‘Nimmer dacht Van Daalen aan een andere tactiek dan totale uitroeiing,’ schrijft Paul van ‘t Veer in zijn boek De Atjeh Oorlog (1969). Dat schreef hij na lezing van het verslag dat Van Daalens adjudant J.C.J. Kempees had opgesteld na de acties in 1904 waarbij honderden dorpsbewoners in koelen bloede werden omgebracht. ‘Een moordpartij zonder weerga, waarvan men de foto’s zestig jaar na dato nog niet zonder ontzetting kan bekijken.’
Dit is de historische achtergrond van de roman Het uur van de olifant van Otto de Kat. Een arcadische titel die staat voor het begin van de dag in de Oost en die zijn pedant heeft in ‘het uur van de zwaan’ voor de namiddag wanneer de schemering intreedt. Die onschuldige titel hoort bij het Indië dat bij de meeste Nederlanders die er in die tijd waren gelijk stond aan het paradijs: door het klimaat, de landschappen en de privileges van de koloniale verhoudingen. Maar het was ook het Indië van Van Daalen (‘de Alfa van Atjeh’) en van Van Heutsz, de generaal die ‘beschaving’ kwam brengen in de vorm van het platbranden van dorpen, het verkrachten van vrouwen, het neerschieten van kinderen, het onthoofden van mannen.
Dat gebeurde in de buurt van het weelderige Kota Radja, de hoofdstad bij de kust, de plaats waar een andere beschaving heerste, de sultans woonden, de vorstengraven waren, de moskeeën en de overvloedige markten.
De twee hoofdpersonen van Het uur van de olifant, Maxim van Oldenborgh en ‘W.A.’ (afkorting van Wilhelmus Arnoldus) raken ‘goddank’ gewond zodat ze niet verder deel kunnen nemen aan het moorden en platbranden. Ze leerden elkaar kennen in het ziekenhuis in Kota Radja. Allebei hadden ze zich na hun opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda ‘in een vlaag van idealisme’ als vrijwilliger aangemeld om de Atjehers te gaan helpen. Die werden immers onderdrukt door hun eigen despoten. Dat was wat de kranten schreven en de politici verkondigden.
Maxim en W.A. kwamen er al snel achter wat het ‘Atjehprogramma’ van Van Heutsz inhield. W.A. nog meer dan Maxim, omdat hij ooggetuigen had gesproken van de acties onder leiding van Van Daalen. Dat bezorgde hem zoveel schokkende verhalen dat hij ze onder het pseudoniem Wekker wereldkundig maakte in een Haagse krant, De avondpost, in zeventien wekelijkse afleveringen. In het ziekenhuis had W.A. die verhalen aan Maxim verteld, hij herkende ze toen hij ze later in de krant zag. Vanwege de gruwelijkheden had hij ze niet nog eens tot zich genomen. Hij had het gelaten bij de eerste en de laatste aflevering. Dat was wel genoeg om zijn nachtmerries mee te vullen.
heimwee naar een verwoest land
Het uur van de olifant is het soms wat al te geserreerd geschreven relaas van het naleven van de gruwelijkheden waar Maxim en W.A. in Indië mee te maken kregen. De Kat vertelt zonder rafels, precies en onderkoeld. Dat doet net iets tekort aan de gruwelen. Dat Maxim zijn linkeroog verliest bij een aanval zou je bijna vergeten, zo terloops wordt het beschreven (en pas later echt uit de doeken gedaan). En wanneer een commandant voor Maxims ogen twee jongens ombrengt staat er: ‘Hij pakte zijn karabijn, schoof de bajonet erop, stapte op die jongens toe. Steek in, draai om, trap uit. Tweemaal. “Opruimen die oproerkraaiers, Van Oldenborgh, ik doe het maar één keer voor, de volgende keer doe je het zelf”’. Maxim moet ze begraven. Details van de toegetakelde lichamen en het begraven zelf krijgen we niet. Dat gaat ten koste van het dramatisch gehalte, dat wordt daardoor afgevlakt. Het moorden wordt te veel beschreven, en te weinig getoond. Het is te netjes, het snijdt niet diep genoeg, terwijl De Kat nu juist, ook in zijn andere romans, af wil van het te nette leven, en op zoek is naar het avontuurlijke in het bestaan (zoals in De man in de verte en De inscheper).
‘Heimwee naar een verwoest land, hoe bestaat het! Zoiets als een moordenaar misschien die naar de plaats delict wil terugkeren?’
Maxim van Oldenborgh is na zijn vertrek uit Indië burgemeester geworden van het eiland Texel. W.A. is in Indië een van de directeuren geworden van de Spoorwegen en brengt, na elkaar drie jaar niet gezien te hebben, een bezoek aan Maxim en zijn vrouw Roy op Texel. Dat bezoek wordt een succes omdat het voor Maxim de aanzet is om iets te doen aan zijn steeds vaker optredende nachtmerries waarin hij de gruwelen terugziet die hij zelf meemaakte en die W.A. in zijn geruchtmakende artikelen beschreef. Hij trok zich steeds verder in zichzelf terug en versomberde. Hij moet leren praten over zijn onderhuidse leven. Voor alledrie is het bezoek heilzaam: W.A. lokt Roy uit over haar jeugd te vertellen. Daardoor begint haar verleden weer voor haar te leven. Door de gesprekken met Roy wordt in W.A. op zijn beurt iets ‘verschoven’, wordt hij weggetrokken ‘uit zijn constante woede en drift’ als erfenis van ‘Indië’. In Maxims nachtmerries komt steeds terug dat hij niets heeft gedaan toen de commandant (die de ‘eresabel’ zal krijgen) voor zijn neus aan het moorden was: ‘dat is zíjn misdaad’. Van dat schuldgevoel moet hij af zien te komen.
De Kat weet in Het uur van de olifant ook nog een paar subtiliteiten te verwerken die de herinneringen aan de tijd in Indië reliëf geven. Maxim en W.A. denken niet alleen maar met afschuw aan Indië terug. In Maxim leeft ‘onmacht en weemoed’ als hij er aan terugdenkt, soms nog sterker: dan is er sprake van ‘onzinnige heimwee’, denkend aan de mensen, het landschap, de kameraadschap: ‘Heimwee naar een verwoest land, hoe bestaat het! Zoiets als een moordenaar misschien die naar de plaats delict wil terugkeren?’ Bij W.A. is het niet anders: ‘We zijn betoverd geweest, ’zegt hij. ‘Er zijn daar onbekende krachten aan het werk, je moet er geweest zijn, je ontkomt er niet aan.’
heden en verleden
In de romans van Otto de Kat lopen heden en verleden altijd intensief door elkaar. Zijn hoofdpersonen bevinden zich in twee werelden: het verleden duikt in de onverwachtste momenten op, zowel met aangename als met onaangename herinneringen. Het is een levend en ook ongewis geheel, zowel gelukmakend, zoals in Man in de verte waarin de herinneringen aan de vader alleen maar voor geluk staan, als triest, zoals in De inscheper, waarin de vader geen diepe indruk achterlaat. Die afwisseling verleidt De Kat er soms toe om al te kosteloos te zeggen dat we ‘op de tast’ leven, ‘rondgaan in een blind universum’.
Voor Maxim is het van het grootste belang dat hij met zijn zorgelijke herinneringen op goede voet komt te staan, anders is er geen ruimte voor hevige andere gevoelens: ‘Hij kon niet ontkennen dat er dagen waren geweest dat hij nergens zo gelukkig was als op Atjeh.’ De Kat maakt de gevoelens van zijn hoofdpersonen er niet eenvoudiger op. Dat is dan ook zijn sterke kant.
Het uur van de olifant door Otto de Kat is uitgegeven door Van Oorschot.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.