De moeder van de Duitse dichter Heinrich Heine was bang voor poëzie. Ze ‘droomde een glanzende toekomst’ voor haar zoon, te beginnen met een carrière in het leger vanwege ‘de goudenste epauletten’ die zij op zijn schouders zag. Wilde hij dat niet dan werden het ‘de opgesmukste ereambten aan het hof van de keizer’ die klaarlagen.

Maar het keizerrijk viel, dus gingen haar dromen in de richting van het bankwezen. Een bekende van haar man was een Rothschild, vandaar dat Heinrich nu ‘plutocraat’ moest worden en veel vreemde talen en boekhouden moest leren. Maar een grote handelscrisis liet deze ‘mercantiele zeepbel’ knappen. Dat ging samen met een danig verlies aan vermogen van zijn vader.

Nu werd het zaak aan een ‘broodstudie’ te denken, iets dat voor brood op de plank zorgde. Het werd rechten in Bonn. Voor het bekostigen van zijn studie verkocht zijn moeder haar kostbaarste sierraden, collier en oorbellen.

In Bonn maakte Heine kennis met de Bijbel van het egoïsme, het Corpus Juris van het Romeins recht, en hield er een ‘blijvende hekel’ aan de juristerij aan over. Voor zijn moeder heeft hij ‘die godvervloekte studie’ wel voltooid, maar er nooit iets mee gedaan. ‘Dat hij dichter wilde worden’ zei zijn moeder hem altijd, dat was wel ‘het ergste wat mij kon overkomen.’

‘Een en al gezondheid’

Deze dans rond de beroepskeuze moest Heine niet alleen van de poëzie afhouden, ‘zij griste mij elke roman uit handen, stond mij geen bezoek aan toneel toe, verbood mij aan volksvertier deel te nemen, hield scherp in de gaten met wie ik omging, berispte de dienstmeisjes die in mijn aanwezigheid spookverhalen vertelden – kortom, ze deed alles wat in haar vermogen lag om bijgeloof en poëzie bij mij vandaan te houden.’ Het verstand en het gevoel van Heine’s moeder waren ‘een en al gezondheid’. Zijn zin voor het fantastische, ironische en romantische kwam niet bepaald van haar.

Heine’s moeder was een soort rationaliste. Voor haar was poëzie denken in het luchtledige, zonder ondergrond, onbeschermd, zodat je elk moment in de diepte kon vallen, ook maatschappelijk. In het verlengde van deze onbeschermde manier van denken zou zich dan een leven bevinden dat zich afspeelde op negentiende eeuwse onverwarmde zolderkamers, het Biedermeier-cliché zoals Carl Spitzweg het heeft geschilderd: in bed, ingepakt in dekens, omgeven door boeken, een houtkacheltje, manuscripten, papieren en een paar flakkerende kaarsen.

de vleiende klanken van de Franse urbaniteit

Wanneer Heine dit vertelt in zijn Memoires en bekentenissen zoals die nu in het bestek van slecht 153 pagina’s in de reeks Privé-domein zijn uitgegeven, verschijnt je die tijd meteen voor ogen. Conservatief, streng, zwart, hoge hoeden, wit damast, witte schortjes, en een jongen die in alles afhankelijk is van dit goed geregelde leven, met zijn moeder als middelpunt. Heine schrijft er ironisch bijtend over, geamuseerd ook, want Heine wil er zelf altijd ook iets aan hebben.

Heine is ironisch, cynisch, polemisch, boosaardig, sentimenteel, maar hij schrijft vooral zinnen die stuk voor stuk reliëf hebben. Er staan geen saaie, middelmatige of weinigzeggende woorden in zijn zinnen, ze vallen allemaal op als speciaal. Of de mededeling is bijzonder.

Daar stierf hij aan een soort syfilis een langzame dood – het begon ‘langzamerhand saai’ te worden.

Wanneer Heine, na uit Duitsland te zijn verdreven, het over zijn eerste dagen in Parijs heeft, in het jaar 1831, staat er: ‘Mijn ziel, dat arme sensitieve schepsel, dat in zijn schuwheid voor de vaderlandse grofheid zo was samengetrokken, ontspande zich weer door deze vleiende klanken van de Franse urbaniteit.’

Matrassengraf

De laatste acht jaar van zijn leven, vanaf 1848, bracht Heine voornamelijk in bed door, in zijn ‘matrassengraf’ zoals hij het zelf noemde. Daar stierf hij aan een soort syfilis een langzame dood – het begon ‘langzamerhand saai’ te worden. Maar dat liet hij niet echt gebeuren: Heine ging deze ‘memoires en bekentenissen’ schrijven.

Daarbij gaat hij niet al te systematisch te werk, maar dat is geen groot bezwaar. Zijn altijd enigszins malicieuze stijl houdt de aandacht makkelijk gevangen. Zoals met het verhaal over Christian Dietrich Grabbe, die ‘tot de grootste Duitse dichters behoort’ en met Shakespeare vergeleken mag worden, ware het niet dat hij te veel dronk.

Maar zover was het nog niet toen Grabbe naar Berlijn ging om te studeren. Bij het afscheid drukte zijn moeder hem een pakketje in handen waarin een half dozijn zilveren lepels zat, zes dito koffielepeltjes en een grote dito soeplepel. Toen Heine hem in Berlijn opzocht en vroeg hoe het hem ging antwoordde hij ‘Ik ben aan de vierde lepel toe.’ ‘De grote zijn bijna op’ verzuchtte hij op een dag.’ Het was Heine duidelijk dat wanneer de kleine lepeltjes verkocht moesten worden om eten te kunnen kopen het definitief bergafwaarts zou gaan met Grabbe. En dat gebeurde ook, hij stierf aan de drank.

Heine’s moeder had zo haar invloed op zijn ontwikkeling, maar haar broer Simon nog aanzienlijk meer. Die had geen broodstudie gedaan, maar gaf zich over ‘aan al zijn geleerde liefhebberijen en buitenzinnigheden.’ Hij was van alles op de hoogte, schreef in politieke bladen en obscure tijdschriften, en stelde Heine zijn rijke bibliotheek ter beschikking. ‘Hij deed mij als jongen al de fraaiste en duurste werken cadeau.’

‘Ik zag in dat de dunste armenhuissoep van de christelijke barmhartigheid nog altijd verkwikkender was dan de gekookte spinnenwebben van de hegeliaanse dialectiek.’

Hij deed ook pogingen tot literatuur, maar dat stimuleerde Heine alleen maar om het beter te doen, al vond zijn oom hem ‘te lichtzinnig, speels en oneerbiedig.’ En dan ooms zolder: ‘Wat een mysterieuze verrukking jubelde in het hart van de jongen als hij hele dagen kon doorbrengen op deze zolder.’ Alles bevond zich daar: boeken, oude tijdschriften, globes, retorten, filosofische werken, medische werken, antiquiteiten: ‘Mijn jonge hart stond in bloei en de zon scheen zo monter door de kleine dakraampjes dat alles door een fantastisch licht overgoten leek.’

Een soort mystieke nevel

In deze montere toonaard gaat Heine verder te vertellen over zijn onmin met Madame de Staël naar aanleiding van haar boek over Duitsland. Heine heeft zelf ook een boek over Duitsland geschreven. Door het boek van De Staël zijn de mensen gaan denken dat de Duitse filosofie ‘een soort mystieke nevel was waarin de godheid zich als een heilige wolkenburcht verborgen hield en Duitse filosofen sektarische zieners waren die niets dan vroomheid en godvrezenheid ademden.’

Dat wilde Heine nog even rechtzetten, onder meer door Hegel te ontmaskeren. Over Hegel had hij zelfs een heel boek geschreven, om hem voor de leek uit te leggen, maar hij heeft het in de haard gegooid na er twee jaar aan gewerkt te hebben. ‘Ik zag in dat de dunste armenhuissoep van de christelijke barmhartigheid nog altijd verkwikkender was dan de gekookte spinnenwebben van de hegeliaanse dialectiek.’

Hij wil niet in de spiegel kijken om God te zien.

Die ‘christelijke barmhartigheid’ staat er niet zo maar. Na jarenlang het christendom te vuur en te zwaard te hebben bestookt met humor en satire komt Heine in zijn Memoires terug op de religie en geeft hij zich aan het eind van zijn leven over aan de ‘hemelse intendant.’ Hij trekt zijn ‘zondigste vergissingen’ terug. Hij keert zich af van de atheïsten, ‘deze goddeloze zelfvergoders’, en ook van zijn verre familielid Karl Marx en zijn communisme.

Hij heeft er genoeg van zelf ‘de levende morele wet’ te zijn, de Lieve Heer op aarde te zijn. Hij wil een Lieve Heer in de hemel die naar hem kijkt. Hij wil niet in de spiegel kijken om God te zien.

Het is een deus ex machina-bekering die Heine hier beschrijft. Zijn argumenten tegen het atheïsme zijn heel makkelijk in hun tegendeel om te draaien. Wanneer hij zegt niet meer zelf de morele wet te willen zijn, kun je ook zeggen dat hij zijn autonomie en zelfstandigheid opgeeft, het aan anderen overlaat om de vorm van zijn leven te bepalen. En er is misschien wel helemaal geen sprake van ‘zelfvergoding’ bij de ongelovigen. Ze zijn wellicht juist wat bescheidener.

Heine beschrijft een authentieke bekering: hij ontwikkelt ineens een aversie tegen het atheïsme, ineens vindt hij het hiernamaals een prachtig idee, ineens is hij blij van zijn ‘aanmatigende glorie’ af te zijn (maar die had hij zichzelf verleend), ineens in Mozes een groot kunstenaar die toch maar een heel volk heeft geboetseerd.

Heine schrijft in deze Memoires spits, bits en prikkelend. Je zit dicht op wat in hem omgaat aan gedachten en overwegingen. Wanneer hij zich nu ‘slechts een armzalig menselijk schepsel’ noemt, klinkt daar nog steeds ook de satirische polemist in door die hij was, terwijl hij het hier echt meent. Er zit nog genoeg oude Heine in deze nieuwe.

Memoires en bekentenissen door Heinrich Heine is vertaald, ingeleid en van commentaar voorzien door Jan Sietsma en uitgegeven door De Arbeiderspers.