Jeroen Vullings en VN-eindredacteur Marleen Slob namen weer een nieuwe Republiek der Letteren-podcast op, waarin het wel en wee van de literaire wereld de revue passeert. Over de Nobelprijzen, (nog meer) P.F. Thomése, de Tweede Wereldoorlog en de (vele) leestips van Jeroen.
Op het titelblad van Vaderliefde, het nieuwe boek van P.F. Thomése, ontbreekt een genreaanduiding. Geen ‘roman’, zoals je bij deze romancier had kunnen verwachten. En evenmin een ‘biografie’, terwijl het onderwerp – het leven van ’s schrijvers vader Frits Thomése (1921-1929) – wordt benadrukt door de titel Vaderliefde.
De flaptekst – vaak van de hand van de schrijver zelf – verbreedt dit onderwerp naar ‘de “gemiste levens” van Thoméses ouders en voorouders’, tezamen goed voor ‘de mythologie van een jeugd’, tevens ‘een familieroman’. Zo hybride dus als je van de schone letteren kunt verwachten, het voorrecht van de schrijver tenslotte die naar hartelust geestkracht tegenover de dorre feiten mag inzetten – anders dan de aan banden gelegde biograaf.
Toch stelt Thomése zich als biograaf op bij dit bij uitstek biografische onderwerp – het tot leven brengen van de levens van zijn vader en zijn moeder Betty Lykles (1926-2018). Wel een biograaf zoals ze heden ten dage niet meer voorkomen. Zo lijken de verworvenheden in biografenland van pakweg de laatste vier decennia geheel aan hem voorbij te zijn gegaan.
Schier eindeloos wijdt hij uit over illustere voorvaderen, waardoor deze lezer een bange herinnering bekroop: die aan C.J. Kelks Leven van Slauerhoff (1959), waarin de grootouders van deze gedoemde dichter als Waddeneilandbewoners direct in verband werden gebracht met brandschattende Vikingen – bij wijze van bloedlijn, zogezegd.
Ook in de historiën over de voorzaten van de schrijver P. F. Thomése (1958) tiert de stoutmoedige romantische verbeelding welig. Zo is er in het Thomésegeslacht een voorvader die ‘de generaal’ werd genoemd, nog verder terug diende een ander onder Napoleon, er is sprake van aristocratie, van een Franse afkomst. In zoverre volvoert Thomése de natte droom van de genealoog, die opveert wanneer hij na eindeloos ploegen langs generaties brave boeren, middenstanders en vervuilde horigen een echte jonkheer ontmoet.
Onze particuliere mythologie
Maar schijn bedriegt in Vaderliefde, gelukkig. Op ragfijne wijze ziet Thomése kans dit particulier blijvende verhaal over zijn voorouders in tweede instantie algemene geldigheid te verlenen. Via gedegen biografisch onderzoek prikt hij door ‘onze particuliere mythologie’ heen.
Gedaan is het via de ontluisterende feiten met dat waar Thoméses vader prat op ging: de ‘apocriefe aristocratie’, de ‘imaginaire voorgeschiedenis’, ‘compleet met het très Franse accent aigu’. Allemaal later verzonnen. Meesterlijk is de passage waarin hij stilstaat bij de verwekkingsgeschiedenis van voorvader Cornelis Thomése (1821-1888) – door hem ‘de bastaard’ genoemd. De mare (tijdens autoritjes van het gezin Thomése) was dat die voorvader bij een dienstbode verwekt zou zijn door de toenmalige Graaf van Brederode.
Lastig bij deze theorette is alleen dat de graaf destijds allang overleden bleek, ontdekt de schrijver tijdens zijn naspeuringen. Eerder kan het zo zijn geweest dat die anonieme verwekker zich bevond in het huis waarin zo’n minderjarige dienstbode geplaatst werd – of erger: Thomése verdiept zich met afgrondelijke nieuwsgierigheid ook in het toenmalig hoerenwezen. Arm meisje. Gelukkig was ze zo blij met haar kind dat ze het niet afstond.
Ieder vodje telt
Aldus roept Thomése, in wijder verband, herkenning op bij lezers die ook zo hun twijfels hebben bij de overgeleverde voorgeschiedenis van de eigen familie. Maar belangrijker is dat hij door dit debunken juist in hoogste instantie een scherp beeld biedt van zijn vader. Als de man die zulke historische verbeelding nodig had, vanwege een gemis in zijn leven. Al snel komt de schrijver tot de slotsom: ‘Dergelijke verhalen van mijn vader rekende ik vanzelf min of meer tot de fictie.’ En: ‘Voor de naakte feiten moest je niet bij mijn vader zijn, hij was meer van het aangeklede verhaal.’
De vader van Thomése was van het bewaren – van documenten, van paperassen, van boeken. De (aanmerkelijk antipathieker geschetste) moeder daarentegen geloofde in het vergeten, emoties wegdrukken, zich niet laten zien. Ook de nalatenschap van haar veel eerder overleden echtgenoot viel daaraan ten prooi. Een barre situatie voor hun zoon, die daarmee weinig in handen kreeg om hun levensverhalen te reconstrueren. Toch doet hij dat, onbarmhartig. Met alles wat hem van pas komt, uit welke discipline dan ook, als een voorbeeldige (moderne) biograaf. Elk vodje telt, elk snippertje, en als er geen verhalen zijn, zijn er historische verhalen over de plaatsen waar de voorzaten vertoefden.
Gebrek aan talent
Tragisch genoeg krijgt hij juist weinig in handen bij de verhalen die de meeste weerklank zullen hebben gehad in zijn vaders latere leven: over diens verzetswerk en verblijf in een berucht Duits arbeidsdienstkamp. Uit wat Thomése daarover boven water krijgt, ontstaat de indruk dat die periode van beslissende invloed is geweest op zijn vader.
Vandaar dus zijn diepe afdalen in het verleden van zijn familie, daar moet de sleutel liggen tot nader begrip van zijn vader.
Waarom zweeg hij daarover? De vader die – ware het niet dat hij een zoon verwekte die naam heeft gemaakt als schrijver – zelf geen biografie verdient: door gebrek aan uitzonderlijkheid. Hij maakte zijn studie rechten niet af, vroeg geen aandacht voor zijn gedichten, waagde de sprong naar de journalistiek niet, bleef werkzaam als kantoorbediende en stierf jong – ‘gebrek aan talent’ zou Harry Mulisch dat laatste noemen. Bovendien waren de echte gesprekken tussen vader en zoon nog niet gevoerd; de adolescente zoon had daar in die narcistische Sturm und Drang-levensfase geen enkele behoefte aan. Nu wel, als zestiger. Hij vraagt zich af wat de betekenis is van die verhalen over het verleden die zijn vader aan hem kwijt wilde.
Vandaar dus zijn diepe afdalen in het verleden van zijn familie, daar moet de sleutel liggen tot nader begrip van zijn vader. Meer en meer reflecteert Thomése over dit graafwerk: ‘Meer dan uit wat hij vertelt bestaat iemand uit wat hij niet vertelt. Als een archeoloog verzamel ik de bewijzen van dit niet-vertelde leven. De melancholicus in mij beseft de nietigheid en de vergeefsheid. Al die schriftjes, die kwitanties, die bewijsstukken, wat moet ik ermee? Alles voorbij, alles voor niets geweest. Het futiele schreeuwt mij oorverdovend toe met zijn zinloze zorgvuldigheid, zijn zorgvuldige zinloosheid. Maar de verteller, die het hier voor het zeggen heeft, weet het beter en hoopt in elke zandkorrel een wereld weerspiegeld te zien.’
De romancier in Thomése neemt vaak de overhand, bijvoorbeeld bij het mooier maken van de opgedolven werkelijkheid: ‘Ik vul hier mijn ouders’ geluk in maar besef dat het de inkleuring is van een plaatje dat in feite grijs is.’ Niet zonder dramatisch effect laat hij de idylle van de jonggehuwden eindigen bij de geboorte van hun eerste kind. Zo legitimeert hij zijn keuze om te verzinnen: ‘De niet-vertelde verhalen, de half-vertelde verhalen, de onbewust of bewust verzonnen verhalen, ik zal erin moeten blijven ronddolen, radend, vermoedend en nooit iets zeker wetend.’
Na lezing beseft de lezer dat hij met Vaderliefde een hardnekkige roman in handen had, geen biografie.
Geen nostalgie, maar noodzaak
In principe hoefde Thomése niks te verzinnen; er zijn genoeg zijpaden af te struinen, zoals hij doet met bijvoorbeeld een verhaal over een ‘Amerikaans’ familielid dat in de Nieuwe Wereld succesvol zijn geluk beproefde. Maar op een andere manier is de geestkracht van de romancier toch iets dat ik elke biograaf gun. Niet tegenover de feiten, maar door de verbeeldingskracht los te laten op de witte plekken in het te biograferen leven.
Waarom verhaalde Thoméses vader zoveel over het verleden, wil de schrijver (en inmiddels ook de lezer) weten. Thoméses verklaring: ‘Zijn conservering van het verleden was voor hem geen nostalgie, maar noodzaak. Hij keerde naar zijn voortijd terug zoals een verdwaalde wandelaar terugkeert naar een open plek in het bos. Er moest vandaaruit een andere weg te vinden zijn, naar een andere toekomst.’ In de Tweede Wereldoorlog was Frits Thomése zijn ‘fantastische vooruitzichten’ kwijtgeraakt. En dus keerde hij levenslang steeds terug naar het moment dat hij ze nog had door te verhalen over een verdwenen wereld.
Is er een betere leerschool voor een schrijver, die daar op ontvankelijke leeftijd aan is blootgesteld? In P.F. Thoméses geval niet, zoals hij zonder loze ijdelheid laat uitkomen. Hij is de zoon die zijn vaders dromen waarmaakte, spreekt uit Vaderliefde. Dat daarmee ook een aangenaam indirect zelfportret is.
Op nummer 1 in de Vrij Nederland Top-1 is deze maand geëindigd: P.F. Thomése,Vaderliefde, Prometheus, 256 p., € 19,99
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.