Flaubert slingerde tussen bot en fijnzinnig, bruut en zachtmoedig, haat en vriendschap, dood-gewoon en elitair.
Zelf noemde hij zich het meest burgerlijke en teruggetrokken wezen van de hele wereld, dus daar hebben we niets aan. Maar er is een oplossing. Die staat afgedrukt in het Album Flaubert dat de Bibliothèque de la Pléiade heeft uitgebracht ter gelegenheid van zijn jubileum.
Het gaat om de aquarel die Georges Rochegrosse in 1874 heeft gemaakt van Flauberts werkkamer in zijn huis in Croisset. Toen hij die aquarel maakte, was Rochegrosse vijftien jaar oud en met zijn vader op bezoek bij Flaubert. Later werd hij een beroemd schilder en zou hij illustraties maken voor Flauberts roman Salammbô.
De aquarel heeft alles wat we nodig hebben om greep te krijgen op Flauberts brein: de onrust én de rust stralen je tegemoet.
Rochegrosse is haastig, schetsmatig maar trefzeker te werk gegaan. Je ziet een ruim bemeten werkkamer waarin alle gelegenheid is om rond te benen op zoek naar het juist woord. In het midden een grote tafel vol papieren en een stoel waar je niet meer uitkomt als je er eenmaal in zit. Op de achtergrond een wand met boeken, waarvan we de inhoud nauwkeurig kennen, want die wordt bewaard en is te zien in het stadhuis van het Normandische stadje Canteleu. Flaubert was een onverzadigbaar lezer, op alle gebieden, daar kunnen zijn personages Bouvard en Pécuchet van meepraten.
Links een tafel met een exotisch kleed, souvenir van zijn reis door de Oriënt. Daarachter een raam dat een golf licht door de kamer werpt.
Rust én onrust komen je in gelijke mate tegemoet. Hier stond Flaubert tegen zichzelf te schreeuwen omdat hij niet op het juiste woord kon komen, hier deed hij een week over één zin, die hij daarna doorhaalde.

rustige onrust
Veel heeft Flaubert goed beschouwd niet geschreven in bijna zestig jaar: Madame Bovary, De leerschool der liefde, Salammbô, De verzoeking van de heilige Antonius, Bouvard en Pécuchet, Reis door de Oriënt, Langs de Loire en Drie verhalen. Maar Flaubert is dan ook niet alleen wat hij aan romans heeft geschreven. Flaubert is ook de vijf dundrukdelen van elk zo’n 1500 pagina’s aan brieven.
Daarvan is in Nederland een flink deel vertaald in de reeks Privé-domein: twee algemene bloemlezingen (Haat is een deugd en Geluk is onmogelijk), de brieven aan en van George Sand (Wij moeten lachen en huilen) en de brieven aan Louise Colet (De kluizenaar en zijn muze). En hij speelt een hoofdrol in het Dagboek van de gebroeders Edmond en Jules de Goncourt.
In dit alles slingerde Flaubert tussen kluizenaarschap en wereldsheid, tussen bot en fijnzinnig, tussen niets weten en alles weten, tussen bruut en zachtmoedig.
In dit alles slingerde Flaubert tussen kluizenaarschap en wereldsheid, tussen bot en fijnzinnig, tussen niets weten en alles weten, tussen bruut en zachtmoedig, tussen werken als een paard en verveling, tussen haat en diepe vriendschap, tussen mededogen en onverschilligheid, tussen doodgewoon en elitair.
Zijn manuscripten en zijn handschrift waren een groteske warboel, maar al het gedrukte was foutloos.
In de rustige onrust van zijn werkkamer was Flaubert bezig met het schrijven van zinnen waarvan hij hield: ‘Van krachtige, substantiële, heldere zinnen, gespierde, met een gebruinde huid.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.