag, jodenhaat en verheerlijking van het ‘noordras’ blijkt zijn grootvader meegedaan te hebben. Hij vreesde de ‘Kulturtod’ van het Westen. Zijn grootvader ‘had nooit andermans leed ingeademd’.
hartstocht
Wieringa laat in Nirwana de schrijver Tommy Wieringa optreden. Hugo en Tommy ontmoeten elkaar toevallig voor de deur van het gebouw van Oorlogsdocumentatie in Amsterdam. De schrijver Wieringa doet onderzoek naar de grootvader van Hugo voor een te schrijven roman. Dat is een geestige, maar ook een verwarrende aardigheid in de roman. Het tast de ernst van deze fase in Hugo’s leven aan. Je kunt het aan Wieringa overlaten om van de tijdelijke vriendschap tussen Hugo en Tommy iets moois te maken. Wieringa wordt een ‘vuile schooier’ genoemd omdat hij inmiddels misschien wel meer over Hugo’s grootvader weet dan Hugo, al weet hij niets van de dagboeken. Het is misschien ook iets te toevallig dat Wieringa in zijn jeugd ook onder de hoede van Beth is geraakt toen het de verkeerde kant met hem op dreigde te gaan. Samen staan ze Beth in haar laatste dagen bij met de generositeit die ze van haar hebben geleerd.
Alles wat Hugo onderneemt is het tegenovergestelde van wat hij weet over de misdaden en overtuigingen van zijn grootvader. Het is alsof hij dat aan het goedmaken is. In ieder geval wordt hij door de dagboeken aangespoord weer te gaan schilderen. Zijn eigen vader is de slapjanus van de familie. Die heeft voor Hugo achtergehouden dat zijn grootvader niet met één kind, maar met twee kinderen uit Venezuela is gekomen. Dat tweede kind, Geertje, is een zwakbegaafd meisje. Ze is meteen in een inrichting geplaatst. Wanneer Hugo hier zoveel jaren later van hoort gaat hij haar, inmiddels zo’n zestig jaar, meteen opzoeken. Erg aanspreekbaar is ze niet, maar voorlezen, tekenen, met haar wandelen, daarvan leeft ze op. Ze was aan haar lot overgelaten, al schijnt de grootvader haar de eerste jaren wel te hebben bezocht. Drie keer in de week gaat Hugo naar haar toe.
Wat wil de roman Nirwana? Misschien wel de zegeningen van het nirwana, het uitdoven van de hartstocht, overbrengen.
Je zou kunnen denken dat de zielige en aandoenlijke figuur van Geertje een geval ‘van dik hout zaagt men planken’ is, in het licht van de daden van de grootvader en zijn familie. Maar Wieringa weet haar heel soepel en overtuigend in het leven en de zachte krachten van Hugo te integreren. Dat integreren gaat ook goed als Hugo zich op zijn veertigste terugtrekt uit de stad en in het koetshuis van het grootouderlijk landgoed gaat wonen. Daar maakt hij van zijn hart geen moordkuil: hij laat er zijn kritiek op de wereld, de steden, de politiek en de mensen de vrije loop. In deze omgeving van duinen, zee, bos en vogels kiest hij er voor zich terug te trekken met het zenboeddhisme en zijn sensitiviteit. ‘Hij had een steeds grote voorkeur voor het vlietende leven. Liever vloeiende dan onomstotelijke dingen. Ukiyo-e.’
Hugo Adema houdt van de ‘vrolijke luciditeit’ van Shunryu Suzuki en van de ‘trouw aan de aarde’ van Zarathustra. Daar wordt hij aan het slot van de roman ontrouw aan als blijkt dat hij zich zo erg terugtrekt in het bos van het landgoed dat het uitloopt op een vorm van versterving. Hoe helder beschreven ook, het gaat over iets dat moeilijk te volgen is voor wie niet ingevoerd is deze mystieke wereld.
Wat wil de roman Nirwana? Misschien wel de zegeningen van het nirwana, het uitdoven van de hartstocht, overbrengen. Dat is tegelijk te veel en te weinig. Te veel omdat je leven helemaal naar het verwerven van nirwana gaat staan, en dat kan niet als je wilt leven. Te weinig omdat het afdoet aan de lichtheid en luciditeit waarmee Wieringa de gruwelijkheden en aandoenlijkheden beschrijft en daardoor niet in het nirwana en het versterven laat verdwijnen. En jammer voor het doven van de hartstocht.
Nirwana door Tommy Wieringa is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.