Het is verleidelijk om de i van iMac met ‘ik’ te vertalen. Je zou inderdaad kunnen denken dat Apple met die i de computer tot een persoonlijk bezit heeft willen maken in de zin van: ik en mijn computer zijn één, dus iMac: mijn Mac. Maar zo zit het niet. De i heeft nooit voor één ding gestaan, maar voor vijf eigenschappen van de computer. Die worden door Apple zelf opvallend onhandig omschreven met twee zelfstandig naamwoorden en drie werkwoorden: ‘internet, individual, instruct, inform en inspire’. De i staat dus niet voor ‘ik’, maar voor deze eigenschappen en mogelijkheden.

De Franse filosoof Éric Sadin baseert zijn hele theorie over de belabberde staat van de samenleving op het vertalen van de i als ‘ik’. Apple zou zo gehaaid zijn geweest hun computer te koppelen aan het gevoel van zelfstandigheid en autonomie dat hun apparaat zou opwekken: iMac, mijn Mac, helemaal ik. ‘Zo,’ schrijft Sadin in zijn boek Het tijdperk van de ik-tiran, ‘bejubelde (Apple) de dominante positie die elke gebruiker innam.’ Ook alle andere Apple-producten kregen de i: iPhone, iPad, iPod, iTunes. Die moesten met die i allemaal ‘een dynamische en zelfstandige individualiteit uitdrukken’. De i groeide volgens Sadin uit ‘tot de topos van de tijd. De economische gouden formule van deze periode bestond er meer dan ooit uit om het individu als een spin in het web van al zijn bezigheden te plaatsen en hem daar volop gebruikersgemak en een gevoel van almacht te bieden’.

ik, ik, ik

Zo makkelijk richt de werkelijkheid zich niet naar Sadins theorie van de dominantie van het ik. De i van Apple had daar niets mee te maken. Wat niet wegneemt dat het hele arsenaal aan digitale mogelijkheden dat vrijkwam met de computer voor ‘een soort permanente “upgrade” van onze levens heeft gezorgd’, zoals Sadin terecht schrijft. Internet, e-mail, Twitter en al die andere applicaties en platforms hebben het ‘ik’ verrijkt door zijn wereld groter en lichter te maken. Het is opvallend hoe vaak mensen op straat glimlachend op hun smartphone kijken. Maar Éric Sadin blijft niet steken in deze euforie over de uitbreiding van de wereld door internet en andere wonderen. Hij vindt dat de digitalisering het individu zo erg in het centrum heeft geplaatst, dat het ‘ik’ een tiran is geworden.

Is dat zo? Het ‘ik’ is niet iets van nu. Het is geen onbekende figuur geweest in de laatste vijftig jaar. Het ik was er voortdurend. In de jaren zestig had Christopher Lasch al kritiek op het narcisme in de samenleving, in de jaren zeventig beleefden we zelfs het ik-tijdperk, in de jaren tachtig draaide het postmodernisme om het ik dat alle waarden relativeerde, in de jaren negentig en in de eerste decennia van de nieuwe eeuw werd het ‘ik’ in de watten gelegd door het internet, door Facebook, YouTube, Instagram, iTunes, Twitter en wat niet al. Het ultieme van het opgaan in het eigen ik werd de selfie. Het leven is er wat lichter van geworden.

Volgens Sadin is het ik zich almachtig gaan voelen met zijn computer en iPhone. Het neemt wraak op de tijd dat het niet gehoord of gezien werd, niet erkend werd in wie het was.

Sadin geeft een hele reeks voorbeelden van gedragingen waaruit blijkt dat zich alles rond het ik is gaan afspelen. Dat ik zou zich door de ‘democratisering van het oordeel’ heel wat zijn gaan voelen: elk ik kan recensies schrijven over restaurants, cafés, hotels, buitenlandse reizen, evenementen. En over wijn, natuurlijk. Het ik heeft een eigen ‘platform’. Het heeft ineens overal verstand van en draait er vaak niet omheen wat betreft de woordkeuze. Elk ik kan ook een elektrische step aanschaffen en er met gevaarlijke snelheid mee door de stad racen, op zo’n manier dat het lijkt alsof de straat van dat ik is. Volgens Sadin is het ik zich almachtig gaan voelen met zijn computer en iPhone. Het neemt wraak op de tijd dat het niet gehoord of gezien werd, niet erkend werd in wie het was.

in de tang van de algoritmes

Ook al denkt het ik dat het de wereld nu in zijn zak heeft, de werkelijkheid is dat het minder de dienst uitmaakt dan het denkt: het is het ik dat gebruikt, gestuurd en gemanipuleerd wordt, het is niet een subject dat de regels bepaalt, maar een object dat gebruikt wordt door de grote techbedrijven Facebook, Instagram, Twitter en Google. Het zit in de tang van de algoritmes. De computer en internet zijn samen één grote influencer die de gebruiker dingen laat doen waarvan hij niet wist dat hij of zij ze wilde doen.

Bij het schetsen van het grauwe beeld van deze tijd houdt Sadin zich niet in. We leven in een prestatiecultuur van winnaars en verliezers, met niets er tussenin. Om die prestaties vol te kunnen houden bezoeken we welnesscentra, doen we aan yoga en fitness en staan we vroeg op om een paar kilometer hard te lopen. We leefden vóór de coronapandemie al in een tijd van oververhitting, dat is mét de pandemie alleen maar erger geworden, gezien de demonstraties in Den Haag, Rotterdam en andere steden die in grof geweld ontaardden. Sadin noemt het ‘razernijaanvallen’ die ‘doorgaans gespeend zijn van enig doel, voorbestemd om op tragische wijze op niets uit te lopen’. In de jaren zeventig hadden die demonstraties nog een politiek doel, die van nu zijn er alleen voor het bevredigen van gevoelens van ‘wrok en genot’, zonder een dimensie van hoop of verwachting. Er spreekt een ‘diep nihilisme’ uit dat alles ‘zo kil en hard’ maakt. Er zit geen element van constructie in de destructie.

Wat is er volgens Sadin verloren gegaan met de komst van de ik-tiran? Veel van wat we gemeenschappelijk hadden. De samenleving is steeds minder een samenleving en steeds meer een ‘constellatie van individuen’ geworden, het is in een ‘los-vaste verzameling eenzame individuen’. Het solidariteitsprincipe is verbleekt. De verzorgingsstaat is afgekalfd sinds de Europese sociaaldemocratie de ideologische veren heeft afgeworpen: zowel Mitterand, Jospin, Blair, Kok en Schröder gingen mee met de neoliberale ideeën van de Nobelprijswinnaar Friedrich Hayek, in de praktijk gebracht door Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Mensen zouden zich niet meer willen schikken naar ‘een orde groter dan het ik’. Er is ‘geen respect meer voor de notie van plichten’. Het maken van keuzes had in het verleden plaats ‘binnen de grenzen van een bepaalde set gemeenschappelijke waarden en gedeelde referentiepunten’. In plaats daarvan komt het ik dat ook ‘zijn diepste verlangens’ wil bevredigen, van het gebruikmaken van plastische chirurgie tot geslachtsverandering: de ‘diepste, meest ware zelf’ moet tot uitdrukking kunnen komen.

sociaal individualisme

In Het tijdperk van de ik-tiran wordt tweehonderdvijftig pagina’s met veel redelijkheid aangetoond dat alles om het ik is gaan draaien. Tot het tussen de regels door benauwend wordt. Is het erg dat de technologie ervoor heeft gezorgd dat mensen makkelijker communiceren, van meer op de hoogte zijn (hoe oppervlakkig ook), zelfstandiger zijn, meer bewegingsvrijheid hebben, meer persoonlijke initiatieven kunnen nemen, dat hun persoon er toe wil doen (ondanks de aberraties waartoe dat leidt). Er is niets mis mee om jezelf een spin in het web van je bezigheden te voelen. Wanneer Sadin een school ziet uitgaan ‘bekruipt hem het verontrustende gevoel dat het stuk voor stuk geïsoleerde individuen’ zijn die daar het gebouw verlaten. Waarom zouden dat niet voor hetzelfde geld ‘solidaire eenlingen’ kunnen zijn zoals Albert Camus ze in zijn tijd noemde, solidair met elkaar en tegelijk zichzelf? Sadin doet alsof het over de hele linie bij mensen om ‘antagonistische eenzamen’ gaat. Sadin slaat helemaal op hol wanneer hij gewelddadige uitwassen tijdens demonstraties uitvergroot en in de toekomst ‘een soort permanente oorlog van allen tegen allen’ voorziet.

Dat individuele verlangens een grotere rol spelen hoeft helemaal geen bezwaar te zijn, dat kan ook duiden op een groter besef van autonomie.

Het is lastig met iets relativerends te komen in het licht van alle ellende die zich dagelijks voordoet, maar er is wel degelijk nog ‘een set van gemeenschappelijke waarden en gedeelde referentiepunten’ en er zijn voortdurend gebeurtenissen waar miljoenen mensen gezamenlijk bij betrokken zijn. Zo kijken er elke avond honderduizenden mensen op televisie naar dezelfde programma’s. Elke misstand wordt aangekaart. Er is nog nooit zoveel zinnig activisme geweest. Er is meer ‘gemeenschap’ dan Sadin denkt. Er is genoeg ‘samenleving’, er is genoeg ‘publieke ruimte’. Ook al is het voor het grootste deel illusie, het is goed dat mensen soms almachtig denken te zijn, dat is immers waar menigeen gezond van droomt volgens Freud. Zelfs Willem Frederik Hermans beaamt dat. Stendhal droomde er herhaaldelijk van dat een mooie vrouw op straat een ongeluk zou krijgen zodat hij haar kon redden.

De doopceel van de hedendaagse samenleving is lang, maar de rol van het veeleisende ik is maar een oppervlakkige, raakt niet de kern. Dat individuele verlangens een grotere rol spelen hoeft helemaal geen bezwaar te zijn, dat kan ook duiden op een groter besef van autonomie. Sadin denkt dat mensen zich in de paradox van een ‘collectief isolement’ bevinden, terwijl je beter kunt spreken van de vruchtbare paradox van het sociale individualisme.

Het tijdperk van de ik-tiran. Het einde van een gemeenschappelijke wereld door Éric Sadin is vertaald door Alexander van Kesteren en uitgegeven door de Wereldbibliotheek.