Iemand nu een ‘kosmopoliet’ noemen is hem in andere tijden katapulteren, de tijd vóór de globalisering. Door wat er de laatste vijftig jaar allemaal is veranderd, is ‘kosmopoliet’ ineens voor ouderwetse degelijkheid gaan staan, voor een portemonnee met écht geld. Je ziet er een betrouwbaar iemand bij die met frisse wangen zijn blik op de wereld richtte en zich niet van zijn stuk liet brengen, geruggesteund als hij werd door een macht aan reisgeschiedenis en wereldse ervaring.
Er is geen speciale naam meer voor mensen die gretig in andere gewoontes, andere landen, andere culturen geïnteresseerd zijn (een globalist?). Men is nu al (digitaal) inwoner van de wereld voor men het weet. De wereld komt eenvoudig naar je toe, je hoeft er geen vinger voor uit te steken. Het is geen verdienste meer om verder te kijken dan je neus lang is.
Hangbuik van de wereldeconomie
Het is daarom vreemd dat Martha Nussbaum nu, in deze tijd van globalisering en mondialisering, The Cosmopolitan Tradition schreef, een boek over het ‘nobele maar onvolmaakte ideaal’ van het kosmopolitisme. Het is alsof je het nu nog, in tijden van de opkomst van de elektrische motor, gaat hebben over ‘de zegeningen van de benzinemotor’.
Het is vreemd, maar het doet toch niets af aan de blijvende allure van het kosmopolitisme. De charme van het kosmopolitisme, zich zelfbewust voor de wereld interesseren, heeft het begrip ‘globalisering’ in de verste verte niet. Globalisering, dat is een soort economische obesitas, de hangbuik van de wereldeconomie, log en geheel opgaand in handel en deals.
Dat is bij kosmopolitisme wel anders. Dat is een mentaliteit, een manier van denken en voelen die bij Nussbaum teruggaat tot Cicero en stoïcijnen als Seneca, twee filosofen die onfortuinlijk stierven, de een door moord in 44, de ander door gedwongen zelfmoord in 65. Dit geeft meteen al aan dat ze geen filosofen voor de filosofie waren, maar aan het echte leven deelnamen.
De traditie dat het belang van het individu en de menselijkheid op de voorgrond moet staan, blijft op de achtergrond altijd aanwezig.
Nussbaum zegt het onomwonden: de ciceroonse en stoïcijnse traditie heeft de wereld van de internationale relaties een aantal waardevolle concepten en idealen nagelaten waarin de activiteiten van individuen en regeringen worden bepaald en beteugeld door respect voor de menselijkheid (‘constrained by respect for humanity’).
Vorsten, landen en regeringen hebben zich er niet erg aan gehouden in de loop van de geschiedenis, maar de traditie dat het belang van het individu en de menselijkheid op de voorgrond moet staan, blijft op de achtergrond altijd aanwezig. En kwam tevoorschijn met het humanisme, tijdens de renaissance, tijdens de Verlichting en de Romantiek. En bij filosofen die Nussbaum als de voortzetters van de traditie beschouwt: Hugo de Groot met Het recht in oorlog en vrede, Adam Smith met De welvaart van landen en Immanuel Kant met Eeuwige vrede.
Voor Nussbaum is de kern van de traditie dat de wereld zou moeten worden gestuurd door transnationale wetten en niet door lokale toevalligheden en omstandigheden. Die wetten zouden sterk moeten profiteren van de vier kardinale deugden die Cicero in zijn politieke testament De officiis noemt: wijsheid, dapperheid, rechtvaardigheid en gematigdheid. Daarop zijn de morele wetten gebaseerd die zouden moeten gelden voor oorlog, vrede en internationale verhoudingen.
Daardoor, en door Cicero’s verzekering dat de broederschap van de menselijke soort het meest in overeenstemming is met de natuur, werd Hugo de Groot later, in het begin van de zeventiende eeuw, sterk beïnvloed. Al kon dat niet verhinderen dat Thomas Hobbes even later weer alle macht bij een absolutistisch vorst legde. Die mocht alleen over oorlog en vrede beslissen. Broederschap van de menselijke soort is misschien iets te hoog gegrepen, maar niet voor Nussbaum.
Het welzijn van alle mensen
Kosmopolitisme betekent bij Nussbaum iets heel specifieks. Het is de hele wereld overzien en constateren dat het welzijn van mensen nog op grote schaal te wensen overlaat. Kosmopolitisch is dan de morele verplichting voelen dat daar iets aan gedaan moet worden. Het rechtvaardigheidsgevoel van Nussbaum beperkt zich niet tot evident onrecht, maar strekt zich uit tot het welzijn van alle mensen. Zij wil Cicero aanvullen en corrigeren wanneer hij mensen wel autonome individuen laat zijn, maar ze dan aan hun lot overgelaat, bijvoorbeeld als ze arm zijn.
‘Geven om basale mensenrechten betekent geld uitgeven, geen mooie praatjes houden,’ schrijft Nussbaum.
Voor Cicero ‘snijdt armoede niet in het hart van de menselijkheid’. Volgens Nussbaum wel: hun ‘menselijke waardigheid’ is incompleet als ze geen schoon water hebben, geen behoorlijk onderwijs kunnen volgen, zich niet veilig voelen, geen sanitaire voorzieningen hebben en het met matige voeding moeten doen. ‘Geven om [deze] basale mensenrechten betekent geld uitgeven, geen mooie praatjes houden,’ schrijft Nussbaum. Er moet volgens haar een herverdeling komen van rijke naar arme landen. Dit soort hulp stoort zich kosmopolitisch niet aan nationale grenzen. Rechtvaardigheid schept verplichtingen. Het zou halfhartig zijn het wel over rechtvaardigheid te hebben, maar ‘the duties of justice’ niet in de praktijk te brengen.
Morele plicht
Door haar nuchtere en onverbiddelijke zorgzaamheid voor de hele wereld, dringt het maar langzaam door hoe vergaand radicaal Nussbaums ideeën zijn, zeker in een Amerikaanse context. Ver weg van de Trumpiaanse realiteit. Ze gaat er zonder meer van uit dat mensen die het beter hebben geld moeten inleveren voor mensen in andere landen die het minder hebben.
Nussbaum is op het patriottische af vóór de natiestaat, maar ze erkent geen grenzen als het om het tot ontwikkeling brengen van mensen gaat. Voor haar geldt alleen een transnationale moraal. Ze heeft een sterke utilitaristische kant. Nussbaum is een Florence Nightingale in de politieke filosofie. Ze hamert er voortdurend op dat rijkere landen de armere landen moeten helpen om een levensstandaard te bereiken die aan hun menselijke waardigheid tegemoetkomt, zodat er sprake kan zijn van ‘true flourishing’. Dat is conform de kosmopolitische traditie een morele plicht, die staat voor verder kijken dan het persoonlijke welzijn.
Nussbaum wil het sociaal tekort de wereld uit. Ze heeft het over de eerste en tweede generatie mensenrechten: de eerste was die van de politieke en burgerrechten, de tweede zal die van de economische en sociale rechten moeten zijn. ‘Humanity is being violated daily’ zolang er nog ergens mensen zijn die niet alle basale voorzieningen hebben (schoon water, ouderlijke zorg, onderwijs).
Iets te gretig
Nussbaum is bijzonder goed in nudging, in het uitoefenen van zachte dwang. Haar kosmopolitisme mondt uit in boeken als Politieke emoties en Mogelijkheden scheppen waarin ze voorstellen doet aan alle overheden ter wereld. Met de econoom Amartya Sen heeft zij ooit een lijst van tien punten samengesteld waarin staat wat nodig is voor mensen om een fatsoenlijk leven te leiden. Daarmee confronteert ze overheden. Die hebben volgens haar ‘de taak om mensen in staat te stellen om een waardig en minimaal florerend leven te leiden.’
Nussbaum gaat ervan uit dat mensen het niet alleen kunnen, dat ze voor het floreren van hun bestaan structureel hulp nodig hebben. ‘Een fatsoenlijk politiek bestel dient burgers te voorzien van die tien essentiële vermogens’ (‘capabilities’). Zoals: in staat zijn een ordelijk leven te leiden, lichamelijk gezond te zijn, te kunnen denken en verbeeldingskracht te bezitten, gevoelens te hebben en die te kunnen uiten, over praktische rede te beschikken, sociale banden te kunnen onderhouden, te kunnen lachen en spelen, en politieke keuzes te kunnen maken.
Het is een sterk en tot de verbeelding sprekend lijstje. Maar is Nussbaum niet iets te gretig? Ze zegt de lijst niet te willen gebruiken ‘als wapen om recalcitrante landen tot gehoorzaamheid te dwingen’, maar het heeft er toch veel van weg. Het is ook heel dwingend dat Nussbaum haar werk met ‘energy, attachment and pleasure’ doet aan de hand van een ‘ethical framework’. Dat is mooi, maar ook wel veel frame. Ze vindt dat er nog veel werk gedaan moet worden op het gebied van de ‘moral psychology’. Dat heeft iets griezeligs, een moraal die zo maar uit psychologie voortkomt en niet uit rationale keuze.
Hoe razend intelligent Nussbaum ook is, ze holt zichzelf ook voorbij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.