Het zal niet vaak voorkomen dat de lezer van een geschiedenis gewijd aan een stad en zijn universiteit een ‘medeplichtige’ wordt genoemd. Van een lezer van een roman kan dat wel gezegd worden, die moet de verbeelding van de schrijver afmaken wanneer die suggestief te werk gaat. Bij een stad en zijn universiteit gaat het in hoofdzaak om bestaande feiten die in een aangenaam gelid worden gezet. Zo dacht Willem Otterspeer er niet over bij het schrijven van De stad, de dood en de dichters, zijn boek over Leiden rond 1600 en de in 1575 opgerichte universiteit.

Nadat hij met Groepsportret met dame al vier delen over de geschiedenis van de Universiteit Leiden had geschreven, wilde Otterspeer er met het nieuwe boek nog één keer persoonlijker en rapsodischer naar kijken. Hij wilde achterhalen hoe hoofdrolspelers als Janus Dousa, Jan van Hout, Lipsius, Clusius en Scaliger dachten, door wie en wat ze zich lieten inspireren (Cicero, Petrarca, Erasmus, Lucas van Leyden). En: hoe kon het dat ‘rond 1600 in Leiden alles bij elkaar kwam wat de wereld wist’. Net zoals Otterspeer met de feiten en de personages moest meedenken, zo is het de bedoeling dat de lezer medeplichtig is aan het compleet maken van het tafereel. De aanwezigheid van de dichters in de titel wijst al in een bepaalde richting. Dan wordt er niet alleen in geschiedenis gedacht, maar ook in het dichterlijke eeuwig heden: 1600 is modern, van nu.

in één oogopslag

Op een tentoonstelling in 1975 over de geschiedenis van vierhonderd jaar Leidse universiteit in het Rijksmuseum zag Otterspeer vier prenten uit 1610 die voor hem in één oogopslag die universiteit vertolkten: het waren afbeeldingen van de bibliotheek, de Hortus botanicus, het anatomisch theater en de schermschool. Ze vormden een geleerd beeldverhaal, zoveel was er op te zien. Otterspeer aarzelt niet het een encyclopedisch gedicht te noemen, een kwatrijn desnoods.

Om deze instellingen van de universiteit daarna in het Leiden van toen te situeren kon hij beschikken over een inventaris van de stad, opgemaakt door de onvolprezen Jan Orlers in zijn Beschrijvinge der Stad Leyden (1614). Otterspeer trekt aan de hand van Orlers’ boek door de stad (‘het is mijn stad’), door alle straten, stegen, over alle bruggen, door alle hofjes, langs alle huizen, stadspaleizen, pleinen, kerken, schilders, handwerkslieden, fabriekjes. Orlers is een ‘echte dweper’ zegt Otterspeer, maar niet zonder werkelijkheidszin, met oog voor de details, maar ook voor het ‘geheel’.

Dat Erasmus en het humanisme hun invloed inmiddels hadden doen gelden is te zien aan de prominentie van de literatuur en filosofie, die illustreert de overwinning van het humanisme op de middeleeuwse scholastiek.

Dat dichters zo prominent in de titel voorkomen komt omdat Otterspeer aan de universiteit als menselijke onderneming een realistische en een idealistische inhoud wil geven. De dichters staan voor het meer tijdloze denken, voor tijdlozer waarden en deugden. Wanneer hij de schermschool beschrijft gaat het niet alleen over het realistische vechten dat daar plaatsheeft, maar ook om karaktervorming, beschaving, zelfbeheersing en inzicht. Wanneer Orlers een klein schilderij van Lucas van Leyden beschrijft van een meisje dat een hondje aan het vlooien is, zit daar voor Otterspeer het ‘hele geheim van het Hollandse realisme’ in: ‘de werkelijkheid die tegelijk symbool is’, in dit geval van ‘puurheid en properheid, liefde en trouw’.

Wanneer Otterspeer de door Woudanus getekende prent van de Leidse bibliotheek bespreekt (hij noemt het ‘een ding om mee te denken’) ontstaat ‘de wereld’ van de bibliotheek. Die bestaat niet alleen uit boeken, maar ook uit portretten van geleerden en van begunstigers (zoals Willem van Oranje, stichter van de universiteit). Er hangen landkaarten die de wereld binnen brengen, en gewichtige teksten die cruciale gebeurtenissen documenteren. Er bevindt zich een verzamelcultuur. Dat het eerste boek van de bibliotheek de polyglotbijbel is wilde niet zeggen dat theologie de meeste kastruimte in beslag nam. Dat Erasmus en het humanisme hun invloed inmiddels hadden doen gelden is te zien aan de prominentie van de literatuur en filosofie, die de eerste kasten beslaan: ‘dit illustreert de overwinning van het humanisme op de middeleeuwse scholastiek’.

het evenwicht van tegenstellingen

Het is in niet geringe mate de toon die De stad, de dood en de dichters zo aantrekkelijk maakt. Daardoor krijgt zo ongeveer alles wat Otterspeer aansnijdt een silver lining en ben je bereid met hem mee te denken. Door het boek duikt regelmatig Lipsius op, de supergeleerde die met zijn faam en brede eruditie de universiteit beroemd gemaakt heeft. Hij is onder meer de schrijver van een boek over de bibliotheek vanaf de Egyptenaren. Aanleiding voor Otterspeer om daar zijn kennis over de bibliotheken van Cesena (de Malatestiana), de Laurentiana en de San Marcobibliotheek in Florence aan toe te voegen.

Bij de vraag ‘hoe men rond 1600 dacht,’ zoals Otterspeer die impliciet voortdurend stelt, duikt ook steeds de naam van de Italiaanse denkende dichter Petrarca (1304-1374) op. Hij beïnvloedde in Leiden twee iconen van de stad, de dichters Janus Dousa en Jan van Hout. Hij vertegenwoordigt voor Otterspeer de vroege moderniteit, afgezet tegen Dante (1265-1321). Dat laat zich duidelijk maken door hem met hem te contrasteren. In deze tegenstellingen neemt Dante steeds het eerste deel voor zijn rekening: eenheid versus veelheid, onwankelbaar versus tasten, kathedraal versus landschap, hemel versus aarde. Wat Petrarca zo modern maakt, zegt Otterspeer onomwonden, is zijn ‘permanente twijfel’. De oxymoron was daarvoor de stijlfiguur bij uitstek voor Petrarca. Altijd twee onmogelijk dingen bij elkaar willen hebben: rust en bedrijvigheid, ontspanning en inspanning, gebondenheid en vrijheid, snoeien en bloeien, leiden en volgen, beheerste hartstocht.

Zo krachtig en consequent maakte die dubbelheid zich niet meester van de Leidse geleerden, maar wel dachten zij in het bestaan van creatieve verschillen en contrasten.

Zo krachtig en consequent maakte die dubbelheid zich niet meester van de Leidse geleerden, maar wel dachten zij in het bestaan van creatieve verschillen en contrasten. De ‘harmonie van elkaar in evenwicht houdende tegenstellingen’ was al te zien in de optocht door Leiden die de universitaire gemeenschap hield bij de inwijding in 1575. Dat was een grote manifestatie, inclusief triomfbogen waar iedereen doorheen moest. Met veel aandacht voor allegorische taferelen.

Het denken in verschillen en contrasten, het dichterlijke aandeel in het geleerde denken, was ook goed te zien in de Hortus, waar de planten, bloemen en struiken op een bepaalde manier werden geplant: naar soort, naar geur, naar kleur, naar seizoen, naar geneeskracht, naar giftigheid. Er ontstond een creatieve systematiek. De Hortus was niet alleen een educatieve tuin, het was ook wel degelijk een tuin om te savoureren, daar hechtte met name Carolus Clusius aan. Bij hem vielen de woorden mooi, sierlijk en bekoorlijk. Er werd zo met de planten omgegaan dat er altijd iets in bloei stond.

Dat Willen Otterspeer het zo goed heeft kunnen vinden met de Universiteit Leiden moet alles te maken hebben met wat hij er zelf als historicus en essayist aan kwaliteiten in heeft ontdekt: de wetenschappelijke vrijheid en het Petrarcisme (te onderscheiden van het Petrarkisme, de liefdespoëzie-traditie). De makers van de vier Woudanus-prenten dachten zoals Petrarca dichtte: in ‘contrast en symmetrie, leven en dood, vreemd en eigen, goed en slecht, dienstbaarheid en eer, lichaam en geest. Ze stonden tegenover elkaar en gingen in elkaar op als deel en geheel en kennis en zelfkennis’. Door de volheid en soepele eruditie van het boek moet deze belangwekkende dichterlijke en filosofische achtergrond niet over het hoofd worden gezien.

De stad, de dood en de dichters. Hoe in Leiden rond 1600 alles bij elkaar kwam wat de wereld wist door Willem Otterspeer is uitgegeven door Prometheus.