Alva, de hertog die door Filips II van Spanje in 1567 naar de Nederlanden was gestuurd om orde op zaken te stellen, was een onbuigzaam en wreed man. In het jaar ervoor was het tijdens de Beeldenstorm ongekend gewelddadig toegegaan in de katholieke kerken. Alva stelde meteen de Raad van Beroerten in, beter bekend als de Bloedraad. Daarmee nam hij wraak. De calvinistisch georiënteerde opstandelingen hadden een grote hekel aan Filips’ tirannieke katholieke politiek, dus trok Alva een spoor aan wreedheden door het land om hun ketterij uit te roeien.  Vooraanstaande edelen probeerden zijn geloofsvervolging te temperen. Het hele land dreigde er door ontwricht te raken. Die edelen waren niet zo fanatiek anti Luther of Calvijn. Maar zoveel tolerantie duldde Alva niet.

Willem van Oranje (1533-1784) behoorde met edelen als Lamoraal van Egmont en Filips van Horne tot de gematigden waar Alva jacht op maakte. Van Egmont en Van Horne wisten niet aan hem en de Bloedraad te ontkomen. Ze werden in het openbaar onthoofd, net als door de jaren heen 1100 andere opstandelingen. Willem van Oranje ontkwam op het nippertje aan arrestatie. Hij was op tijd naar zijn familiekasteel Dillenburg in Duitsland vertrokken. Hij was niet ter dood veroordeeld, maar vogelvrij verklaard. Er stond een groot bedrag op zijn hoofd. Al zijn bezittingen aan landerijen, huizen, kastelen (Breda), roerend goed, huisraad en juwelen werden geconfisqueerd.

‘Vogelvrij’ betekende dat Oranje vanaf het moment dat hij Dillenburg verliet vermoord kon worden. Maar Oranje kon niet stil toekijken hoe zijn bezittingen verbeurd werden verklaard en de Nederlanden onder het katholieke juk moesten zuchten. Dat Oranje aan deze dubbele toestand iets wilde doen heeft nu, bijna vijfhonderd jaar later, Het reisboek van Willem van Oranje opgeleverd waarin René van Stipriaan aan de hand van Oranjes duizenden brieven en documenten de verplaatsingen van hem en zijn entourage is nagegaan. Dat heeft geresulteerd in een aantal veelzeggende kaarten waarop Van Stipriaan heeft aangegeven hoe Oranje van plaats naar plaats ging (Breda, Delft, Antwerpen, Brussel), van slagveld naar veldtocht, van belegering naar tijdelijke behuizing met een gezin op drift. Er is ook een kaart waarop al het onroerend bezit van Oranje is aangegeven, tientallen rode stipjes verspreid over de Nederlanden, Vlaanderen en Duitsland. Oranje, zegt Van Stipriaan met enige generaliserende durf, leidde een leven als een nomade.

Willem de Zwijger te paard. Een ets van Emanuel van Meteren (1535-1612).
Willem de Zwijger te paard. Een ets van Emanuel van Meteren (1535-1612).
geen meel

Een vogelvrije Oranje, dat is in het voorjaar van 1568 het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Op Dillenburg zat Oranje niet stil. Met zijn vier broers broedde hij op een plan om Alva te weerstaan. Er moest een leger komen, het ging om geld voor uitrusting, paarden, voedsel en soldij. Dat moest overal en nergens vandaan komen. Zelf had Oranje niet veel meer. Dit is ook het begin van Oranjes dubbele missie in het leven: zijn bezittingen en reputatie terugwinnen en veilig stellen, en Alva en zijn opvolgers verjagen. Het ging om de bevrijding van de Nederlanden, van Groningen tot Brussel, van Zeeland tot de Achterhoek.

Zelfs de molenstenen liet Willem de Zwijger weghalen, zodat er geen meel voor het brood gemaakt kon worden.

Het eerste succes van het inderhaast vanuit Dillenburg opgezette leger was de Slag bij Heiligerlee, in de buurt van Groningen. Het Spaanse leger werd daar wel niet compleet in de pan gehakt, maar van ernstige verliezen kon je wel spreken. Dat was bemoedigend, behalve dat het leger van Oranjes broer Lodewijk een maand later toch nog door Alva bij Jemmingen werd verslagen. ‘Zes- of zevenduizend geuzen werden koelbloedig afgemaakt’ door Alva’s mannen. Zelf kon Lodewijk ternauwernood ontkomen.

Deze afwisseling van succes en falen zou het vaste patroon worden van Oranjes pogingen om de invloed van de Spaanse furie te weerstaan. Het waren, met de kennis van nu, absurdistische veldtochten, door weer en wind, met zware bepakkingen, met een stoet aan paarden, karren, koetsen en wagens om al het noodzakelijke te nemen. Meestal ging het gezin Oranje ook mee, met hemelbedden en al. Ondertussen wisten de spionnen van Alva ruim van tevoren waar Oranje met zijn leger en entourage zou neerstrijken. Hij liet in die steden of dorpen al het voedsel opkopen, of eigende het zich eenvoudig toe, zodat de soldaten van Oranje niets te eten hadden. Zelfs de molenstenen liet hij weghalen zodat er geen meel voor het brood gemaakt kon worden.

het geweten van onderdanen

De legers van zowel Alva als Oranje bestonden voornamelijk uit huurlingen. Die moesten betaald worden. Oranje was chronisch failliet. Maar hij niet alleen. Alva ook. Van Stipriaan heeft de nodige illustraties opgenomen waarop de verschillende belegeringen van steden is te zien. Groningen, Haarlem, Amsterdam, Leiden, Breda, Gent, Antwerpen, Mechelen moesten meer of minder ontzet worden, soms na maanden. Ook als een stad de Spanjaarden zonder slag of stoot binnen liet, begonnen de soldaten uit frustratie vaak toch te plunderen en zich meester te maken van kostbaarheden.

Hoe nomadisch ook, en hoezeer generaal en strateeg ook, tussen alles door was Oranje ook nog iemand die onder de protestantse opstandelingen een zeker bestuurlijk gezag moest verwerven. Hele gewesten waren vanwege zijn inzet solidair met hem. Na een gelukkig verlopen veldtocht kon hij in steden met alle praal onthaald worden, met muziek, zang, dans, toneel en toespraken. Antwerpen ontving hem als ‘de beschermengel’. Men kreeg respect en bewondering voor zijn vasthoudendheid.

Als aanvulling op zijn biografie laat Van Stipriaan met het Reisboek zien dat Oranje met deze reizen en slagvelden niet alleen zijn eigen belang (het terugkrijgen van zijn bezittingen) voor ogen had, maar dat het wel degelijk vanaf het begin om een altruïstisch en liberaal doel ging: dat de bevolking ‘weer volledig kon beschikken over zijn oude vrijheden, handel, welvaart en rechtvaardigheid.’. Oranje hield zijn eigen belang, status en invloed wel in de gaten, maar toch ook weer niet zo consequent, zie het aantal keren dat hij failliet ging. Het ging Oranje wel degelijk om het veiligstellen van wat wij nu liberale waarden noemen. Al in 1564 hield hij een pleidooi bij de Raad van State waarin hij zijn afkeer uitsprak van vorsten (zoals Filips II) die wilden ‘heersen over het geweten van hun onderdanen’.

van triomf naar mislukking

Hoe zwijgzaam was deze reizende Willem de Zwijger? Kon een legeraanvoerder, adviseur, bestuurder, nemer van talloze dagelijkse beslissingen zo zwijgzaam als zijn bijnaam zijn? Volgens de historicus Fruin was hij niet zwijgzaam, maar op zijn hoede en bondig. Volgens Alva moest men zich ‘hoeden voor een zwijgende Oranje’. Van Stipriaan wijst erop dat het ‘staatsbedrijf’ in de zestiende eeuw werd beheerst door het verhullen van de eigen gedachten en bedoelingen. Het hart op de tong bestond niet. ‘Dissimulatio’, verhullen, was een kernbegrip, men moest op zijn hoede zijn voor de dubbele agenda van wie men tegenover zich had. Men keek eerst de kat uit de boom, hield zich voor de domme. Loog er op los. Er was volgens Van Stipriaan sprake van ‘een verneveling van normen en waarheid’.

De overtuiging dat de Nederlanden hun liberale vrijheden terug moesten krijgen verliet Oranje tot zijn dood niet.

Hoezeer Oranje hier ook aan mee deed, feit is dat hij verschillende stukken heeft geschreven waarin hij zich tamelijk onbekommerd liet kennen. Te beginnen zijn ‘Verantwoording’ om te verklaren waarom hij in 1568 niet kwam opdagen bij de Raad van Beroerten. Er is ook een mooie brief aan de inwoners van Amsterdam die wel erg lang Spaansgezind waren gebleven. En natuurlijk zijn Apologie (1580), waarmee hij zich keerde tegen het vorstenabsolutisme van Filips II en voedsel gaf aan het ontstaan van het Plakkaat van Verlatinghe (1581), waarin de Spaanse koning werd aangezegd dat de Nederlanden voortaan op zichzelf gingen staan.

Hoe ongedurig het door Van Stipriaan beschreven nomadebestaan van Oranje ook was, de overtuiging dat de Nederlanden hun liberale vrijheden terug moesten krijgen verliet hem tot zijn dood niet. Hij was daarin nogal standvastig, precies zoals de dichter Jan van Hout hem ‘gloedvol’ had neergezet. En ook overeenkomstig zijn lijfspreuk Je maintiendrai, ‘ik zal handhaven’. Toch bestond Oranje niet uit één stuk. Hij kon makkelijk een dubbelrol spelen, tactisch twee gezichten tonen. In oorlogstoestand kon hij laten plunderen, afpersen en brandstichten, maar alleen als het niet anders kon, liever niet. Oranje reisde van triomf naar mislukking, en omgekeerd. De genuanceerdheid waarmee Van Stipriaan hem beschrijft komt heel dichtbij de sublieme manier waarop Jacques Presser hem typeerde in zijn De tachtigjarige oorlog: ‘Willem van Oranje is een van de weinige historische figuren, wier geliefdheid de triomf van de onvolkomenheid is, de onvolkomenheid, die elk strijdbaar karakter van nature aankleeft, maar zich adelt, wanneer de strijd gevoerd wordt voor een hoog ideaal. Hij was een militant humanist. ’

Het reisboek van Willem van Oranje door René van Stipriaan is uitgegeven door Querido Facto.