Als er één zin in het werk van de stoïcijnse filosoof Epictetus nu van toepassing is, dan is het de allereerste in zijn zogeheten Handboekje, de samenvatting van zijn colleges in 53 fragmenten: ‘De werkelijkheid is in twee categorieën te verdelen: wat wel in onze macht ligt en wat niet in onze macht ligt.’

Epictetus vond dat we al onze aandacht en energie moesten richten op wat wel in onze macht ligt. Het uitbreken van een ramp als de corona-epidemie onttrekt zich aan onze macht. Dat moeten we buiten ons bewustzijn plaatsen en niet over piekeren. Verspilde moeite. Maar op het verloop van de pandemie kunnen we wel invloed hebben.

Het stoïcisme is de filosofie die vanzelfsprekend tevoorschijn komt bij een epidemie. Die kan alleen stoïcijns worden uitgezeten, ‘met berusting en aanvaarding’. Het stoïcisme is de filosofie van geen kik geven onder moeilijke omstandigheden, van de kaken op elkaar en geen gejammer en zelfbeklag. De stoïcijnen waren ook goed in het benoemen van ballast, dingen die er als het er op aankwam niet toe deden.

Onverstoorbaar, onaantastbaar en onkwetsbaar

Bij Epictetus vallen nog al eens woorden als ‘onverstoorbaar’, ‘onaantastbaar’ en ‘onkwetsbaar’, zelfs in de titel van het boek waarin al zijn werk is verzameld: Vrij en onkwetsbaar. Onkwetsbaar moet je zijn of zien te worden. Om dat te bereiken maakte hij die tweedeling tussen wat zich wel en niet in je macht bevindt. Wat niet binnen je macht ligt is ziekte, dood, je baan, ongeluk, je reputatie en je lichaam. Daar ben je grotendeels aan overgeleverd. Daar moet je je onkwetsbaar voor maken. Het bevindt allemaal buiten je.

Wat niet binnen je macht ligt is ziekte, dood, je baan, ongeluk, je reputatie en je lichaam. Daar ben je grotendeels aan overgeleverd.

Van binnen en wél van jou zijn je opvattingen, je verlangens, overtuigingen, impulsen en je ‘streven’. Die bevinden zich in je brein, in je geest of je ziel. Daar kan niemand bij, of je zorgt dat niemand erbij kan. Daar bevindt zich ook ‘je ware ik’, de ik die in staat is tot het maken van persoonlijke morele keuzes die helemaal van jou alleen zijn. Die zorgen voor je autonomie.

Vandaar dat voor Epictetus het belangrijke deel van de mens zich in de geest bevindt, het lichaam en al het uiterlijke is bijzaak. In de geest is het het verstand, beter gezegd de rede, die het voor het zeggen heeft. Die rede laat bij voorkeur geen emoties toe, die blokkeren het denken maar. Het volledig onderdrukken van emoties (apatheia) werd door andere stoïcijnen als Seneca en Marcus Aurelius als heilloos losgelaten, maar de ascetische Epictetus kon er geen afstand van doen: ‘De wijze stoïcijn laat zich in zijn handelen niet beïnvloeden door gevoelens van pijn, verdriet, vrees, begeerte of genot.’

de harde hand van epictetus

Met Epictetus hebben we te maken met de geduchtste van de stoïcijnen. In vergelijking met Zeno, Seneca en Marcus Aurelius filosofeerde hij met de harde hand. Als filosoof en leraar die mensen iets bij wilde brengen was Epictetus een combinatie van Socrates (een steller van vragen), Diogenes (de sarcastische verwijter) en Zeno (de wijze leraar).

Epictetus’ bedoeling was altijd de controle te houden, zich niet te laten meeslepen door sentimenten, niet van streek te raken. Wanneer hij zijn kind kuste bedacht hij op hetzelfde moment hoe sterfelijk het was: ‘Komt die ooit te overlijden, dan raak ik niet van streek.’ Epictus kon alleen maar iets willen dat hem niet afhankelijk maakte, door ‘niets te wensen of te vrezen wat van anderen afhangt’.

Het was ook niet de bedoeling dat het leed van een ander hem innerlijk raakte. Dat leed valt vanuit een ander gezichtspunt misschien wel mee, dacht hij cynisch. ‘Genot’ kwam in de woordenschat van Epictetus niet voor, dat was meer iets voor epicuristen. Hij mocht zich er alleen op verheugen dat hij zich van genot had onthouden. Gesprekken moesten voor Epictetus over ‘gepaste onderwerpen’ gaan en niet over koetsjes en kalfjes als ‘gladiatoren, paardenraces, atleten of eten en drinken.’ En ‘schrap alles wat gericht is op uiterlijk vertoon en luxe.’ En hecht je nooit ergens aan. Dat maakt je tot slaaf. ‘Lach niet zoveel en ook niet over al te veel dingen.’ Bezoek geen feestjes van ‘onbeschaafde mensen.’

Gesprekken moesten voor Epictetus over ‘gepaste onderwerpen’ gaan en niet over koetsjes en kalfjes als ‘gladiatoren, paardenraces, atleten of eten en drinken.’

Epictetus’ harde hand (een typering van zijn vertaler Gerard Boter) was bedoeld om zijn veel op autarkie lijkende autonomie te beschermen. Toch hield zijn autonomie op bij god. Daar wilde Epictetus mee samenvallen. Het over een god hebben suggereert dat het om iemand gaat die op een wolk in de lucht zit, maar ‘de godheid’ was bij Epictetus ‘het actieve immanente beginsel’.

God had alles voorbeschikt, hij zat in alles, zo ongeveer als bij Spinoza (die het Handboekje in het latijn in zijn bibliotheek had). De godheid was bij Epictetus een soort ‘hoogste goed,’ daar projecteerde hij alle deugden in die hij nastreefde, zoals integriteit, betrouwbaarheid, zelfrespect, het vermijden van negatieve emoties, het zicht houden op ‘het goede.’ Het goede gebruik van de rede om tot de waarheid te komen was een deugd.

De immanente godheid zorgde ervoor dat de rede zonder tussenkomst van emoties zuiver, volgens ‘redelijke wetten’, te werk kon gaan.

een christelijke jas

Iemand met zo’n sobere of rigide levensinstelling meet zich een harnas van plichten en deugden aan. Het wekt geen verbazing dat Epictetus bij christenen de nodige sympathie opriep. Net als in het christendom kende de klassieke oudheid een verhaal waarin van een morele tweesprong sprake is: het verhaal over Hercules die op een tweesprong moet kiezen tussen de brede (makkelijke) en de smalle (moeilijke) weg in het leven. Hercules was voor de stoïcijnen een ware held van deugd en wilskracht. De twaalf werken die hij moest volbrengen waren een soort kruisgang vol gevaren, beproevingen en ontberingen.

Een stoïcijn spiegelde zich daaraan. Zo’n leven moest met een positieve instelling worden ondergaan. Dat was ‘inclusief’ aan het leven, of het nu om ‘ziekte, foltering of dood’ ging. Als er maar geleden werd, dat sprak de christenen aan. Vandaar dat Epictetus met ijver gelezen werd door Ignatius van Loyola, de stichter van de Jezuïetenorde, en door de fervente katholiek Justus Lipsius, die rond 1600 pogingen deed om Epictetus in onze contreien te kerstenen.

een vreugdeloze bedoening

Dat Epictetus van geen ‘gejammer’ en ‘zelfbeklag’ wilde weten heeft wel consequenties. Dat hij alles langs de lijnen van de rede wilde laten verlopen en de emoties buiten moesten blijven (hij wilde ‘een sereen leven zonder emoties’) maakte van Epictetus’ versie van het stoïcisme een vreugdeloze bedoening. De rede werd bij hem een instrument voor beknotting van energie, driften en gevoelens. De rede haalde het vuur uit het leven. Er is bij Epictetus niets tussen rede en emotie, terwijl die rede juist zo geschikt is om emoties en gevoelens vorm te geven (zoals in de kunst).

Epictetus heeft het voortdurend over de natuur, dat we ons daarnaar moeten richten. Maar de natuur is bij Epictetus louter rede, werkend volgens ‘redelijke wetten’. De natuur is niet de nog ongevormde, nog ongetemde energie die voor dynamiek zorgt. Bij Epictetus is de natuur al dood voor hij begint te leven. Het is alsof Epictetus de emoties wil neutraliseren met de rede, alsof ze er niet mogen zijn. Alsof emoties voor zwakheden staan.

Het is alsof Epictetus de emoties wil neutraliseren met de rede, alsof ze er niet mogen zijn. Alsof emoties voor zwakheden staan.

Hoe verleidelijk soms ook, te strenge tweedelingen lopen altijd vast. Wanneer Epictetus zegt dat alles wat bestaat in twee categorieën is te verdelen, in wat binnen ons bereik ligt en wat niet, dan vergeet hij dat we heel vaak nog niet weten of iets binnen ons bereik ligt. Dat moet eerst maar eens onderzocht worden, proefondervindelijk. Epictetus wil voorkomen dat we gefrustreerd raken door te verlangen naar iets waar we geen macht over hebben. Maar van tevoren weet je dat niet, dan ligt alles nog open. Kan ik niet een heel goede pianist worden? Zit er een goede voetballer in mij? Ligt deze opleiding binnen mijn bereik? Zonder kans op frustratie gebeurt er helemaal niets. Altijd je stoïcijnse gemoedsrust willen bewaren leidt tot autarkie, tot fatale zelfgenoegzaamheid.

In het negentiende hoofdstuk van Vrij en onkwetsbaar tart Epictetus zijn leerlingen weer eens door te zeggen dat hij helemaal geen enkele stoïcijn onder zijn gehoor kan ontwaren. Waar vind ik een stoïcijn? Wijs me er een aan. ‘Wijs me iemand die ziek is en toch gelukkig is, die gevaar loopt en gelukkig is, die sterft en gelukkig is, die verbannen is en gelukkig is, die zijn goede naam heeft verspeeld en gelukkig is: wijs me zo iemand aan! Bij de goden, ik wil wel eens met eigen ogen een echte stoïcus zien.’

Zou ik de stoïcijnen die Epictetus noemt willen ontmoeten? Een enkeling, misschien degene die aan het sterven is en blij is omdat hij een welbesteed leven achter zich heeft. Maar de man die zijn goede naam verspeeld heeft? Liever niet. Waarom zou die speciaal gelukkig moeten zijn? En die banneling? En de zieke die zo beroerd is? Het is grotendeels stoïcijnse bluf van Epictetus wanneer hij ellende aanprijst als bron van geluk. Hij wil niet onder ogen zien dat erg ziek zijn niet leuk is, gevaar lopen afschuwelijk is. En verbannen worden? Dat is behelpen.

Blijft over dat Vrij en onkwetsbaar in staat is mij na tweeduizend jaar nog kwaad te maken.

Vrij en onkwetsbaar. Verzameld werk door Epictetus is vertaald door Gerard Boter en Rob Brouwer en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.