Risico’s nemen, grenssituaties opzoeken, iets te ver uit een raam gaan hangen, dat zit op een of andere manier in Oek de Jongs systeem, heeft hij eens gezegd.

E pericoloso sporgersinicht Hinauslehnen, het voor hem als Italië-reiziger bekende bordje in de trein is niet voor hem bedoeld. Als schrijver kan De Jong heel goed ‘iets te ver uit een raam hangen.’ Zie hoe ver hij in Zwarte schuur gaat bij het beschrijven van de verhouding tussen de kunstenaar Maris en Fran wanneer in het vierde deel het liefdesvuur definitief is gedoofd.

De wrange vijandigheid die ze tegenover elkaar tentoonspreiden, de bijna fysieke agressie, de valse tederheid, de erotische spanning die Maris desondanks zoekt, de opgefokte sfeer, die maakt dat elk moment het slaan en schreeuwen kan beginnen. Het is literair spelen met vuur – De jong wil ook de chroniqueur van dit soort menselijk kwaad zijn. Maris is in zo’n opgefokte toestand dat ‘een kritisch opgetrokken wenkbrauw van Fran hem al agressief maakte.’ Hoe kwaad hij ook is, hij is iemand die ‘opeens hitsig’ kan worden,

vermogen tot robuustheid

Dit realistische inlevingsvermogen is één van De Jongs kanten als schrijver, wat je zijn vermogen tot robuustheid zou kunnen noemen. Het is een aspect van zijn sensibiliteit, je weten te verplaatsen, het gevoelig zijn voor gemoedsbewegingen, vorm weten te geven aan emoties. Die sensibiliteit neemt bij De Jong vele vormen aan, ook een veel verfijndere. Zoals in zijn waardering voor het werk van Maria Dermoût, van Maurice Gilliams of de poëzie van Herman Gorter of Ida Gerhardt.

In ‘Zijn muze was een harpij’, een van de twee essays over Willem Frederik Hermans in Het glanzend zwart van mosselen, schrijft hij dat Hermans’ monomane wantrouwen, wrok, verongelijktheid en eenzaamheid geen ruimte liet voor enige ‘wijsheid’. Dat is inderdaad een woord dat je bij Hermans niet zult aantreffen.

De Jong beoefent uitdrukkelijk het persoonlijke essay, het essay waarin de persoon van de schrijver net zo belangrijk is als het onderwerp.

Dat De Jong het ontbreken van wijsheid opvalt wil zeggen dat hij daar zelf erg aan hecht: ‘Ik bedoel dan de wijsheid die de betrekkelijkheid van de dingen ziet, de wijsheid die lichtvoetig door het leven gaat omdat zij een hele vracht illusies van zich af heeft geworpen, de wijsheid die begrijpt en vergeeft…de wijsheid die niet alles wil weten en beheersen. De wijsheid die lacht en spot en liefheeft. De wijsheid die dwaas is en van dwaasheid wijs, de wijsheid die aanvaardt, de wijsheid die geeft.’

Door voor zoveel wijsheid te opteren zoekt De Jong bijna een andere grens op, de grenzen van het begrip. Anders dan de monomaan Hermans wil De Jong ‘een waaier van perspectieven op het bestaan’ bieden. Hermans staat voor het tot het uiterste gevoerde besef van de ‘wanen en illusies waarin we leven.’ Wat voor Hermans het belangrijkste is, de ‘afdaling in de hel’, is voor De Jong een aspect van het schrijverschap.

Dostojevskiaans ‘doordringen’

De Jong wilde per se dat de essays die hij in de loop van zo’n veertig jaar heeft geschreven in één deel zouden samen komen. Dat verwijst naar die ‘waaier’ aan perspectieven die hij wil bieden, ook met zijn essays.

De Jong beoefent uitdrukkelijk het persoonlijke essay, het essay waarin de persoon van de schrijver net zo belangrijk is als het onderwerp. Hij is er met heel zijn hebben en houden bij betrokken, het is niet alleen maar een interessant onderwerp dat hij aansnijdt, het is een onderdeel van zijn existentie als schrijver.

Bij het niet-persoonlijke essay is dat precies andersom. Voor De Jong is het essay een verlengstuk van het schrijven van romans. ‘Reflecteren’ hoort bij hem: hij wil bijna Dostojevskiaans ‘doordringen’ in de krochten van de menselijke ziel, en verder. Daarom schrijft hij bij herhaling over zijn vriend en collega Frans Kellendonk: omdat hij diep in dat schrijverschap wil thuisraken.

Hij wilde ook weten wat nu precies het unieke van het genre van de roman is dat hij beoefent. Door er een verhelderend essay van honderd pagina’s over te schrijven (Wat alleen een roman kan zeggen), werd hij een integraal schrijver die het métier door en door vertrouwd werd, als romanschrijver, als persoonlijk essayist, als dagboekschrijver, als reisschrijver en als cultuurcriticus. Hij zocht de intimiteit en de ‘grote lijnen’ van de cultuurgeschiedenis. Hij ontdekte dat ondanks de verbluffende technische uitvindingen we blijven ronddraaien ‘in het rad van goed en kwaad.’ Hij ging tot op de bodem door ook te schrijven over het ontstaan van zijn succesrijke romandebuut Opwaaiende zomerjurken. Hij wilde doordringen in de manieren waarop hij te werk was gegaan. Hij werd een beelddenker die de ‘symboolwaarde’ van de werkelijkheid ging zien.

vitaliserende weerspannigheid

Aan de hand van de Duitse romantische schilder Caspar David Friedrich en de Engelse modernist Francis Bacon probeert De Jong erachter te komen bij wie zijn loyaliteit ligt, bij de slachter van illusies Bacon of de dromer Friedrich. Het werd Bacon omdat hij beantwoordde aan iets in zijn levensgevoel dat hem steeds bracht bij schrijvers die een donker beeld van de werkelijkheid gaven, zoals Arthur Schopenhauer en Emil Cioran.

De tragedies op de schilderijen van Caravaggio zorgen ook voor de catharsis, hebben een reinigende werking.

Een ‘nietsontziende somberte’ herkende hij bij hen en bij Bacon. Dat zorgde er niet voor dat De Jong gevrijwaard bleef van depressies, allerminst. Dat sombere beeld riep bij hem een vitaliserende weerspannigheid op.

De grimmig vervormde figuren op Bacons schilderijen betekenden ‘scheppen door te vernietigen’, ‘doorleefde wanhoop’, een ‘vitale kaalslag.’ Bacon vertegenwoordigde ‘een sterfelijke vitaliteit.’ De beestenbende van Bacons atelier werd daarvan het zinnebeeld: ‘Door zich in die gore bende te begeven kwam hij “bij zichzelf”, bij precies dat gevoel dat hij nodig had om te schilderen.’

plotselinge verheldering

In dezelfde sfeer bevindt zich natuurlijk de zeventiende-eeuwse Italiaanse schilder Caravaggio waar De Jong twee keer over schrijft. De gewelddadigheid op Caravaggio’s schilderijen, de bijbelse lading, het contrast van donker en licht brengen een ‘onrustbarende spanning’ te weeg, wat voor De Jong een reinigende, louterende werking heeft. Noodlot en noodlottigheid, moord en doodslag, wraak en weerwraak: dat is materiaal voor tragedies. De tragedies op de schilderijen van Caravaggio zorgen ook voor de catharsis, hebben een reinigende werking. Het ‘schoonmaken’ dat hiermee gebeurt maakt ruimte: om opnieuw te beginnen met leven.

Dat is ook het effect van de epifanie, de plotselinge verheldering. Daarvan lijkt sprake in wat De Jong schrijft over de titel van het boek: het glanzend zwart van de mosselen. Dat ziet hij op een toevallige ansichtkaart in een rek in de Duitse havenstad Kiel. Daarop haalt een visser een korf met mosselen binnenboord: bij het zien van het glansend zwart van de mosselen wilde De Jong ‘op die kotter zijn, op de Waddenzee, om te helpen die korf aan boord te trekken. Ik zou het water uit de mosselen horen druipen, ik zou de mosselen in het ruim horen vallen als de korf werd opengetrokken – het geluid van schelpen op schelpen. Daaromheen de stilte van de zee. Ik zou verlost zijn van alles wat er woelde in mijn hoofd.’

Als schrijver en als iemand die in beelden denkt omdat die bij hem voor verhelderingen zorgen, voor iets staan (een verlangen, een inzicht, een herkenning), heeft De Jong te maken met het permanent ‘woelen’ in zijn hoofd. De verhelderende beelden zijn kleine epifanieën. De visser en zijn mosselen verhelderen iets, lossen het ‘woelen’ in zijn hoofd op: zijn affiniteit met de zee, met kleine vissersboten, havens en de vismarkt, een herkenning die wordt gevangen in de glans van de mosselen. Je ziet hier De Jongs ‘zinrijk’ aan het werk, een woord dat hij heeft geleend van de dichter Chris van Geel. Hij geeft ermee aan dat beelden en ideeën samen het ‘zinrijk’ vormen van dit magnifieke schrijverschap.

Het glanzend zwart van mosselen. Autobiografie, Essay, Reisverhaal, Cultuurkritiek 1980-2020 door Oek de Jong is uitgegeven door Uitgeverij Augustus/Atlas Contact.