Normaal zijn boeken om van voor naar achter te lezen, maar Uit de eerste hand van Martin Amis is vooral om in te lezen. Bladerend, lezend, voor je uit kijkend, terugbladerend, stilvallend, blijven steken bij een naam, een stad, een zin, een opmerking.

Uit de eerste hand is een boek met wat men in Engeland miscellanea noemt: van alles wat, herinnering, verslag, column, essay, gesprekken, huiselijke en familiaire inkijkjes, gasten, vakanties, vrouwen en kinderen. Het heet wel een roman, maar is een autobiografie in fragmenten, zoals ze tamelijk willekeurig door de jaren heen in hem zijn opgekomen. Maar ook weer niet helemaal willekeurig want het is duidelijk dat bepaalde gebeurtenissen (zoals 9/11) en bepaalde mensen in dit boek voor zouden moeten komen.

Zelf komt Amis als schrijver in zijn boek voor als ‘ik’ en als ‘Martin’, omdat de ene herinnering beter tot zijn recht komt als ‘ik’ dan als ‘Martin.’ Aan het namen- en zakenregister achterin kun je zien dat Uit de eerste hand een boek van gewicht wil zijn. Het is een gedetailleerd en uitputtend register waarin precies te zien is waar Amis het met Bellow op welke pagina over heeft, of op welke pagina hij het over het schrijverschap heeft, dan wel op welke pagina zijn eerste vrouw hem waarschuwt geen overspel te plegen.

roth drinkt nauwelijks

De toon is bedrieglijk casual, losjes. In die losse toon wordt van alles aangesneden, van hoog tot laag, van triviaal tot hooggestemd. Je kunt er zeker van zijn dat bij Amis iets triviaals afgewisseld zal worden door een dosis ernst, hij heeft zich tenslotte niet voor niets ook verdiept in Stalin, in Hitler, in de Holocaust, in Israël en er boeken en romans over geschreven. Hij kan het op een babbeltoon met Saul Bellow hebben over het drankgebruik van Joseph Heller en Norman Mailer, om het dan ineens te hebben over het antisemitisme in Amerika, over het verschil tussen ethiek en moraal en dat joodse schrijvers niet drinken (‘Roth drinkt nauwelijks.’)

Een niet gering deel van Uit de eerste hand gaat niet over de furore in zijn leven, maar over verval en dood.

Amis houdt zich niet erg aan de chronologie. Daardoor duiken er op allerlei momenten fragmenten op over de belangrijke mensen, te beginnen zijn vriendinnen en vrouwen, maar daarna vrij snel zijn vriend Christopher Hitchens. En in het voetspoor daarvan generatiegenoten en vrienden als Ian McEwan, Salman Rushdie en Julian Barnes, die allemaal, net als Hitchens, in de jaren zeventig literair redacteur van The New Statesman waren of erin schreven. Vrij prominent speelt de dichter Philip Larkin in zijn leven, eigenlijk een vriend van zijn vader Kingsley, maar door Amis met dubbele gevoelens na diens dood overgenomen. Ook Iris Murdoch was bevriend met zijn vader, en ook met haar werd hij bevriend. Ze kende hem vanaf zijn kindertijd.

De belangrijkste in het boek is toch wel Saul Bellow, met wie Amis kennismaakte in de jaren tachtig toen hij hem voor The Observer interviewde. Ze werden vrienden, hielden intensief contact, kwamen bij elkaar op bezoek (na Amis’ verhuizing naar Amerika) en brachten samen een bezoek aan Israël.

verval en dood

Martin Amis is inmiddels zeventig, al zal hij altijd iets jeugdigs houden omdat hij nu eenmaal de jongste van de Amissen is. In een niet gering deel van Uit de eerste hand gaat het niet over de furore in zijn leven, maar over verval en dood, zoals dat van zijn jeugdvriend, de geduchte polemist Hitchens en over de aftakeling en dood van Saul Bellow. Ook de dood van Philip Larkin en Iris Murdoch, inclusief haar wegdrijven in Alzheimer, maakte hij van nabij mee.

Amis was zeer gesteld op Bellow, maar zijn vriend Hitchens niet zo, althans hij gedroeg zich lomp toen hij een keer met Amis bij de Bellows logeerde. En hij schreef op een vervelende manier over Bellows roman Ravelstein. Dat bevat een portret van Allan Bloom, een vriend van Bellow en de schrijver van The Closing of the American Mind, een boek uit 1987 dat men tot het neoconservatisme is gaan rekenen, een stroming waar Bellow tegen het einde van zijn leven toe neigde. Met zijn kritiek op de roman was Hitchens volgens Amis geen literair criticus, maar ‘een politiek criticus op literair gebied’.

Ook al bevond Amis zich in Uruguay toen Bellow overleed, was hij op tijd voor zijn begrafenis in Engeland.

Wat de vriendschap tussen Amis en Hitchens, die elkaar eind jaren zestig in Oxford leerden kennen, niet deerde. Toen Hitchens in 2011 in Houston op sterven lag was Amis voortdurend in de buurt.

Er staat in Uit de eerste hand het nodige over Saul Bellow dat materiaal kan bieden voor een studie over de vriendschap van Amis en Bellow. Amis beschouwde Bellow als een schrijver die in staat was op zijn ‘eerste hart’ te vertrouwen, om alles waar te nemen met argeloze scherpte, niet in de weg gezeten door vertroebelende gedachten of gevoelens. Het was kijken met ‘oerogen’, zoals Amis het noemt. Toen Bellow in 2005 overleed na een langdurige achteruitgang door Alzheimer, bevond Amis zich in Uruguay, meer dan vijfduizend kilometer van Bellow woonplaats Vermont. Toch was hij net op tijd voor de begrafenis die al een dag na het overlijden plaatsnam. Zijn ‘literaire vader’ kon Bellow niet meer worden omdat zijn vader Kingsley dat al was, maar, heeft hij hem eens toevertrouwd: ‘zolang jij leeft zal ik me nooit helemaal vaderloos voelen.’

kruiperigheid tegenover het contemporaine

Tussen de herinneringen en particuliere aantekeningen vlecht Amis losse beschouwingen over de roman, over het literaire handwerk en over discussies over het al dan niet ‘elitair’ zijn van literatuur. Amis’ eigen romans (Money, Succes, London Fields) hebben een satirische inslag. Ze behoren tot het genre van de ‘comedy of manners’, maar dan voorzien van moderne zaken als geweld en corruptie. Amis verzet zich tegen literaire populisten die tegen metaforen zijn, tegen bijwoorden en tegen bijzinnen. Hij vraagt zich af of deze anti-elitairen ook anti-elitair zijn wanneer ze naar de dokter gaan, of wanneer ze in een vliegtuig stappen. Hij moet ook niets hebben van modieus taalgebruik, door hem ‘kruiperigheid tegenover het contemporaine’ genoemd.

Haters van voetnoten kunnen in Uit de eerste hand hun hart ophalen aan de vele lange extra’s waarin Amis zich uitleeft. Denk niet dat hij die voetnoten uit nood heeft toegevoegd. Hij maakt er iets van, hij ontwerpt er een theorie in, citeert uit brieven, geeft een kleine literatuurhistorische beschouwing. Of hij betuigt alsnog zijn spijt dat hij de vijf delen The Cazalet Chronicles pas na de dood van zijn stiefmoeder Elizabeth Jane Howard gelezen heeft. Hij heeft haar daarom nooit omstandig kunnen prijzen.

Uit de eerste hand is een grabbelton van zeshonderd pagina’s waar je gedoseerd, van tijd tot tijd, in moet lezen. Waar je het boek ook opent, er staat wel iets interessants, aardigs of boeiends in, geschreven in Amis’ beproefde casual én substantiële stijl.

Uit de eerste hand door Martin Amis is vertaald door Paul van der Lecq en Arthur Wevers en uitgegeven door Atlas Contact.