Het heeft altijd iets vertrouwds wanneer een kunstenaar zichzelf op een onnadrukkelijke manier in een schilderij verstopt. Alsof hij op een onderonsje met de toeschouwer uit is. Herkent die hem, dan is er een band gesmeed. Toen ik de eerste keer het gezicht van Rafael zelf zag op zijn School van Athene, zorgde dat voor een schokje van herkenning, alsof ik een goede bekende zag in een menigte.
De eerste keer de jonge Rembrandt zien op het Leids Historiestuk heeft hetzelfde effect. Je ziet ineens een bekend gezicht te midden van een exotisch-historisch gezelschap bestaande uit soldaten, een koning, onderdanen en antiek wapentuig. Op een ander schilderij van de jonge Rembrandt, het nog maar kort geleden als een Rembrandt herkende Laat de kinderen tot mij komen uit 1628, duikt zijn gezicht bovenin het schilderij op, hoog boven de anderen die naar Jezus kijken. Het nieuwsgierig kijkende gezicht van de jonge Rembrandt is hier een ‘lokkertje’, een figuur die de blik van de kijker stuurt, één van de schildertechnieken die Karel van Mander in 1604 leerde in zijn Schilderboeck en zijn leerdicht Den Grondt der Edel vrij Schilderkonst.
De mooiste tekening ter wereld
Eenzelfde soort herkenning deed zich voor bij het lezen van De jonge Rembrandt van Onno Blom. Hij schrijft dat Rembrandt zijn modellen meestal dichtbij huis zocht. Hij schilderde, tekende of etste met enige regelmaat zijn vrouw Saskia, zijn moeder, vader en zoon Titus. Van zijn tweede vrouw Hendrickje maakte hij verschillende tekeningen, onder meer wanneer ze in slaap is gevallen. Die tekening, Hendrickje slapend, schrijft Blom, is ‘misschien wel de mooiste tekening ter wereld.’
Dat is een absoluut en verstrekkend oordeel. Maar het is niet de eerste keer dat iemand dit over deze tekening zegt. Als biograaf van Jan Wolkers is Blom bekend met wat Wolkers over Rembrandt heeft gezegd. Dus ook over deze tekening. In het essay ‘Rembrandt is Rembrandt’ (in Rembrandt in Rommeldam) schrijft Wolkers: ‘Wie naar Hendrickje Slapend kijkt, weet dat hij de mooiste tekening ter wereld aanschouwt.’ Hoe absoluut ‘Ter wereld’ ook is, Blom en Wolkers zijn het roerend eens.
‘Rembrandt is niet alleen de schilder van het uiterlijk, maar vooral van het innerlijk.’
Maar het was toch niet door Jan Wolkers dat Onno Blom met Rembrandt kennismaakte. Als Leidenaar was hij al vroeg met zijn vader in De Lakenhal geweest en had hij het Leids historiestuk gezien, inclusief de jonge Rembrandt met de woeste bos krullen achter de scepter van de keizerlijke figuur. Die krullen had Rembrandt aangebracht met de achterkant van zijn penseel, gekrast in de natte verf.
Rembrandt-dichtheid
De jonge Rembrandt is de Rembrandt zoals hij ongeveer tot 1630 in Leiden is, waarna hij definitief naar Amsterdam verhuist. Hij is dan vierentwintig en heeft al een adembenemend oeuvre geschilderd van historieschilderijen, etsen, portretten en zelfportretten. En hij staat in 1632, zesentwintig jaar oud, op het punt zijn eerste geniale werk De anatomisch les van Dr. Nicolaes Tulp te schilderen.
De eerste honderdvijftig pagina’s van De jonge Rembrandt is de Rembrandt-dichtheid nog niet zo groot: het gaat dan voornamelijk over de geschiedenis van Leiden vanaf het beleg van 1574 en het Leiden van Rembrandt, de stad waar hij vanaf 1606 als zoon van een gegoede molenaar die mout maalde opgroeide.
Daarom leren we het nodige over molens en molenaars. Maar ook over de verschillende neringen die ermee samenhangen, over de marktdagen, over bakkers omdat Rembrandts moeder uit een familie van bakkers kwam. Omdat mout voor bier werd gebruikt komen er verschillende in die tijd gerenommeerde kroegen langs, en ook de zwervers en de bedelaars. Over verdedigingswallen gaat het en over de rol van zijn vader in de stad. De Hortus van Clusius krijgt de nodige aandacht, en natuurlijk de religieuze twisten tussen de rekkelijken (armenianen) en de preciezen (de gomaristen). De familie van Rembrandt verkeerde in vrijzinnige kringen.
Rembrandt ging van zijn zevende tot zijn veertiende jaar naar de Latijnse School. Daarna studeerde hij ongeveer twee jaar aan de Leidse Academie. Dat was niet wat hij wilde. Op zijn zestiende ging hij in de leer ging bij Jacob van Swanenburg, die een tijd in Italië was geweest. Daar leerde hij wat Van Mander ‘den grondt’ noemt, de basis, van het schilderen. Uit die tijd is niets aan tekeningen overgeleverd omdat er doorgaans niet op papier werd gewerkt, maar op een afwisbare ‘tafelette.’ Invloed van Swanenbrug vindt Blom moeilijk aan te wijzen. Hij was goed in brandende mythische steden en onheilspellende onderwerelden.
Van invloed was wel sprake door Pieter Lastman, wie bij Rembrandt een half jaar in Amsterdam in de leer was na de drie jaar bij Swanenburg. Bij Lastman deed Rembrandt een bont kleurenpalet op dat kenmerkend werd voor zijn jongste tijd. Het werken met licht en donker ontstond rond 1628 in de sublieme jeugdige zelfportretten en zijn eerste meesterwerk De berouwvolle Judas brengt de zilverlingen terug uit 1629. En in een werk als Andromeda, waarop de getergde heldin helemaal in het licht staat, terwijl alles om haar heen donker is. In het werken met licht en donker, het chiaroscuro, verraadt zich de invloed van Caravaggio die via Swanenburg, die er in Napels mee had kennisgemaakt, bij Rembrandt terecht kwam. Caravaggio was volgens Blom ‘de vonk in een kruidvat.’
Soms is het alsof Blom in de eerste honderdvijftig pagina’s wat te veel van Rembrandt afdwaalt, maar dat wordt gecompenseerd door wat hij allemaal voor interessants weet te vertellen over de persoonlijke, bestuurlijke, universitaire, kunstzinnige en religieuze verhoudingen in Leiden waar Rembrandt zijdelings mee te maken had.
Niet bijbels, maar realistisch
Dat Constantijn Huygens, de invloedrijke secretaris van stadhouder Frederik Hendrik, een van de eerste was die Rembrandt herkende als een groot talent vindt Blom enigszins jammer. Huygens krijgt een lichtelijk sarcastische behandeling van Blom. Wat Huygens over het talent van Rembrandt en zijn college-vriend Jan Lievens schrijft komt zo ‘uit het retoricaboekje.’
‘Caravaggio was voor Rembrandt de vonk in een kruidvat.’
Huygens’ herinneringen ‘zijn fantastisch geschreven, indrukwekkend, eloquent, begaafd, beschaafd en meer dan een tikkeltje pedant.’ Had Huygens over zichzelf ‘al gezegd dat hij, naast voortreffelijk tekenen, ontwerpen en uitvinden, ook goddelijk luit speelde?’ Huygens kleineert Swanenburg en Lastman als bescheiden leermeesters. Dat doet hij volgens Blom om het genie van Rembrandt en Lievens nog beter te laten uitkomen. Hij noemt dat ‘een gotspe’ omdat Swanenburg en zijn gerenommeerde familie bij Huygens goed bekend waren en allerminst bescheiden genoemd konden worden.
Wat niet wegneemt dat Huygens volgens Blom het verschil tussen Rembrandt en Lievens ‘haarfijn’ wist aan te geven: Rembrandt was ‘in trefzekerheid en levendigheid van emoties de meerdere van Lievens.’ Omgekeerd wint Lievens het ‘door een grootsheid in vinding en in gewaagdheid van onderwerpen en vormen.’ Toch duurde het niet lang of Rembrandt passeerde Lievens ook wat betreft gewaagdheid van onderwerpen, gezien de consternatie die hij in Leiden teweeg bracht met zijn naakten. Die beantwoordden niet aan de idealistische bijbelse en mythologische voorstellingen, maar waren realistisch. De vrouwen hadden niet altijd de ideale vormen. Ze hadden niet het leven van nymfen geleid. In de mythologie was Andromeda een ravissante schoonheid, ‘mooier dan de Nereïden’, maar niet bij Rembrandt in zijn schilderij uit 1630.
In De jonge Rembrandt ontstaat een Rembrandt die op een eigenzinnige manier een waarachtig schilder wordt, ook al erkent Blom dat Rembrandt iets raadselachtigs blijft houden, hoe dichtbij hij ook probeert te komen. Rembrandt groeit binnen korte tijd naar zichzelf toe, zoals vooral te zien in de verschillende zelfbewuste zelfportretten van 1629. Schoonheid is niet wat hij speciaal nastreeft, hij is meer op zoek naar een realisme dat ook ‘mooi’ kan uitpakken. Hij is ‘niet alleen de schilder van het uiterlijk, maar vooral van het innerlijk’ schrijft Blom. Op zijn zevenentwintigste, in 1633, schildert hij het driedubbel doorleefde portret van de bejaarde dominee Johannes Wtenbogaert alsof hij zelf zo’n leven van ervaring achter zich heeft.
Door zoveel om Rembrandt heen te vertellen, door hem zo in te bedden in Leiden, in zijn familie, vrienden, kennissen, contacten, is het alsof Blom denkt dat ‘Rembrandt’ daaruit is voortgekomen. Maar dat vindt hij uiteindelijk helemaal niet. Hij is het met Huygens eens dat Rembrandt ook zonder zijn milieu en omgeving Rembrandt geworden zou zijn: ‘Wellicht’ schrijft Blom in zijn Epiloog, ‘was Rembrandt, met zijn uitzonderlijk talent, lef en ambitie, óók een geweldige schilder geworden als zijn wieg ergens anders had gestaan.’ Volgens Huygens was Rembrandts ontwikkeling ‘een hoogstpersoonlijk, innerlijk en eigenzinnig avontuur’, alleen, of vooral, schatplichtig aan zichzelf. Blom heeft dat avontuur mooi en evenwichtig opgeschreven, ook al is het allemaal ‘circumstantial, indirect bewijs voor Rembrandts raadselachtige grootheid.
De jonge Rembrandt. Een biografie door Onno Blom is uitgegeven door De Bezige Bij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.