Het was een openbaring op huiskamerniveau, maar het mag wel een heuse epifanie genoemd worden: de ontdekking van het luciferdoosje door de man die aan het begin van het zesde hoofdstuk van Menno ter Braaks essay Carnaval der burgers zijn eerste sigaret wil opsteken en merkt dat zijn luciferdoosje leeg is. Hij kijkt met verbazing in de lege ruimte van het doosje, ziet min of meer voor het eerst waar ze vandaan komen (uit Uddevalla in Zweden) en staart naar het kraaloog van de zwaluw op de voorkant. ‘Zeker is,’ schrijft Ter Braak, ‘dat de man een ontdekking deed.’ De man blijft met zijn aandacht hangen boven het doosje en neemt het met vervreemde ogen in zich op. Na het jaren gebruikt te hebben is het is alsof hij het voor het eerst ziet. De gedachte bekruipt de man dat dit zien ‘weldadig was en verrijkend, zonder dat hij wist waarom.’

Toen Stefan Hertmans Carnaval der burgers en speciaal dit hoofdstuk herlas verbaasde hij zich over de lichtvoetige ernst van het boek en van dit voorbeeld van een keurige burgerman die een dichterlijke ontdekking doet, maar helaas daarna helemaal terugvalt in burgerlijkheid. Hij hecht er vrij snel verder geen waarde meer aan. Werd zijn grijze routine eens doorbroken door een keer écht te zien, laat hij het in de ochtendmist opgaan. Er is soms verschil tussen dichters en burgers.

Stefan Hertmans laat het niet in de mist opgaan. Het lezen van dit hoofdstuk zorgt ervoor dat hij de volgende dag Politicus zonder partij gaat herlezen. Wie hij dan leest is niet de man die door twee generaties is opgevoerd als de spil in de Vorm of Vent-discussie, maar ‘een vrij  actueel ogend filosoof. Gedreven door het besef dat waarheid een subjectief begrip is en dat men daar, bij gebrek aan beter, maar voor moet uitkomen, omdat objectieve waarheden niet bestaan.’ Ter Braak is voor Hertmans de man die na zijn dertigste ‘zijn identiteit tot de grond deconstrueerde, helemaal in de gloed van de aanvallen op het “waarachtig subject” die hij bij zijn bewonderde Nietzsche had gelezen.’

Dit herlezen van Ter Braak staat in een essay in De essays 1982-2022 van Hertmans, twee delen met zijn verzameld beschouwend proza, bij elkaar 1368 pagina’s met 156 essays, geschreven van 1982 tot 2022 en samengesteld in overleg met de schrijver Johan Reyniers. Het essay over Ter Braak valt op omdat Hertmans zich doorgaans verwant voelt met de generatie die niet met Ter Braak en Du Perron is opgevoed. Die schrijvers, filosofen en essayisten, die poststructuralisten, deconstructivisten of postmodernisten werden genoemd, begonnen rond 1970 te publiceren. Ter Braak, die was voor hen twee generaties geleden.

Maar dat was niet goed gezien. Ter Braak en Du Perron waren dan wel geen postmodernisten, maar wel modernisten, met alle typisch modernistische eigenschappen en preoccupaties, zoals individualisering, zelfreflectie, zelfkritiek (wat Hertmans ‘deconstructie’ noemt), polemiek, twijfel, cultuurkritiek, het onbehagen van het subject, ideologiekritiek, antifascisme. Het zijn deze eigenschappen die door het postmodernisme van Jean Baudrillard, Jacques Derrida e.a. werden geradicaliseerd. Maar die radicalisering van de twijfel of ambivalentie waren helemaal niet nodig. Het modernisme was al postmodern genoeg, en dat van Ter Braak helemaal. Hij was zijn tijd vooruit. Vandaar dat Hertmans zich thuis voelde bij het herlezen van Politicus zonder partij.

het onkruid van de hedendaagse dilemma’s

Hertmans is niet te beschouwen als een onkritisch sympathisant van het poststructuralisme of postmodernisme. Daarvoor ligt het postmodernisme al weer te veel achter ons en is Hertmans te veel een eclecticus, iemand die het materiaal waarmee hij denkt en de literatuur waarmee hij leeft overal vandaan haalt. Misschien is het beter hem een nomadisch essayist te noemen, dat is het woord dat in de plaats komt van het verdwijnende steeds ieler wordende postmodernisme. De nomade is de nieuwe denkende zwerver die probeert te ontkomen aan een vaste identiteit. Hij is goed opgeleid en uitgerust met het juiste merk rugzak, met de betere wandelschoenen. Hij is zich er wel van bewust dat de wereld van de technologie en de digitalisering met alle romantische en humanistische noties in zijn benen en hoofd spot. Hoe graag hij ook louter de denkende nomade zou willen zijn, er moet gekampeerd worden in het onkruid van de hedendaagse dilemma’s.

De erudiet Hertmans heeft de tegenwoordigheid van geest zich te realiseren dat er een koninklijke uitweg moet zijn om soms uit de ‘helse actualiteit’ te komen – anders is het niet uit te houden.

Het aanschaffen en lezen van Hertmans twee delen essays is geen kinderachtige daad. Maar je bent dan wel waar het hedendaagse denken plaatsheeft, de recentste literatuur, muziek, kunst, filosofie en van al deze genres het interessantste. Het verplicht om een diepe duik te nemen in deze veertig jaar aan leven en denken. Als nomade en eclecticus, als observator, beschrijver, criticus en omnivoor probeerde Hertmans zich al die veertig jaar lenig te houden door zowel Balzac als Houellebecq te lezen, theoretici als Jacques Derrida en Jean Baudrillard, zowel Elsschot als Hugo Claus, zowel Roberto Calasso als W.G. Sebald, zowel Jürgen Habermas als Peter Sloterdijk.

Het is geen penser pour penser (een soort droogdenken) dat hier plaatsheeft, er staat altijd paradoxaal wél en niet iets op het spel. Niet omdat het lezen en denken ook een vrijplaats is en moet zijn om literatuur te kunnen ondergaan, ideeën te laten cirkelen en te laten stoven. En er staat wél iets op het spel omdat de urgentie van de wereldgebeurtenissen niet toelaten laf zou zijn. Vandaar dat Hertmans zich begeeft in heikele literair-filosofische discussies, zoals die over Peter Sloterdijk en zijn mensenparklezing over het telen van nieuwe mensen. Over het niet bestaande cynisme van Michel Houellebecq. Over steeds de terugkerende vraag naar de betekenis van Walter Benjamin, zijn haat-liefde verhouding met George Steiner, de ruimhartige dichter en criticus Herman de Coninck, de cultuurkritiek van Thomas Mann, de verguizing en herwaardering van Theodor Adorno, de periodieke terugkeer naar Hölderlin, de opkomst van het populisme en de verrechtsing. De hang naar nationale zuiverheid, de migratie en het racisme.

Hertmans geeft vaak genoeg te kennen welke schrijvers of filosofen er voor hem uitsteken, zoals de schrijver van het betekenisvolle historische detail W.G. Sebald. Of de Italiaanse essayist Roberto Calasso, de ‘ongeëvenaarde ascetische stilist, die zijn brille ontleent aan trefzekere formuleringen gecombineerd met nieuwe inzichten die veelal het resultaat zijn van nauwkeurig onderzoek, waarvan hij de resultaten “en passant” voor onze voeten gooit. De ironische eruditie van Calasso heeft daardoor iets onweerstaanbaars en verfrissends.’

een vitale pessimist

De erudiet Hertmans die zich gevangen weet door deze vragen, dilemma’s en verlangens oproepende conflicten, discussies en polemieken heeft de tegenwoordigheid van geest zich te realiseren dat er een koninklijke uitweg moet zijn om soms uit ‘deze helse actualiteit’ te komen – anders is het niet uit te houden. Er moet ergens een aangename plek zijn, een locus amoenus, waar alles even tot rust komt. In een prachtig Calasso-achtig essay beloopt Hertmans het hele traject van arcadische plekken in de literatuur en echte geschiedenis, van het aards Paradijs, het renaissancistische Arcadië, via de hortus conclusus, de tuin van Voltaire, naar de niet bestaande, maar wel imaginair op te roepen locus amoenus, komt Hertmans uit bij de literatuur. De literatuur ‘schijnt zelf te suggereren dat je binnen de imaginaire ruimte moet verpozen om de helse actualiteit om je heen geestelijk nog enigszins aan te kunnen.’ Dat is het: dat de literatuur zelf suggereert dat je plaats voor haar moet maken.

In deze twee delen essays houdt zich een vitale pessimist op. Hertmans heeft het in het essay  ‘Over een mooi maar bedreigd plekje’ over de verbroken relatie tussen de mens en de natuur. Hoe langer we aan de natuur denken, hoe vreemder hij voor ons wordt, als iets waar we nooit toegang toe zullen hebben. Einde van de illusie dat men thuishoort in de natuur: volgens Hertmans is de mens is het wezen dat zichzelf uit dit Arcadië heeft verbannen, stomweg omdat hij heeft leren nadenken over wat aan hem verschijnt.’ Die aangename, maar bedreigde plek, de locus amoenus, bestaat dus helemaal niet, maar hij is wel eeuwig, in onze verbeelding. Net als Ter Braak deconstrueert Hertmans zijn darlings.

Essays 1982-2022 door Stefan Hertmans is samengesteld en van een nawoord voorzien door Johan Reyniers en in twee delen uitgegeven door De Bezige Bij.