Toen het nieuwe kabinet na een maandenlang voortslepende formatie in januari eindelijk aantrad, hoopten de nieuwe bewindslieden nog dat ze het beschadigde vertrouwen wel zouden herstellen door met frisse moed en ‘nieuw elan’ aan de slag te gaan. Honderd dagen later is daar nog niets van te bespeuren. Integendeel zelfs: volgens de laatste peiling van EenVandaag is het vertrouwen in de ministersploeg de afgelopen weken gedaald naar 23 procent, een nieuw en treurig dieptepunt. Zelfs het laatste kabinet-Balkenende deed het beter.
Extra verontrustend voor de coalitiepartijen is dat niet alleen de kiezers van de oppositiepartijen maar ook hun eigen electoraat er nauwelijks vertrouwen in heeft: bij CDA, D66 en ChristenUnie niet meer dan een derde van de kiezers.
Het kabinet ziet zich geconfronteerd met een reeks crises tegelijk: het klimaat, de woningnood, de oorlog in Oekraïne, de stijgende prijzen van energie en levensmiddelen, de groeiend welvaartskloof, de afwikkeling van de aardbevingsschade in Groningen en de toeslagenaffaire, maar juist in de aanpak van die grote problemen heeft de kiezer nauwelijks fiducie. Zo wreekt zich wat al bij de verkiezingen in maart vorig jaar duidelijk werd: dat de kiezers schoon genoeg hadden van de vorige coalitie, maar er dezelfde coalitie voor in de plaats kregen, onder leiding van dezelfde premier.
Teken aan de wand is dat alleen twee nieuwkomers in de politiek wél vertrouwen van de kiezer genieten, ondanks het feit dat ze nog weinig concreets hebben laten zien.
Zo kon het gebeuren dat hoofdpersonen in dit kabinet nog steeds achtervolgd worden door lijken uit de kast van de vorige periode: Sigrid Kaag, met haar mooie woorden over openheid en een nieuwe bestuurscultuur, moet zich verweren tegen het verwijt dat de partij onder haar leiding een rapport over grensoverschrijdend gedrag probeerde stil te houden. Haar pijnlijke optreden bij de persconferentie op donderdag – formalistisch, koel, zichtbaar geïrriteerd over lastige vragen – heeft het er niet beter op gemaakt. Hugo de Jonge wordt nog altijd dagelijks over de hekel gehaald vanwege zijn betrokkenheid bij de mondkapjesdeal met Sywert van Lienden. Mark Rutte wordt verantwoordelijk gehouden voor de hopeloze afwikkeling van de toeslagenaffaire die onder zijn leiding is ontstaan, inclusief de meer dan duizend uit huis geplaatste kinderen.
Teken aan de wand is dat alleen twee nieuwkomers in de politiek wél vertrouwen van de kiezer genieten, ondanks het feit dat ze nog weinig concreets hebben laten zien: Ernst Kuipers, tot voor kort ziekenhuisdirecteur, en voormalig topwetenschapper Robbert Dijkgraaf.
Maar het meest verontrustend voor dit kabinet zou moeten zijn wat onderzoeksbureau I&O Research al in januari vaststelde: het massieve wantrouwen in de politiek onder Nederlanders die het meest hebben geleden onder de ellende die onder het vorige kabinet heeft voortgewoekerd, namelijk de mensen met de lagere inkomens en de mensen met een migratieachtergrond. Van hen heeft vijfenzeventig procent geen vertrouwen meer in de politiek. Alleen al om die reden had Mark Rutte na de verkiezingen terug moeten treden, en had deze coalitie er nooit moeten komen.
Rutte zelf wilde er niets van weten. Aan het eind van het debat in april over de ‘functie elders’ voor Pieter Omtzigt dat hem bijna de kop kostte beweerde hij doodgemoedereerd dat hij ‘geen moment’ aan opstappen had gedacht. En in zijn omgeving valt te beluisteren dat de VVD-premier regelmatig monter uitroept dat hij nog járen door wil: ‘Ik ben nog maar halverwege!’
Als liefhebber van het politieke spel kan Rutte dezer dagen grinnikend achterover leunen: de VVD-achterban heeft als enige nog wel vertrouwen in dit kabinet, terwijl rivalen als Sigrid Kaag en Hugo de Jonge de klappen opvangen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.