Wie zich verplaatst naar het zuiden van Nederland in het boze jaar 1576, in het bijzonder naar de ontwikkelde en gefortuneerde kringen in Antwerpen, krijgt te maken met de nog maar net uitgebroken Tachtigjarige Oorlog.
In 1576 vond de plundering en brandstichting van Antwerpen plaats die later bekend werd als de Spaanse Furie. De muitende Spaanse soldaten van Philips II hadden al lang geen soldij gekregen. Het trotse Stadhuis werd in brand gestoken, woonhuizen vernield, er waren honderden doden, hele fortuinen verdwenen.
Ook dat van Jacob Hoefnagel, handelaar in diamanten en luxe goederen. Hij was de vader van Joris Hoefnagel, schilder van wonderschone miniaturen van dieren en insecten, en van panoramische prenten van Europese steden. Hij ontvluchtte in dat jaar Antwerpen en de politiek-religieuze oorlog om een kunstreis door Europa te gaan maken met zijn vriend Abraham Ortelius, de cartograaf.
Wars van oorlog
Als ontwikkelde kunstenaar die een humanistische opvoeding had genoten, poëzie in het latijn schreef, verschillende talen sprak en meerdere instrumenten bespeelde, stortte Hoefnagel zich op de kunst en de natuur. Die waren grotendeels wars van oorlog en religieuze conflicten.
Alles werd gegoten in emblemen, symbolen, allegorieën en motto’s omdat men niet openlijk wilde uitkomen voor wat men dacht.
Dit zich nestelen in kunst en natuur in de context van een boosaardige wereld is het thema van het boek dat de Amerikaanse kunsthistorica Marisa Anne Bass schreef over Hoefnagel en zijn rol in het intellectuele en kunstzinnige leven in het laatste kwart van de zestiende eeuw: Insect Artifice. Nature and Art in the Dutch Revolt. De ‘Revolt’ van de titel is de Opstand tegen Philips II die de Lage Landen definitief katholiek wilde kerstenen, met geweld en de inquisitie.
Moreel, literair en intellectueel was het een tijd waarin niets op zichzelf stond, waarin alles extra betekenis kreeg door de invloed van de religie, de moraal, de oorlog en de politiek, ook in de kunst, hoe verborgen ook. Alles werd gegoten in emblemen, symbolen, allegorieën en motto’s omdat men niet openlijk wilde uitkomen voor wat men dacht.

Tekeningen en schilderijen zaten vol verhulde betekenissen. Alles stond voor al dan niet deugdzaam gedrag. Alleen al wat stengels met bloeiend graan op een tekening stond voor de Hoop. Een bij was niet alleen zichzelf als individu, maar ook lid van het grote bijenvolk. Een spin een wever van een verraderlijk (politiek) web. Een slang met de kop van een wereldbol stelde al snel Philips II voor. Een opgerolde egel vertolkte de angst van de hertog van Alfa, voorzien van de tekst Vis nulla sed error, ‘Geen kracht houdt stand als hij berust op angst.’ Praten was niet alleen iets zeggen, het gaf ook uitdrukking aan de ziel van de spreker. Hoefnagel voorzag zijn tekeningen ook ruim van veelzeggende citaten uit Ovidius, Homerus, Erasmus of de Bijbel.
Er werd uit gewoonte emblematisch gedacht. Toen Willem van Oranje in 1577 na lange afwezigheid de stad Gent aandeed werd hij aan de ene kant vergezeld door personificaties van de Moed, de Vrijheid, van Gods Genade en van Vaderlandsliefde, en aan de andere kant door Dood, Diefstal en Geweld, in de gedaante van de gehate Spaanse soldaten.
NAtura Magistra
Bijna alle kunstenaars, schrijvers en zelfs keizers leefden in die tijd aan de hand van een levensmotto, als een kompas. De schilder Jan van Eyck had als motto als ik can (‘Zo goed als ik kan’), de expansieve Keizer Karel V: Plus ultra (‘Steeds meer’) en Erasmus: Concedo nulli (‘Ik wijk voor niemand’). Hoefnagels vriend Lucas de Heere had Schade leer u (‘Tegenslag helpt’). Sterk beïnvloed door Erasmus wendde Hoefnagel zelf zich zo veel mogelijk af van de godsdienst en zijn twisten en nam de zekerheid van de natuur als leraar en motto: natura magistra.
Hoezeer Hoefnagel opging in het denken in symbolen, emblemen en motto’s is te zien aan het spel dat hij speelde met zijn eigen naam. Het is bijna op het ijdele en narcistische af hoe vaak hij de spijker (de nagel in zijn naam) en het hoefijzer afbeeldt op zijn tekeningen en gouaches. Een landschap krijgt op de voorgrond een stuk graniet waarop een grote spijker ligt waarin zijn naam is gegraveerd. Een miniatuur van kikkers is voorzien van een bedrieglijk echt (trompe-l’oeil) in het papier vastgepinde spijker, gesierd met de eerste letter van zijn naam.
Praten was niet alleen iets zeggen, het gaf ook uitdrukking aan de ziel van de spreker.
Hoefnagel kan de aanvechting niet weerstaan om zo maar ergens in een boom een spijker te slaan (te schilderen), als zijn handtekening. Hij maakte van zijn miniaturen het liefst een soort rebussen. Uit de bijgeleverde teksten spreekt vaak een neo-stoicijnse filosofie waarin het hoofd koel gehouden moet worden.
Duizenden dieren
De miniaturen van Hoefnagels bekendste werk De vier elementen aarde, vuur, lucht en water bestaan uit stillevens van vliegen, vissen, konijnen, libellen, uilen en slakken. Die staan voor de vierpotige, kruipende, vliegende en zwemmende dieren. Hoefnagel tekenende de vliegen en libellen met schaduw zodat het is alsof ze echt op het papier staan. Elk dier staat ook voor iets: een hollend konijn staat voor de angst die zijn poten vleugels geeft. Een eenvoudige uil belooft dat goede raad in de nacht komt (‘in nocte consilium’).
De vier elementen bestaat uit duizenden dieren die op driehonderd unieke miniaturen (16 x 18 centimeter) voorkomen, waarvan er 39 in het boek zijn afgedrukt. Ze kwamen in het bezit van hertogen bij wie Hoefnagel met behoud van veel vrijheid in dienst trad: Albrecht en Willem V van Beieren en de onbekrompen keizer Rudolf II in Praag. Die verrijkten er hun Wunderkammer mee.
Er waren niet veel mensen die deze miniaturen te zien kregen, maar hun roem verspreidde zich wel. Gewone mensen konden kennisnemen van Hoefnagels panoramische gezichten van Europese steden. Die stonden in de eerste atlassen van de wereld, zoals het Theatrum orbis terrarum van de vriend waarmee hij reizen maakte: Abraham Ortelius. Daarvoor maakte hij 93 ingekleurde gravures. Zijn hele leven werkte Hoefnagel ook mee aan Braun en Hogenbergs Civitates orbis terrarum, de grootste atlas van die tijd die tussen 1572 en 1618 in zes grote delen verscheen.
Onderlinge bewieroking
Marisa Anne Bass besteedt opvallend veel aandacht aan de vriendschappen tussen kunstenaars in die tijd. Nu zou men van onderlinge bewieroking kunnen spreken. De religieuze en politieke vijandigheden om hen heen moeten hen dichter bij elkaar hebben gebracht. Ze maakten vriendenboeken waaraan ze onderling bijdragen leverden, wat Bass ‘Monuments of friendship’ noemt.
Uitgerekend het liber amicorum voor Hoefnagel is verloren gegaan, maar die voor zijn vrienden Ortelius, Johannes Radermacher en Emanuel van Meteren zijn bewaard. Typerend is het ‘monumentje’ dat Lucas d’Heere voor Hoefnagel oprichtte: een tekening van een sirene met een januskop die verderf probeert te zaaien met haar vissenstaart en zang, voorzien van de opdracht: ‘Lucas d’Heere uit Gent schilderde dit voor de fameuze schilder en dichter Joris Hoefnagel als bewijs van zijn trouwe en altijddurende vriendschap.’
Elk dier staat voor iets: een hollend konijn staat voor de angst die zijn poten vleugels geeft. Een eenvoudige uil belooft dat goede raad in de nacht komt.
Wanneer Hoefnagel een gravure heeft gemaakt van Napels, waar hij samen met Ortelius is geweest, voorziet hij hem van de wat breedsprakige tekst: ‘Toen het zoete Napels ons beiden omhelsde en kuste stond jij naast mij bij het zien van al die miraculeuze dingen, jij mijn kompaan en ooggetuige.’
Er was niet alleen sprake van opvallend innige vriendschappen, er werd door kunstenaars onbekommerd veel van elkaar geleend en overgenomen. De dieren in De vier elementen zijn lang niet altijd door Hoefnagel met zijn eigen ogen gezien. Aan Bruegel de Oude ontleende hij de beroemde Bruegelse aap, aan Albrecht Dürer de vermaarde haas en de kever met zijn tentakels. Een vogel en een uil komen uit de gravures in Historiae animalium van Conrad Gesner uit 1551-58.
Hoefnagels insecten werden op zijn beurt in de zeventiende eeuw weer als voorbeeld genomen. Dat gebeurde op basis van de gravures die zijn zoon Jacob ervan had gemaakt. Ook was hij van grote invloed op het ontstaan van het stilleven.
Met hun motto’s hadden kunstenaars als Hoefnagel een dagelijkse morele leidraad om hun werk aan te toetsen en te rechtvaardigen.
Deel vier van De vier elementen (Vuur, Ignis) bestaat voornamelijk uit insecten. Dit deel wordt beschouwd als Hoefnagels origineelste bijdrage aan de vroegmoderne kennis van de natuur door de microscopische precisie. Hoefnagels invloed blijkt uit wat Outger Cluyt in 1634 schrijft in zijn studie over de eendagsvlieg: Hoefnagel (‘een uiterst vlijtige onderzoeker van de natuur’) heeft volgens Cluyt Plinius’ voorbeeld ter harte genomen en gezorgd ‘voor de herleving van het onderzoek naar de insecten.’ Zijn boek over de eendagsvlieg droeg Cluyt op aan professor Nicolaes Tulp, de chirurg op het schilderij De anatomische les van Rembrandt.
Hoefnagel had geen wetenschappelijke ambitie, maar zijn gouaches waren zo fijnzinnig en precies dat ze als voorwetenschappelijke afbeeldingen werden beschouwd. De werkelijke wetenschappelijke afbeeldingen kwamen van ‘encyclopedisten’ als Conrad Gesner en Ulisse Aldrovandi (De animalibus insectis libri septem, 1602).
Idolatrie
Als schilder aan het hof van Albrecht in München en Rudolf II in Praag schilderde Hoefnagel mythologische schilderijen en verluchtte hij met veel vrijheid manuscripten. Zijn motto natura magistra veranderde hij in genio duce (‘Genie als gids’), waarin ‘genie’ ‘het hoogste’ betekent en niet dat hij zichzelf een genie vond.
Met hun motto’s hadden kunstenaars als Hoefnagel een dagelijkse morele leidraad om hun werk aan te toetsen en te rechtvaardigen. Ze stonden onder politiek-religieuze druk en moesten hun bestaan verdedigen tegen mensen als Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, die een streng calvinistische afkeer had van afbeeldingen. Die zouden Gods schepping neerhalen en aanleiding geven tot ‘idolatrie.’
In München moest Hoefnagel katholiek worden van hertog Willem V, maar dat wilde hij niet. Hij was een onafhankelijke weetlustige kunstenaar die als banneling in de geest van Erasmus overal thuis was. Hij paste daarom beter bij Rudolf II in Praag, die had een zwak voor zulke kunstenaars. Hoefnagel vereenzelvigde zich liever met Ovidius die in ballingschap zijn Tristia schreef. Hij was dan wel verbannen, schreef die, maar hij had genoeg kracht en wapens van de muzen gekregen om te overleven. Tot op de huidige dag.
Insect Artifice. Nature and Art in the Dutch Revolt door Marise Anne Bass is uitgegeven door Princeton Universty Press.


Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.