In zijn kindertijd was klei voor Oek de Jong ‘een vriend’. Hij vond het ‘aan de slootkant, vochtig, sterk geurend, kneedbaar’. Het voelen van de door het kneden zacht en lauw geworden klei was ‘een van zijn eerste sensuele ervaringen’. De klei is een onderdeel van de herinneringen aan zijn jeugd en zijn ouders die in Man zonder rijbewijs bij hem opkomen wanneer hij vertelt over de rijlessen die hij op zijn bijna zeventigste neemt. De klei duikt op omdat De Jong niet lang daarvoor zijn vader heeft begraven en toen aan de rand van het graf ‘een tevreden blik had geworpen op de loodrecht afgestoken wanden van klei’. Dat vond hij ‘mooi om te zien’ en herinnerde hem aan zijn kindertijd.

Klei is niet direct iets wat in je opkomt bij een begrafenis. Maar herinneringen werken bij Oek de Jong anders. Bij De Jong hebben zulke associaties met emoties te maken. Klei herinnert hem aan zijn gelukkige kindertijd. Het was klei omdat het door ‘het kneden zacht en lauw’ werd en daardoor beantwoordde aan zijn behoefte aan sensuele gevoelens: aan de behoefte gekoesterd te worden. Daar werd in zijn vroegste jeugd door zijn moeder nog ruim aan tegemoet gekomen (weten we ook uit Pier en oceaan), vandaar dat dit het gelukkige deel van zijn jeugd was. Het emotionele equivalent van de klei is dat van een vriend of van een knuffelende moeder.

Die gevoeligheid, die gelukkige kindertijd, zijn herinneringen aan zijn moeder en de klei passen niet erg bij zoiets saais als het willen krijgen van een rijbewijs op latere leeftijd. Het is wel een hele overwinning voor de leerling. Die was in zijn leven omgeven door auto’s. Zijn ouders hadden ieder een Renault, zijn grootvader had zelfs een echte zwarte Citroën Traction Avant. Zijn vriendin J. heeft ook een auto. Een eigen auto heeft zich altijd buiten De Jongs horizon opgehouden: hij was de schrijver, daar was alles mee gezegd, die rijdt niet in auto’s. De auto behoorde voor De Jong bij ‘het meegaan met de stroom’, waar hij zich als schrijver altijd tegen heeft verzet. Hij zou ook een gevaar op de weg zijn geweest, aangezien hij, schrijver zijnde, de neiging had tot ‘afwezigheid’, vaak elders vertoefde met zijn gedachten.

De Jong houdt van tankstations, van de sfeer, van de lucht, van de winkel, van het tanken zelf.

Bovendien was hij te roekeloos (‘ik ken mijn demonen’) en een ‘drentelaar’, iemand met te begerige ogen, die alles interessant vindt. Hij was een typische introvert, al moesten ze niet denken dat hij als schrijver ook wel onhandig zou zijn. Dat is hij niet, indachtig zijn sarcastische en misprijzende grootvader die ‘alles kon maken’, van meubels tot zeilboten. De Jong houdt van tankstations, van de sfeer, van de lucht, van de winkel, van het tanken zelf. Hij neemt rijlessen omdat zijn vriendin J. een keer buiten de stad vast kwam te zitten en hij hemel en aarde moest bewegen om haar uit die situatie te redden. Het werd hem zijn eer te na om nog langer zonder rijbewijs te zijn.

ambivalente oedipus

Ook al zegt De Jong dat in zijn romans (vanwege de intieme setting) nogal wat scènes te vinden zijn die zich in auto’s afspelen, in Man zonder rijbewijs wringen ze me te veel met de vruchtbaardere herinneringen aan wat hij de moeder- en vaderwereld noemt. Ook al heeft Edward Hopper het tankstation een melancholische meerwaarde gegeven, in het zich ‘loswrikken’ van zijn vader en moeder zit meer literatuur. Dat is nauwelijks het geval in het leren besturen van een auto. De rijlessen en de omgang met rijinstructeur Dave helpen hem wel min of meer af te komen van de discrepantie tussen zijn ‘ondoorgrondelijke angst’ en zijn in wezen vriendelijke en toegankelijke karakter. Maar de beschrijvingen van het inhalen, invoegen, parkeren, gas geven, remmen, ‘alles in de gaten houden’ en schakelen neem ik vooral voor kennisgeving aan.

Dat is wel anders bij De Jongs herinneringen aan de verhouding tussen zijn vader en moeder. Hij zat tussen twee vuren en hij was zelf zo’n vuur. De Jong gaat in al zijn subtiliteit nietsontziend te werk wanneer hij het over zijn vader en moeder heeft. Hij is ongeremd. Hij neemt alleen wat afstand door zichzelf van tijd tot tijd ‘de jongen’ of ‘de zoon’ te noemen. De ‘troebele’ wereld van zijn moeder staat tegenover de ‘heldere’ wereld van zijn vader. Bij zijn vader (rector, muziekrecensent, zeven jaar in de regering met dienstauto) hoef je niet met emoties of gevoelens aan te komen. Van zijn moeder moet hij juist horen dat hij altijd ‘engelen’ om zich heen zal hebben, wat weerzin bij hem opriep. Zijn moeder voelde zich schuldig aan de onevenwichtigheid van haar zoon. ‘De jongen’ was een en al onrust en had ‘weigerachtige hersens’. Zij had ‘hoge idealen’ en kon neerkijken op mensen: ‘een heimelijk gevoel van morele superioriteit compenseerde haar gevoelens van minderwaardigheid’. In de omgang was ze een schuchtere en zachtaardige vrouw. ‘Helemaal niets wees op het niet minder dan vulkanische gevoelsleven dat in haar woedde.’ Hij hield als een ambivalente Oedipus van zijn moeder.

nog niet voltooid

Oek de Jong vertelt het alsof het ‘loswrikken’ nog niet helemaal voltooid is. Hij voelde altijd de onverenigbaarheid tussen zijn vader en moeder. Hij is gaan bemiddelen, heeft de een aan de ander uitgelegd en hij is ze gaan bekritiseren, heeft zich mateloos aan ze geërgerd: ‘Hij heeft soms dagen nodig gehad om van een ontmoeting met zijn vader of moeder te bekomen – ‘en hij is altijd als een kind van ze blijven houden’. Maar van zijn psychiater moest hij na zijn dertigste toch de navelstreng met zijn moeder ‘doorknippen’, zo maakte hij hem met een knipbeweging van zijn vingers duidelijk. Ze ‘voldeed niet’ en dat voelde zijn moeder want zij ‘voelde altijd alles’.

Dat De Jong nog auto wil leren rijden komt van zijn vader, dat hij ‘het altijd bewolkte innerlijk’ van zijn moeder toch wilde doorgronden, komt van haar.

Hoe vaag zijn moeder was, zo helder was zijn vader: ‘een leven met muziek en boeken, een scherp verstand, een veelomvattend geheugen, ambitie, hard werken, in de wereld staan’. Maar zonder gevoelens en emoties. Zijn vader voerde twintig jaar openlijke en onderhuidse strijd met zijn vrouw. Hij had geen idee wat er in haar omging. Dat De Jong nog auto wil leren rijden komt van zijn vader, dat hij ‘het altijd bewolkte innerlijk’ van zijn moeder toch wilde doorgronden, komt van haar. Dat ging zich uitstrekken tot hemzelf en de personages in zijn romans. Oek de Jong weet van het innerlijk.

De twee Renaults waarmee het gezin De Jong in zijn jeugd op zondag op pad ging brachten hen vaak naar de Zeeuwse stranden, speciaal die van Kamperland. Het ophalen van herinneringen aan zijn ouders en het besturen van de lesauto worden afgewisseld met oplichtende herinneringen daaraan, hoe ‘geweldig’ het daar was. ‘Het was vooral het zien van het licht, het felste en meest krachtige zonlicht dat hij kende, dat hem opwond. De zee werkte als een spiegel en smeet het zonlicht in weerkaatsing omhoog. Het was geweldig, elke keer weer: zo fel, zo intens, zo overweldigend. Het deed hem goed. Het deed ook zijn moeder goed. Hij zag het aan haar: haar gezicht lichtte op, ze snoof vol verrukking de zeelucht op.’

In Man zonder rijbewijs staat De Jong grotendeels boven het psychologisch loswrikken van zijn ouders, in ieder geval in de evocatieve manier waarop hij over ze schrijft. Om als een schrijvende Oedipus boven zijn vader uit te stijgen had hij zijn rijbewijs niet hoeven halen.

Man zonder rijbewijs door Oek de Jong is uitgegeven door Atlas Contact.