Het is verleidelijk om Aristoteles tevoorschijn te halen en een sterk citaat van hem te lenen, maar als het citaat helemaal niet past op waar je het over hebt, dan werkt het als een boemerang. In zijn boek Oikofobie verwijt Thierry Baudet de Amerikaanse filosofen Richard Dworkin en Martha Nussbaum dat ze te weinig rekening houden met de ‘kwade neigingen’ van de mens en eenzijdig de nadruk leggen op de eigen verantwoordelijkheid, de waardigheid en de ontplooiing van het individu. Had Aristoteles, op wie zij zich zo vaak beroepen, niet gezegd dat de mens een paradoxaal wezen is ‘dat voortdurend heen en weer wordt geslingerd tussen tegenstrijdige behoeftes en verlangens’?

Baudet kan dat Dworkin en Nussbaum wel parmantig verwijten, maar zelf is hij helemaal geen paradoxaal wezen. Hij is zo eenduidig als een duimstok. Hij wordt nooit heen en weer geslingerd tussen tegenstrijdige behoeftes en verlangens. Als er één ding duidelijk wordt uit het uitstekende boek van Harm Ede Botje en Mischa Cohen dan is het dat Baudet precies weet wat hij wil, uitermate eenduidig is en het altijd zo zal draaien dat het gebeurt zoals hij het ziet. Geen twijfel. Hier wordt driehonderd pagina’s de vinger op gevoelige plaatsen gelegd. Bescheidenheid vindt Baudet een slechte eigenschap, in theorie en praktijk. Als paradoxaal wezen zou hij dan juist heel terughoudend en op de achtergrond moeten zijn, maar Baudet is precies wat hij is: rechttoe-rechtaan, niet bepaald bescheiden.

‘Een historische strijd’

Er ontstaat in Mijn meningen zijn feiten een veelzijdig, genuanceerd, breed, zorgvuldig, anekdotisch en filosofisch beeld van Baudet waarin zijn hoogdravende idealen, zijn contacten, vrienden, medestanders en collega’s, zijn twijfelachtige extreem-rechtse relaties, zijn egotistische karakter, zijn ambities en teleurstellingen, zijn overwinningen en ideologische bevlogenheden stuk voor stuk aan de orde komen in een soepel lezend relaas. Hier komen politiek, ambitie, ideeën, arrogantie, idealen, ijdelheden, daadkracht, overtuigingskracht en brutaliteit bij elkaar in iemand die, hoe grotesk hij zich ook gedraagt, niet zomaar weg te blazen is. Er valt over Baudet wat te vertellen.

Baudet ziet het allemaal groot: het is ‘een historische strijd’ die zijn generatie voert.

Baudets familiegeschiedenis is bepaald interessant en had hem heel goed in vruchtbaar intellectueel-liberaal vaarwater kunnen brengen, maar hij ontpopte zich via zijn studie, leesclubs en de conservatieve Burke Stichting tot iemand die onder invloed van Oswald Spengler de westerse beschaving wil redden van de ondergang – niet minder. Hij ziet het allemaal groot: het is ‘een historische strijd’ die zijn generatie voert. Er moet een ‘Europese renaissance’ komen, een ‘Wederopstanding’ zodat Baudet weer kan genieten van wat ooit zo bij Nederland hoorde in de ‘gouden eeuwen’ van ‘excellentie.’

De ‘westerse zelfhaat’ moet verdwijnen en daarvoor in de plaats moet een messianisme komen dat iets groots aan de horizon ontwaart. De Europese Unie moet daarvoor ‘ontmanteld’ worden want dat is een ‘bezettingsmacht’ die aan het doen is wat Napoleon, Hitler en Mussolini van plan waren: een groot uniform en grenzenloos Europa laten ontstaan.

ontregelend

Botje en Cohen hebben veel gesprekken gevoerd met familie, leraren, jaargenoten, leesclubvrienden, hoogleraren, contacten in België en Engelse vrienden als Roger Scruton en Theodore Dalrymple. Ze laten het niet bij het weergeven van wat ze horen, we zitten bijna bij de leesclub, bij de vergaderingen, de partij bijeenkomsten, bij de ruzies en de vele onmin. De ondertitel ‘De wording van Thierry Baudet’ maken we letterlijk mee.

Wanneer Baudet naar Oxford gaat om daar aan een conferentie deel te nemen is het of Botje en Cohen mee zijn geweest en alles gezien en gehoord hebben wat Baudet heeft gehoord en gezien. Niet zelden is Baudet dan weer eens ‘ontregelend’ bezig geweest omdat hij te weinig aandacht kreeg. Tijdens zulke gelegenheden blijkt vaak dat alles om Baudet moet draaien. Hij luistert maar met een half oor. Kritiek glijdt als kwik van hem af. Ook duikt wel het ‘teflonlaagje’ op dat hij zou hebben. Vandaar de periodieke schaamteloze ijdelheid, die hem doet zeggen dat ‘niemand in Nederland zo goed is in de politieke filosofie als ik’. En hem aan Jort Kelder doet vragen ‘Hoe word ik net zo bekend als jij?’

extreem-rechtse wateren

Baudet viste de afgelopen tien jaar bij herhaling in extreem-rechtse wateren. Dat zou uit ‘intellectuele nieuwsgierigheid’ zijn. Maar hij zoekt het graag bij foute figuren, mogelijk een uitvloeisel van de ‘kwade neigingen’.

Ook Baudet wil ‘graag leven in een land dat hoofdzakelijk blank is. Of dominant blank’.

Door bij Jean-Marie le Pen, de leider van het Front National, op bezoek te gaan. Door zich een fan te tonen van Steve Bannon. Door Julien Rochedy te interviewen, Le Pens man voor de jongeren. Die had het over ‘volksvervanging’ waar Baudet het over ‘homeopathische verdunning’ had. Door naar de IJzerwake in Vlaanderen te gaan, de radicaal-nationalistische opvolger van de IJzerbedevaart. Door Freek Jansen niet af te vallen, de voorzitter van de Forum-jongeren die zegt dat we ‘discipline, overwinningsdrang, ja, zelfs overheersingsdrang’ nodig hebben. Door vijf uur lang als gelijkgestemden met de ‘white supremacist’ Jared Taylor te converseren. Ook Baudet wil ‘graag leven in een land dat hoofdzakelijk blank is. Of dominant blank’.

populisme is aan alle kanten goed

Geleidelijk aan begint het op te vallen dat het soortelijk gewicht van de citaten verrassend hoog is: Botje en Cohen hebben een scherp oor voor de gevleugelde woorden en slogans waarmee Baudet zichzelf weet te typeren. Zo was hij ‘naar het front geroepen’ omdat ons land hem nodig had. Baudet zei ‘voor excellentie te staan’. En Baudet ‘denkt niet voor zichzelf,’ hij ‘denkt voor Nederland’. Dat denken gebeurt vaak aan de hand van andermans ideeën, origineel is Baudet zelden. Hij denkt in oude, traditionele patronen. Tijdens de beeldenstorm tegen de helden van de slavernij: ‘Wij brengen onze helden eer. We houden van ons land.’

Baudet wil niet dat Europa ‘Afrikaniseert’. Nederland stelde zich onder leiding van een ‘elitekartel’ op als ‘een hoer die op haar rug ligt met haar benen wijd en zich door iedereen laat nemen’. Het valt op hoe vaak mensen aanvankelijk met Baudet in zee gaan, geïmponeerd door zijn kennis. Geert Mak, Maarten Huygen, Paul Scheffer, J.L. Heldring, ze geven hem de ruimte, maar na verloop van tijd zien ze hem ontsporen en haken af. Theodore Dalrymple waarschuwde hem niet te veel te flirten met extreem-rechts. En zijn promotor Roger Scruton zei tegen iemand dat Baudet bezig was ‘over the top’ te gaan.

Je krijgt in Mijn meningen zijn feiten een tamelijk compleet overzicht van de kwesties waar Baudet zich druk over maakt. Te beginnen natuurlijk bij de ontmanteling van de Europese Unie. En de immigratie moet stoppen. Het klimaat is helemaal geen probleem. Het dubbele paspoort bevalt hem niet. Masturberen is een groot probleem. Net als atonale muziek en moderne architectuur. Jagen daarentegen wordt met klem aangeraden omdat het je zo dicht bij de natuur brengt. Stierenvechten is ook iets heel dieps in de mens. Hij is natuurlijk tegen ‘partijkartels’. Populisme is aan alle kanten goed, ook al heeft Baudet heel weinig met de gewone man.

Hij wordt door iemand ‘een elitaire kwezel’ genoemd, wat niet wegneemt dat Baudet zelf graag demagogisch schermt met vage ‘elites’ die de dienst zouden uitmaken. Mussolini duikt nog al eens als voorbeeld op. Baudet is tegen elke instelling die boven de nationale regering staat, zoals het Internationaal Strafhof in Den Haag en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Baudet gaat ook de vaderlandse geschiedenis hervertellen, zodat er weer menig held in zal worden geëerd, als eerste natuurlijk Jan Pieterzoon Coen: ‘dispereert niet, ontziet uw vijanden niet, want God is met ons,’ staat op het standbeeld in Hoorn waarbij hij onlangs nog bloemen legde.

Als leider van een politieke partij moet Baudet herhaaldelijk in groepsverband optreden. Dat blijkt hem slecht af te gaan. Hij gaat dan ‘ontregelend’ te werk zodat de aandacht weer bij hem komt te liggen. Er zit een heerserstrekje in Baudet. Dat is maar één van de vele kanten aan Baudet die Botje en Cohen naar voren hebben gehaald in een boek dat zelf politieke geschiedenis schrijft.

Mijn meningen zijn feiten. De wording van Thierry Baudet door Harm Ede Botje & Mischa Cohen is uitgegeven door Atlas Contact.