Wie niet als een slaapwandelaar door de wereld gaat is aan de lopende band betekenis aan het toekennen. Die schrijver krijgt je zegen. Die architectuurstijl hadden ze over kunnen slaan. Die componist wordt zwaar onderschat, dat boek kan onderaan de stapel, die stad is zo vol aan het worden dat je er beter omheen kunt rijden. Zo gaat het continu. De werkelijkheid wordt onafgebroken betekenis gegeven. Dat betekenisgeven maakt je voor een groot deel tot wie je bent, al die (vaak lastige) keuzes zijn karakteristiek voor jou. Dat ben jij.

Het eerste geschrift waarmee Paul van Tongeren als Denker des Vaderlands naar buiten komt heet Het wonder van betekenis. Ik zou niet graag iets aan het wonder willen ontdoen, maar Van Tongeren verstaat onder betekenis wel iets heel anders dan ‘het toekennen van betekenis’, zoals ik. Van Tongeren heeft het niet over het toekennen van betekenis. Het wonder is voor hem dat alles al betekenis heeft. Alles is betekenis, zegt hij. De wereld is een bol met een en al betekenis, en mensen zijn ‘betekeniswezens’, ‘betekenisdieren’ zelfs. Met een variatie op het gedicht van K. Schippers: ‘Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles gekleurd is’, schrijft Van Tongeren: ‘Als je goed om je heen kijkt, zie je dat alles betekenis heeft.’

wonder

Van Tongeren schrijft dat hij het woord ‘wonder’ een beetje provocerend gebruikt. Hij overdrijft dus moedwillig. Hij bedrijft een soort fenomenologie: hij wil dat mensen aandachtiger naar de fenomenen van de werkelijkheid kijken. Het vanzelfsprekende moet van de werkelijkheid afgenomen worden.

Daarvoor maakt Van Tongeren van iets dat al lang een goede en levendige gewoonte is een wonder. Dat mensen met elkaar discussiëren, dat ze verschillende interpretaties van de werkelijkheid aanhangen, zou een wonder zijn. Op mij maakt het meer de indruk van een open deur. De ‘noodzaak om interpretaties van betekenissen uit te wisselen, met elkaar in gesprek te brengen, te confronteren, dat maakt ons tot politieke gemeenschapswezens’, schrijft Van Tongeren. Dit lijkt mij iets te voor de hand liggend voor een wonder. ‘Het conflict van interpretaties, dat is politiek.’ Zou dit een wonder van nieuw inzicht kunnen zijn?

‘Het wonder van de betekenis’ wekt verwachtingen, maar Van Tongeren weet er niet iets betoverends van te maken.

Het idee dat alles betekenis zou zijn is een tautologie. Het loutere bestaan van iets is al voldoende. Het is aan mensen om aan dat iets betekenis te geven, het persoonlijk in te lijven. De selectie die wordt gemaakt ontwikkelt zich dan tot een persoonlijk universum van dingen waaraan men zich gehecht heeft, of juist niet hecht, want het kan ook om afkeer gaan. Het ene krijgt meer betekenis dan het andere. Dat is toegekende betekenis, een actieve, onderscheidende daad die leven en reliëf in het bestaan aanbrengt. De uitspraak ‘Het wonder van de betekenis’ wekt verwachtingen, maar Van Tongeren weet er niet iets betoverends van te maken.

Lees ookEen lezer kan zich aan een boek hechten zoals aan een mens23 maart 2021
wat bestaat en bestaaN heeft

De titel Het wonder van betekenis wekt al zoveel verwondering dat Van Tongeren het de komende twee jaar nog druk kan krijgen te midden van zijn ‘betekenisdieren’. Het boek bestaat niet uit filosofische beschouwingen van Van Tongeren, maar is een verslag van een week vol gesprekken die Marc van Dijk met Van Tongeren heeft gevoerd op het eiland Kreta in de marges van de colleges die Van Tongeren daar gaf over Aristoteles en het geluk. Die gesprekken bestrijken zo’n beetje alles waar Van Tongeren zich als hoogleraar aan de Radboud Universiteit mee bezig heeft gehouden, in het bijzonder de deugdenethiek, Aristoteles en Nietzsche.

Van Tongeren is een breed en grondig denker met een encyclopedische kennis van de filosofie. Er zit ook de nodige samenhang in zijn filosofie. Dat Van Tongeren zegt dat betekenis is, en niet zegt dat betekenis wordt toegekend, zoals ik hier boven deed, heeft de nodige consequenties. Het maakt dat Van Tongeren ver afstaat van wat hij ‘maakbaarheidsfantasieën’ noemt. Dat toekennen van betekenis ziet Van Tongeren als te veel eigenmachtigheid van de mens en niet, zoals ik, als het stofferen van je bestaan door je voorkeuren of afkeren te laten kennen.

Vandaar dat hij het ook heeft over ‘autonomieprofeten’, die zijn hem veel te veel gefixeerd op onafhankelijkheid en zelfstandigheid, houden te weinig rekening met wat al bestaat en bestaan heeft, wat gegeven is, zoals de natuur, relaties, familie, tijdgeest en geschiedenis. Van Tongeren staat uitgesproken sceptisch tegenover autonomie, daarin ziet hij de harde hand van de eigenmachtigheid. Hij staat aan de kant van de heteronomie, van de erkenning dat we van talloze dingen (mensen, groepen, instituties) afhankelijk zijn.

een lukkend mens

Dat Van Tongeren het over ‘autonomieprofeten’ en ‘maakbaarheidsfantasieën’ heeft duidt er op dat hij niet alles maakbaar vindt en zich terughoudend van de wereld opstelt. Hij dringt zich niet op: hij is geen filosofisch kapitalist of imperialist. Het leven moet voor Van Tongeren ook nog zijn eigen gang kunnen gaan, zonder te veel ingrijpen van de mens. Toeval, het lot en mazzel moeten ook de ruimte krijgen. Dat heeft alles te maken met de deugden van Aristoteles. Die zijn wel meer dan twee eeuwen oud, maar voor van Tongeren zijn ze nog deels van toepassing.

De deugdenethiek komt altijd op het midden uit, weg van de extremen. Hoezeer geluk ook het einddoel van alles is bij Aristoteles, hij erkent dat je het geluk niet helemaal zelf in de hand hebt. Je hebt ook geluk nodig, geluk in de zin van mazzel. Die erkenning, dat is wat Van Tongeren bevalt. Dat Van Tongeren lang geleden een tijdje priester wilde worden blijkt uit het restant waarmee hij het woord ‘ontvangen’ gebruikt: dat je niet alles expliciet moet willen, maar dat je ook zo maar moet kunnen ‘ontvangen’. En iets als ‘een geschenk’ kan beschouwen (een prijs, een kind, een gezondheid). In die geest schreef hij ook het vrome Dankbaar. Denken over danken na de dood van God.

‘We zijn verdeeld’, zegt Van Tongeren, tussen het zonnige mensbeeld en het inktzwarte mensbeeld waarin de mens voor de mens een wolf kan zijn.

Ook al wil Van Tongeren zich geen aristoteliaan noemen, bij de geordende wereld van Aristoteles voelt hij zich wel thuis. Maar hij heeft ook iets met Nietzsche, en die staat juist voor de chaos. Hij herkent zich in allebei. Dat zorgt voor wisselende loyaliteiten. Essentieel bij Aristoteles is de dwang om één persoon te worden, jezelf te vormen naar een bepaald ideaalbeeld. Een mens uit één stuk. Die mens zul je bij Nietzsche niet aantreffen. Die heeft zoveel ontkracht als vals, ijdel en zwak dat het voor hem een kunst werd om ondanks de chaos op de been te blijven. Het voor Aristoteles zo belangrijke ‘geluk’ is bij Nietzsche niet te vinden, behalve in voorbijgaande momenten van euforie. Voor geluk is Nietzsche te verdeeld in zichzelf, te veel stemmen spreken elkaar in hem tegen.

Hoezeer Van Tongeren zich ook thuis voelt bij Aristoteles, hij drijft toch van hem weg omdat Aristoteles veel te optimistisch is, te veel in vaste waarden gelooft, te eenduidig is: ‘Het echte kwaad kan Aristoteles niet denken.’ Van Tongeren is wat dit betreft ‘modern’, zo niet ‘postmodern’ wanneer hij niet in een onveranderlijke waarheid gelooft en het kwaad een bepalende rol laat spelen. ‘We zijn verdeeld’, zegt Van Tongeren, tussen het zonnige mensbeeld en het inktzwarte mensbeeld waarin de mens voor de mens een wolf kan zijn.

Van Tongeren schrijft wel dat ‘het pessimisme ons sinds de moderniteit beheerst’, maar dat wil niet zeggen dat hij niet via de achterdeur iets van geluk toelaat. Voor Aristoteles is het geluk het hoogste goed, maar dat vindt Van Tongeren te hoog gegrepen, daarvoor weten we te veel van het inktzwarte mensbeeld en de moderne gruwelen. Er is hoogstens een ‘levenswijze’ mogelijk, werk in uitvoering, waarin met vallen en opstaan iets lukt dat beantwoordt aan een zekere voortreffelijkheid: ‘Het doel is niet een gelukt mens, maar een lukkend mens’, luidt de aardige slotsom. De spanning tussen de tegenpolen Aristoteles en Nietzsche in Van Tongeren zal de komende twee jaar nog voldoende groot zijn om voor een levendige discussie over cruciale betekenissen te zorgen.