Arjen Fortuin zegt het aan de einde van zijn biografie over Gerrit Kouwenaar nog maar eens onomwonden. Benieuwd gemaakt door wat Kees Fens in 1995 schreef over Kouwenaars gedicht ‘men moet’ werd hij gegrepen door dat gedicht en meteen door het werk van Kouwenaar. Fens voorspelde dat de beginregels van dat gedicht zo maar klassiek zouden kunnen worden: ‘Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis/nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen.’ Fortuin draait er niet omheen: ‘Ik vond Kouwenaars werk prachtig, het zat boordevol gevoel.’ ‘Prachtig’ voor het als ‘moeilijk’ bekend staande werk van Kouwenaar, dat lees je niet vaak.
Zo klip en klaar als Fortuin hier laat weten dat Kouwenaars werk boordevol gevoel zat is daar in de loop der jaren in recensies en beschouwingen over Kouwenaars poëzie niet gedacht en geschreven. Het was steeds de vraag of Kouwenaar het zijn lezers niet te lastig maakte. ‘Moeilijk’ was het refrein in de besprekingen over zijn werk. Maar het bleef niet bij dat woord. Als het om Kouwenaars werk ging ontstond, wat Fortuin treffend noemt, ‘een welwillend niet-begrijpen’. Men begreep het niet, maar men dacht wel dat de dichter met iets bezig was dat op zich bewondering verdiende. Dat het gedicht ‘een ding’ was, bijvoorbeeld, zoals Kouwenaar aforistisch beweerde, en geen verzameling woorden, had de suggestie van iets heel diepzinnigs, iets Wittgensteiniaans zou je met de kennis van de tweede helft van de twintigste eeuw kunnen zeggen.
al het andere is tarra
Een van de verrassingen van de biografieën van Fortuin en Kusters is dat Kouwenaar nogal wat artikelen, essays, inleidingen, brieven en stellingen heeft geschreven waarin hij de bedoelingen van de Vijftigers en zijn eigen ideeën over poëzie uiteenzette. Die verschenen in de jaren vijftig her en der, maar vooral in Podium (waarvan hij redacteur was) en in een bloemlezing als Vijf 5 tigers, een boekje dat steeds maar werd herdrukt. Naast Simon Vinkenoog (de samensteller van de bloemlezing Atonaal), en Paul Rodenko (samensteller van het onvolprezen Nieuwe griffels, schone leien), was Kouwenaar minstens zo’n geducht theoreticus die de ontwikkelingen in de poëzie met essays begeleidde.
Rond zijn twintigste jaar (1943) was Kouwenaar eigenlijk al ‘klaar’ met het formuleren van de kern van waar het in poëzie voor hem om moest gaan. Hij was iemand met ‘inzichten’ aan het worden, schrijft Kusters. In brieven aan zijn vriend Oege van der Wal was hij behoorlijk uitgesproken. ‘Wij moeten het leven in scherpe persoonlijke objectieve belichting bezien’, schreef hij bewust paradoxaal in 1946. Dat persoonlijke en objectieve zal zijn leven als dichter gaan beheersen, het objectieve iets meer. ‘Ons uiteindelijke doel is au fond: het maken van een “gedicht”. Al het andere is tarra’, heet het. Dat gedicht heeft iets specifieks, is iets van bijzondere makelij: ‘Gemaakt door een subject, maar van die maker en diens accidenten, anekdotes en gevoelens (zo goed als) ontdaan’, vat Kusters samen.
‘Het is prachtig, dichter te zijn. Godverdomme Oege, je moet doorzetten.’
Kusters schrijft wijselijk tussen haakjes ‘zo goed als’ wanneer het gedicht van anekdotes en gevoelens moet worden ontdaan. Deed hij dat niet, dan was het niet te verklaren dat Kouwenaar tegenover Oege met zoveel hartstocht (gevoel) het dichterschap verdedigt. Met wat restanten aan puberale bluf krijgt Oege nauwkeurige instructies: ‘Het moet zo worden, dat iedere stap, die je zet, ook wordt gezet met het grote bewustzijn: ik ben dichter! Lees veel poëzie, en bovendien, wat ik je wil aanraden, maak aantekeningen van alles wat je dagelijks denkt en ziet. Die éne procent inspiratie is een kus van de muze, maar zonder de rest, doe je niets en kun je met al je inspiratie gaan poepen. (…) Leef van en voor jezelf en de poëzie en laat de rest van de wereld barsten, – tenminste als dat in je wezen ligt, wat ik wel geloof. Laat je niet opwarmen door morele “principes”, – dat is alles maar een doekje voor het bloeden: de samenleving is rot, en zal het altijd blijven. Ik kan er ook niets aan doen of veranderen. Soit. Après nous le déluge! (…) Het is prachtig, dichter te zijn. Godverdomme Oege, je moet doorzetten.’
Kouwenaar had geen tekort aan klankborden voor zijn ideeën over de poëzie en de wereld. Zijn ouders leefden met hem mee. Zijn vader was oud-redactiechef van de NRC en wist hem na de oorlog een baantje te bezorgen bij de communistische krant De Waarheid. Met zijn schilderende broer David had hij een levendig en geestig contact. David daagde hem uit te reageren op zijn opstel ‘Hoe sta ik tegenover het leven oftewel De consequenties van een literaire romantiek.’ Daarin zette David zijn bezwaren uiteen tegen de ontaarding van het ‘ik’ en het individualisme. Gerrit vindt ook wel dat daar sprake van is, maar wil zijn eigen individualisme verdedigen tegen dat van ‘de grote massa’. ‘Ik wens nimmer mijn “ik” te vergeten’, schrijft hij. Hij wenst ‘niets anders te doen, dan binnen de subjectiviteit de objectiviteit van god te bereiken.’ Het individualisme dat slechts ‘zelfbevrediging’ is heeft voor hem afgedaan, hij is er in ieder geval ‘aan voorbij’, verzekerde hij David: ‘Ik ben een lyries poëet, die leeft in 1944! Weet dat!’
Juist dat ‘ik’ dat hij zo radicaal beschermt en nimmer wenst te vergeten zal in zijn poëzie geleidelijk aan transformeren tot de ‘men’ in het representatieve gedicht ‘men moet’, dat Fortuin meteen zo aansprak. De ‘men’ in het even gewone als surrealistische gedicht moeten niet alleen heel gewone dingen doen (‘men moet nog boodschappen doen voor het donker’), maar ook surrealistische: ‘de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder’. Er moet een vonnis geveld worden, maar voor wie? Een fotograaf moet de bloedplas gewezen worden. Men moet ‘zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen’. Juist dat ‘moeten’ van zulke vreemde dingen zorgt voor ontregelende verwarring. Bij elke regel sta je vragend stil.
gouden vuil
Het interessante aan de biografieën van Fortuin en Kusters (ze zijn allebei in een toegankelijke toonaard geschreven) zijn de tamelijk bruisende jaren veertig en vijftig die de aanloop zijn voor Kouwenaars sobere en koele dichterschap. Er was het nodige aan de hand op het gebied van relaties en liefde, stevige en losse vriendschappen, frequente bezoeken aan cafés en sociëteit De Kring. Kouwenaars liefdesleven zorgde voor boeiende, zelfanalyserende brieven, onder meer aan Jan Vrijman waarin hij, gezien zijn gevarieerde amoureuze geschiedenis, toegeeft ‘een grote egoïst’ te zijn en wellicht ‘teveel van mijzelf vervuld ben’ zoals vrienden hem zeggen. Dat is allemaal het geval tot hij bij Marga Minco en Bert Voeten de tekenares Tientje Louw ontmoet.
De uitspraak ‘Ik heb nog nooit van een vrouw gehouden’ verklaart hij dan in een uitvoerige brief aan Vrijman tot het verleden: ‘Narcissus exit. Amen!’.
Ondertussen werd er wel gewerkt (bij De Waarheid), maar ook proza en poëzie geschreven en, vanwege chronisch geldgebrek, ook een detectiveroman: Het mysterie van de bruine molières, die nooit gepubliceerd zou worden. Dat geldt ook voor een ander mooi niet gerealiseerd project met Jan Vrijman: de brievenroman Ten einde raad, eind jaren veertig over hun politieke standpunten. Kouwenaar (in de roman ‘Flip’) is blij in de oorlog het besef te hebben opgedaan (door een half jaar in de gevangenis in Amsterdam en Utrecht te hebben doorgebracht) van het bestaan van De Kleine Man voor hij kennismaakte met de ‘de grote lijn’ van het marxisme. Dat behoedde hem ervoor om louter in die grote lijn te gaan denken. Bovendien bevonden ze zich in een ‘gistende cultuur’ waarvan de nieuwe poëzie van wat de Vijftigers zouden worden duidelijk een afspiegeling is. De burgerlijke cultuur deed op hetzelfde moment alle moeite om in de jaren na de oorlog een restauratie van het vooroorlogse leven door te voeren.
Kouwenaar is geen dichter van de bevlieging. Hij voorzag mooie emoties van een ruwer oppervlak, zei Hans Andreus. Hij had een ‘geduldige vitaliteit’ meende Adriaan Morriën.
De gedichten die Kouwenaar zou gaan schrijven (door Kees Fens ooit ‘gedichten die zich moeilijk uitleveren’ genoemd), werden door hemzelf in het tijdschrift Kunst van nu begeleid met Stellingen van GK, geschreven twee jaar na zijn bundel zonder namen (1962). Het is manifestachtig proza: ‘Poëzie is niet iets dat zachter, weker, liever, hoger, bovenmenselijker of traniger is dan het zogeheten “leven van alledag”.’ Het particuliere had niets in de poëzie te zoeken, dat moest eraf geschraapt worden, tot er een kern overbleef. Poëzie schrijven is voor Kouwenaar ‘onthullen, ontdoen, ontwikkelen; het is dóórdringen in lagen, verborgen en wie weet wel beschermd door het gouden vuil van een achter babbelsluiers schuilgaande wereld.’
Kouwenaar is geen dichter van de bevlieging. Hij voorzag mooie emoties van een ruwer oppervlak, zei Hans Andreus. Hij had een ‘geduldige vitaliteit’ meende Adriaan Morriën. Hij was een ‘uiterst beheerst mens die zich probeerde te laten gaan’, vond Rutger Kopland. Al die kanten komen ter sprake in deze soms dóórdringende biografieën.
men moet, biografie van gerrit kouwenaar door arjen fortuin is uitgegeven door Querido.
Morgen wordt het voor iedereen maandag. De oorlog van Gerrit Kouwenaar is uitgegeven door Cossee.
verzamelde gedichten door gerrit kouwenaar is uitgegeven door Querido.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.