Het begon allemaal aan de Marktstraße 159 in Krefeld, een voormalig schoolgebouw uit de tijd van de Duitse keizer Wilhelm II. Op de hoek zit Vietnamees restaurant Dragon, even verder de Akropolis Grill en op een steenworp afstand het Kaiser Wilhelm Museum. Als argeloze toerist zou je zo aan het schoolgebouw voorbijlopen. Toch is hier wereldgeschiedenis geschreven. Door zestig amateur-entomologen – insectendeskundigen.

Op 18 oktober vorig jaar verscheen in het wetenschappelijke tijdschrift Plos One een publicatie van de Entomologischer Verein Krefeld in samenwerking met de Radboud Universiteit en de Universiteit van Sussex waaruit bleek dat de afgelopen 27 jaar vijfenzeventig procent van de insecten is verdwenen. En dat was groot nieuws. ‘Driekwart insecten verdwenen, landbouw mogelijk boosdoener,’ kopte de NOS, ‘Dramatische afname insecten, reden tot zorg,’ stond er boven het artikel in de Volkskrant. Bij The Guardian gingen ze nog een stukje verder. Daar waarschuwde de Britse ecoloog Dave Goulson van de universiteit van Sussex, die heeft meegewerkt aan het onderzoek, voor niets minder dan een aanstaand ‘ecologisch armageddon’.

De hele wereldpers kwam langs

Negen maanden na de publicatie is het bij de Entomologischer Verein nog steeds een komen en gaan van journalisten.

‘We dachten dat het na twee maanden wel zou stoppen, maar er komen steeds maar nieuwe golven journalisten.’

Via krakende houten trappen gaat de tocht omhoog naar de klaslokalen. De ramen zijn verduisterd om het zonlicht buiten te houden – door de uv-straling kunnen de opgeprikte insecten verbleken. Verderop staat een filmploeg van de Noorse nationale omroep NRK opnames te maken, er is een verslaggever van de Duitse editie van het Greenpeace Magazine en een Australische freelancer. Entomoloog Martin Sorg (63), type Koos Koets (lange grijze haren, rond brilletje, spijkerbroek, wandelschoenen), ontvangt de verzamelde pers. Hij rolt sjekkies en wipt van de ene voet op de andere als hij zijn betoog doet. ‘We hebben jullie allemaal op dezelfde dag laten komen, anders komen we helemaal niet meer aan werken toe,’ zegt Sorg quasi-mopperend. Hij vertelt dat de telefoon roodgloeiend stond na de publicatie in oktober, de hele wereldpers kwam langs. ‘We dachten dat het na twee maanden wel zou stoppen, maar er komen steeds maar nieuwe golven journalisten. Nu zijn jullie hier, komend weekend komt een verslaggever van New York Times magazine. En ook de New Yorker staat binnenkort op de stoep voor een groot verhaal.’

insecten
De veenmol

De Entomologische Vereniging bestaat sinds 1905. Aan de muur hangen foto’s van leden uit vervlogen tijden. Op dit moment zijn het zestig mannen en vrouwen die uit liefhebberij het rijk der insecten bestuderen. Naast hun vrijwilligerswerk zijn ze leraar, wetenschappelijk medewerker of elektrotechnisch ingenieur. Zelf wil Sorg, een gepromoveerde bioloog, niet vertellen wat hij in het dagelijks leven doet. ‘Alle journalisten vragen naar onze persoonlijke verhalen, maar daar zeggen we niets over. We werken hier als groep en zo treden we ook naar buiten.’

Sorg toont eindeloze rijen opgeprikte insecten in keurig getimmerde houten kastjes, planken vol. Ook uit lades verschijnen kevers, vlinders, wespen en vliegen. In totaal werden in de afgelopen 113 jaar maar liefst één miljoen geprepareerde insecten verzameld en zijn er nog eens tientallen miljoenen op alcohol gezet. ‘Die hebben we nooit geteld.’

De insecten worden in natuurgebieden gevangen met zogenaamde malaisevallen, gazen tentconstructies waar aan de top (die gericht staat op het zuiden) een opening is gemaakt. Aan die opening is een plastic fles gebonden met daarin een laag alcohol. De insecten zoeken een uitweg, vliegen in de richting van de zon, raken boven in de fles bedwelmd door de alcohol en vallen in de vloeistof.

Streng protocol

Entomologen zijn doorgaans vooral geïnteresseerd in het vaststellen van soorten, maar in Krefeld kwamen ze op het idee om ook de zogeheten biomassa van insecten te wegen. Wereldwijd is dit het enige onderzoek dat op deze manier, over zo’n lange tijd en met zulke Deutsche Gründlichkeit is gedaan.

Om de precieze metingen te kunnen doen, ontwikkelde Heinz Schwan, vicevoorzitter van de vereniging en een liefhebber van vlinders, een streng protocol waarvan de afgelopen 27 jaar niet werd afgeweken. Hij laat zien wat hij al die jaren heeft gedaan, staand achter een grote houten tafel. Voor hem een plastic fles, afkomstig uit zo’n malaiseval, vol vliegen, wespen, bijen, vlinders en andere insecten. Hij keert de fles om boven een zeef, waarna de alcohol uit de insectenmassa in een conische laboratoriumfles loopt en de insectendrab achterblijft. Naast Schwan ligt een stopwatch. Pas als er een interval van meer dan tien seconden is tussen de druppels alcohol, is de massa voldoende uitgelekt en kan er gewogen worden.

In 1994 vingen ze een grote fles vol insecten, in 2016, op dezelfde locatie, een veel kleinere: in één oogopslag is te zien hoe dramatisch het aantal insecten is afgenomen.

In 2013, vertelt Schwan, ontdekten ze in Krefeld dat er sprake was van een enorme afname van de hoeveelheid insecten. Ze merkten dat op toen ze teruggingen naar een van de plekken waar ze in 1989 insecten hadden gewogen volgens de nieuwe methode. Was dit toeval? Schwan, Sorg en de andere entomologen gingen terug naar meer plaatsen en de uitkomst was steeds hetzelfde. Over hun bevindingen publiceerden ze in 2013 al een eerste artikel, dat wel in de Bondsdag werd besproken maar internationaal niet veel reuring veroorzaakte.

Dan gaat Martin Sorg de verzamelde pers voor naar boven, waar eindeloze rijen genummerde kartonnen dozen staan met daarin flessen vol insecten op alcohol, die al sinds 1989 op systematische wijze worden gearchiveerd. Uit een van de dozen komen twee flessen, een grote met insecten die in 1994 zijn gevangen, en een veel kleinere met de vangst op dezelfde locatie onder dezelfde omstandigheden uit 2016. Zo is in één oogopslag te zien wat er de afgelopen decennia is gebeurd: een dramatische afname van het aantal insecten.

insecten
Het vliegend hert
Visionair

‘Wat ze in Krefeld hebben gedaan, is echt visionair,’ zegt ecoloog Hans de Kroon van de Radboud Universiteit in Nijmegen. ‘Je moet maar het geduld hebben om dertig jaar lang alles op precies dezelfde manier te doen.’

De afgelopen jaren werkte De Kroon nauw met Martin Sorg en zijn collega’s in Krefeld samen, wat uiteindelijk uitmondde in de publicatie in Plos One. De Duitsers kwamen met De Kroon in contact in 2014, na een publicatie in Nature waarin de Nijmeegse ecologen stelden dat insectenetende vogels het slechter deden in gebieden waar in het oppervlaktewater meer neo-nicotinoïden aanwezig waren. Neo-nicotinoïden zijn insecticiden die sinds de jaren negentig op zeer grote schaal worden gebruikt. Ze worden als coating aangebracht op plantenzaadjes en zorgen ervoor dat de hele plant van de wortels tot de nectar dodelijk giftig is voor alle insecten. Onlangs zijn drie soorten neo-nicotinoïden door de Europese Unie verboden.

De Kroon: ‘In de eerste contacten die we met de mensen in Krefeld hadden, toonden ze zich heel bezorgd over de afname van de insecten. Wij vroegen ons toen nog af hoe ernstig het was. Je hebt wel een onderbuikgevoel, je ziet dat er minder insecten op de ruiten van je auto zitten na een lange rit, maar er was nooit iets wetenschappelijk bewezen. Ze zeiden: kom maar bij ons kijken, we begrijpen niet wat er gebeurt.’

Het kwam tot een intensieve samen­werking.

Impact

Een maand voor de verschijning van het Duitse onderzoek kwam in Wageningen het bestuur van het Netherlands Ecological Research Network (NERN) bij elkaar. De stemming was zorgelijk. Ze spraken over de schokkende achteruitgang van de weidevogels en de algemene verarming van diversiteit in landbouwgebieden en in de openbare ruimte. Koos Biesmeijer van Naturalis uit Leiden en de Universiteit van Amsterdam was bezig met de Nationale Bijenstrategie, waarmee aandacht zou worden gevraagd voor de dramatische afname van bestuivende insecten. De Groningse hoogleraar Han Olff praatte de aanwezigen bij over de activiteiten van werkgroep de Grauwe Kiekendief, die zich bekommert om de laatste nog in Oost-Groningen broedende paartjes.

‘We moeten echt naar een systeemverandering in de landbouw.’

‘Het moet toch anders kunnen in Nederland, we moeten echt naar een systeemverandering in de landbouw,’ vat NERN-voorzitter Louise Vet, de stemming van destijds samen. De aanwezigen waren het er over eens dat ze als ecologen meer naar buiten moesten treden met hun onderzoeksresultaten, dat ze de alarmerende uitkomsten van hun onderzoeken niet alleen moesten publiceren in wetenschappelijke tijdschriften, maar ook moesten kijken of ze partijen bij elkaar konden brengen. Niet als activisten, want dat zijn ze niet, maar als intermediair proberen partijen die gewoonlijk tegenover elkaar staan met elkaar in gesprek te brengen. Han Olff stelde voor om zo spoedig mogelijk een volgende bijeenkomst te organiseren met vertegenwoordigers van boeren, overheid en bedrijfsleven.

Eén punt bleef die dag onbesproken: de mogelijke impact die de Duitse studie naar de afnemende insectenpopulaties zou hebben. Dat was niet zo vreemd, want al in mei 2017 was er in het wetenschappelijke tijdschrift Science een artikel verschenen onder de titel ‘Where have all the insects gone?’ gebaseerd op onderzoek uit 2013, dat alle ecologen aan tafel hadden gelezen.

In dat stuk stonden nog niet de alarmerende cijfers die nu bekend waren, en de Science-publicatie had niet veel gedaan in de media. De verwachtingen over de impact van de nieuwe Duitse studie waren dan ook niet hoog. ‘Ik dacht: dat levert een leuke publicatie op in de krant op pagina zeven, of in de wetenschapsbijlage,’ zegt hoogleraar Hans de Kroon van de Radboud Universiteit in Nijmegen, medeauteur van het onderzoek. Dat pakte dus héél anders uit.

Kamervragen

De publicatie leidde tot een wereldwijde mediastorm. Han Olff: ‘Er werden Kamervragen gesteld, natuurorganisaties kwamen met reacties, televisie en radio besteedden aandacht aan de verdwijnende insecten. We zagen al die publiciteit als hét moment om door te pakken, als een vliegwiel om te komen tot wat we onder elkaar het “deltaplan biodiversiteitsherstel” hadden gedoopt.’

In de aanloop naar de volgende bijeenkomst, op 21 november, werd er veel overlegd. ‘We wilden niet dat iedereen daar bij elkaar zou komen en met plechtige stem zou zeggen dat er echt wat moest gebeuren,’ zegt Olff. ‘We moesten van tevoren bedenken wat we wilden gaan doen. Tijdens de bijeenkomst konden we dan de puntjes op de i zetten.’ Dat lukte. Wat volgde was een samenzijn in congrescentrum Antropia (‘het eerste klimaat-neutrale congrescentrum van Nederland’) waar de partijen elkaar in de armen vielen. Voorzitter Marc Calon van de boeren en tuindersorganisatie LTO Nederland en Bas Rüter van de Rabobank – beiden vertegenwoordigers van organisaties die decennialang maximalisatie van de landbouw hebben gepropageerd – zaten zij aan zij met mensen als Nel Sangers van de Werkgroep Grauwe Kiekendief, Teo Wams van Natuurmonumenten en Fred Wouters, directeur van de Vogelbescherming. In ‘de verklaring van Driebergen’ spraken alle partijen hun zorgen uit over ‘de aanzienlijke afname’ in de laatste decennia van ‘de aantallen en biodiversiteit van bodemleven, bloemplanten, insecten en weide- en akkervogels, zowel in het agrarisch gebied als in de natuurgebieden’.

Besloten werd om ‘kwartiermakers’ aan te stellen die moesten komen ‘tot concrete, tijdgebonden en effectieve maatregelen gericht op biodiversiteitsherstel in Nederland’. In een persverklaring na afloop herhaalde LTO-voorzitter Calon dat ‘diverse soorten planten en dieren in Nederland onder druk staan’ en bepleitte hij ‘een vernieuwende aanpak’ die ‘het best in samenwerking kan worden bereikt’.

Was hier sprake van een opmerkelijke draai van de boeren- en tuindersorganisatie?
Jazeker.

De landbouw staat aan de vooravond van een kanteling. ‘We willen een substantiële bijdrage leveren aan het herstel van de biodiversiteit.’

In een telefonische toelichting zegt LTO-bestuurslid Ingrid van Huizen, belast met natuur- en landschapsontwikkeling dat ‘de landbouw aan de vooravond van een kanteling’ staat en dat haar opvatting gedragen wordt ‘door het hele bestuur’. Huizen: ‘We erkennen dat we als boeren een van de veroorzakers zijn van het verdwijnen van de biodiversiteit op het platteland. We willen met minder chemie gezond voedsel produceren, we moeten toe naar een meer circulaire landbouw, we willen een substantiële bijdrage leveren aan het herstel van de biodiversiteit.’

Een laag statistiek

Ondanks de grote eensgezindheid was niet iedereen overtuigd. In de Basler Zeitung verscheen een artikel met als kop ‘Die Propaganda mit dem Insektentod’. En in Nederland leverden de entomologen Kees Booij en Theodoor Heijerman in een artikel op de website van Nemo Kennislink fundamentele kritiek op de naar hun mening gebrekkige statistische onderbouwing van het artikel. Volgens het tweetal waren onder meer op een te beperkt aantal plekken metingen gedaan. Booij stelde in een interview dat ‘de zwakheden van het onderzoek zijn verborgen onder een laag statistiek’. Als driekwart van de insecten verdwenen was, hoe kon het dan, zo vroeg Heijerman zich af, dat de supermarkten vol met appels lagen, de heide nog steeds paars is en de gierzwaluwen elk jaar weer terugkomen? Heijermans: ‘Er is geen enkel ecosysteem in elkaar gestort’.

Die kritiek viel goed bij Aalt Dijkhuizen, voorzitter van topsector Agri & Food, voormalig voor­zitter van de raad van bestuur van de Wageningse Universiteit en al decennia pleitbezorger van de intensieve landbouw met gebruik van hoogwaardige technologie. Hij stelde op Twitter dat het Duitse rapport ‘van geen kant bleek te kloppen’, maande Trouw, de Volkskrant en Buitenhof – die uitgebreid over de kwestie hadden bericht – ‘terug te keren naar de feiten’ en vroeg zich af of sprake was geweest van ‘een geregisseerde actie of objectieve journalistiek’.

insecten
De beekoeverlibel
Tjonge jonge wat een agressie

Minister van Landbouw Carola Schouten verzocht mede naar aanleiding van de kritiek van Booij en Heijerman de Universiteit Wageningen nog eens te kijken naar de verontrustende resultaten uit Krefeld. Het Duitse onderzoek bleef overeind, zo bleek in maart van dit jaar: het werd ‘robuust’ genoemd. En: ‘de resultaten vormen een belangrijk waarschuwingssignaal voor de slechte staat van de vliegende insecten in beschermde natuurgebieden’.

Hiermee werd elke twijfel over de wetenschappelijke waarde van het insectenonderzoek weggenomen. De Wageningse universitair hoofddocent Patrick Jansen kon het niet laten om Aalt Dijkhuizen – die eerder nog zo hoog van de toren had geblazen – fijntjes te wijzen op de uitkomsten van het onderzoek. ‘Uw oordeel over de studie was voorbarig,’ stelde Jansen op Twitter. ‘Excuses aan de onderzoekers van de Radboud Universiteit lijken me gepast’. Hij sloot af met een sarcastisch ‘en nog een hele fijne dag’. Dijkhuizen reageerde als door een wesp gestoken: ‘Tjonge jonge wat een agressie. Een (echte) wetenschapper onwaardig’. In een toelichting aan Vrij Nederland blijft Aalthuizen bij zijn standpunt dat het Duitse onderzoek ‘vraagtekens oproept’.

https://twitter.com/PatrickAJansen/status/990991910025224192

Ecoloog Han Olff is niet verbaasd: ‘Dijkhuizen staat voor de grote agribedrijven, is altijd een propagandist geweest van de intensieve landbouw. Maar in Wageningen en ook daarbuiten is de draai gemaakt. Dijkhuizen neemt tegenwoordig een minderheidsstandpunt in met het achterhaalde mantra dat de Nederlandse landbouw nu eenmaal de wereld moet voeden.’

Het verdienmodel aanpassen

Sinds januari wordt door vertegenwoordigers van de Rabobank, LTO Nederland, de supermarkten, natuur- en milieugroepen en wetenschappers in alle stilte gewerkt aan het deltaplan biodiversiteitsherstel, dat waarschijnlijk na de zomer wordt gepresenteerd.

‘Het grote gevaar is dat dit onderwerp wordt gepolitiseerd. Herstel van biodiversiteit is geen links of rechts onderwerp, het moet geen politiek speeltje worden.’

Volgens Louise Vet, in het dagelijks leven hoogleraar evolutionaire ecologie in Wageningen en directeur van het Nederlands Instituut voor Ecologie, gaat het om concrete plannen waarvan de effecten voor biodiversiteitsherstel meetbaar zijn. Politiek Den Haag wordt vooralsnog een beetje op afstand gehouden. ‘Het grote gevaar is dat dit onderwerp wordt gepolitiseerd,’ zegt Vet. ‘Herstel van biodiversiteit is geen links of rechts onderwerp, het moet geen politiek speeltje worden.’ De enige mogelijkheid tot succes ligt volgens Vet in een nieuw verdienmodel voor de landbouw waar alle partijen baat bij hebben. ‘We gaan niet met de vinger naar de boeren wijzen,’ zegt Vet. ‘De agrariërs zitten klem. Ze worden beloond voor maximalisatie van de productie en niet voor het produceren van maatschappelijke kwaliteit en biodiversiteit.’

Hoewel Vet nog niet concreet wil zeggen wat de plannen zullen behelzen, is de richting duidelijk: een meer natuur-inclusieve landbouw, wat aanpassingen vergt in de hele keten. En ja, de boer zal er ook in de nieuwe situatie een goede boterham aan moeten kunnen verdienen. Verder gaat het volgens Vet niet alleen om biodiversiteitsherstel in agrarische gebieden. Ook in de openbare ruimte en in natuurgebieden moet volgens haar nog veel gebeuren om de diversiteit aan flora en fauna te herstellen.

Ingrid van Huizen van LTO Nederland is positief over de afgelopen maanden. ‘Ik ben ervan overtuigd dat we met een resultaat gaan komen. Ook al is het een hele kluif. Iedereen ziet de urgentie, doet z’n best om elkaar te begrijpen.’ Maar ook Van Huizen benadrukt: ‘Als de samenleving meer biodiversiteit wil, kan de landbouw daar voor zorgen, maar daar zal dan wel voor moeten worden betaald door de consument.’

Biodiversiteitsmonitor

Ook directeur Duurzaamheid bij de Rabobank Bas Rüter is optimistisch over de kansen om de komende jaren te komen tot een transitie in de landbouw, en over de weg daarnaartoe.

In de melkveehouderij, die heel veel landoppervlak beslaat, is een systeem ontwikkeld om boeren over te laten gaan naar een milieuvriendelijker bedrijfsvoering. Hiervoor hebben de twee bedrijven in overleg met het Wereldnatuurfonds een biodiversiteitsmonitor ontwikkeld. Zo kan worden vastgesteld welke maatregelen leiden tot een gezondere bodem, minder uitstoot van broeikasgassen en meer weidevogels. ‘Melkveehouders die willen omschakelen naar minder chemie en minder kunstmest, willen we graag een gunstiger financiering geven. Dat model is helemaal uitontwikkeld, en het is goed te doen,’ zegt Rüter. ‘We kunnen ook denken aan een aparte lijn voor melk die op deze manier wordt geproduceerd, waarvoor de boer wordt beloond. Die melk zou dan ook iets duurder zijn in de supermarkt. We zouden dit model ook kunnen gebruiken voor een transitie in de akkerbouw.’

insecten
De bosparelmoervlinder
Sluipwespen en roofmijten

Een lichtend voorbeeld is de tuinbouw, waar voorheen veel bestrijdingsmiddelen werden gebruikt. De tuinbouw had veel last van insecten, die langzaam maar zeker resistent werden voor chemische bestrijdingsmiddelen. De ommekeer kwam toen ook de plagen in het gewas van komkommerteler Jan Koppert uit Berkel en Rodenrijs resistent werden en hij op zoek ging naar alternatieven. Hij begon te experimenteren met sluipwespen en roofmijten, die werden ingezet tegen de insectenplagen.

De tuinbouw is een lichtend voorbeeld: sinds jaar en dag is die helemaal gifvrij.

De rest is geschiedenis. Het gebruik van chemicaliën in de tuinbouw is sinds de introductie van biologische gewasbescherming enorm gereduceerd; bij de tomatenteelt is het zelfs met 90% teruggedrongen. Koppert Biological Systems is inmiddels een miljoenenbedrijf en marktleider op het gebied van biologische gewasbescherming in de tuinbouw. Het bedrijf onderzoekt nu de inzet van nuttige insecten in de akkerbouw. De omstandigheden zijn daar minder gecontroleerd dan in de tuinbouw. Insecten kunnen weglopen, omkomen of doodgaan door de weersomstandigheden. ‘We hebben al producten die in de akkerbouw kunnen worden toegepast. Maar we willen graag een volledige oplossing kunnen bieden. Op dit moment zijn we bezig met proeven,’ zegt Peter Maes, marketingdirecteur van Koppert. ‘We denken binnen een paar jaar oplossingen te hebben voor aardappels, bonen en andere soorten groenten en fruit.’

Hogere opbrengst

Het is een zonnige dag in de Flevopolder. Akkers strekken zich uit tot aan de horizon. Dit is het domein van Wijnand Sukkel, onderzoeker duurzame landbouw aan de universiteit Wageningen. Sinds acht jaar doen hij en zijn team onderzoek naar de zogenaamde ‘strokenteelt’. In Nederland is het gebruikelijk om wel tien tot veertig hectare van één gewas – tarwe, kool, aardappel of mais – te zetten, en dat dan met tussenpozen te wisselen. De zogeheten wisselteelt. Na de oogst wordt het land dan omgeploegd om onkruid en plantenresten kwijt te raken. Daardoor wordt alles wat in en op de bodem leeft vijfentwintig centimeter diep begraven. Alleen de pionierssoorten onder de insecten zullen op het omgeploegde land gedijen, en die moeten dan weer worden bestreden. ‘Als je allemaal planten van dezelfde soort hebt, kunnen de hoeveelheden schimmels of schadelijke insecten echt exploderen en moet je veel bestrijdingsmiddelen gebruiken,’ zegt Sukkel. ‘Met dit soort intensieve landbouw scoor je heel goed op effciëntie en kosten, maar een stuk minder op bijvoorbeeld bodemerosie, ondergrondverdichting en biodiversiteit.’

Sukkel laat zien hoe het anders kan. Op de akker staan uien en wortelen in stroken naast elkaar. ‘Mensen die moestuinen hebben, weten dat je dat moet doen. Door de uien landen de wortelvliegen niet op de peen.’

We lopen tussen de bedden met kool, tarwe en mais, allemaal in stroken van een meter of drie, vier, soms ook breder. ‘We experimenteren om de optimale omstandigheden te achterhalen,’ zegt Sukkel.

Voor hem staat vast dat er aan de strokenteelt veel voordelen zitten. ‘Ziektes verspreiden zich minder snel. Nuttige insecten die normaal een perceel niet in komen omdat het voor hen een woestenij is, zullen zich nu wel dieper op een hectare grond bewegen. En als er geoogst wordt, kunnen dieren van de ene strook naar de andere vluchten.’

Uit onderzoek van Sukkel blijkt dat de boer niet hoeft in te leveren op opbrengst. ‘Bij biologisch geteelde aardappelen halen we in strokenteelt een hogere opbrengst dan bij monocultuur.’

Kunnen de huidige grote combiners wel uit de voeten met de strokenteelt? ‘Dat is geen probleem, aan het einde van een strook moet je toch keren. Je slaat dan de stroken met andere gewassen over en gaat verderop weer terug.’

Een ramp

In 1962 publiceerde Rachel Carson het boek Silent Spring, een vlammend betoog tegen het gebruik van DDT in de landbouw. Het boek liet zien dat dit middel tot grote insectensterfte leidde. DDT werd daarna wereldwijd verboden in de landbouw.

Is met de publicatie van het Krefeld-rapport eenzelfde soort keerpunt bereikt? ‘Bij het gebruik van DDT stortte binnen vijf jaar de totale insectenpopulatie in, en verdwenen ook alle roofvogels,’ zegt Han Olff. ‘Het ging zo hard dat iedereen zich er van bewust was dat zich een ramp voltrok en dat er moest worden ingegrepen.’

De afgelopen dertig jaar was er sprake van een sluipende achteruitgang die inmiddels optelt tot die afname van 75 procent, en nu wordt allerwege een grote urgentie gevoeld om het tij te keren. Maar kan dat nog? Of stevenen we inderdaad af op een onomkeerbaar ‘armageddon’?

Hoogleraar Hans de Kroon: ‘Met begrippen als armageddon haal je de wereldpers, maar ik gebruik die term niet. Het is heel erg, maar we kunnen de situatie nog keren. Insecten hebben een enorme veerkracht, een groot reproductief vermogen. Als de omstandigheden goed zijn, zullen ze terugkeren. Het kan, als we het met z’n allen willen.’

Fotografie: Lonneke van der Palen
Assistent fotografie: Luna De Vittorio
Met dank aan Natuurhistorisch Museum Rotterdam