Het contrast is groot, wanneer ik van het centrum van Damascus, waar de winkels en markten open zijn en zo langzamerhand alweer opstoppingen en files ontstaan, langs de oostrand van de stad rijdt. Daar ligt de ghouta, het uitgestrekte oasegebied met talloze dorpen en stadjes, dat in 2011 in opstand kwam en pas eind 2018 door het Syrische leger werd heroverd. De verwoesting is er compleet, geen gebouw staat nog overeind.

Toen ik twee jaar geleden in de oostelijke wijken van Aleppo was, heb ik ook grote verwoestingen gezien. Flatgebouwen waren er als de spreekwoordelijke kaartenhuizen in elkaar geklapt. Overal dwaalden gedesoriënteerde inwoners door de puinhopen, omdat ze hun straat niet herkenden en hun huis niet konden terugvinden.

Maar in de ghouta leek het alsof een grote leren laars een peuk had willen doven door hem geheel in de grond te stampen, alsof hij niet had bestaan. In de manier waarop het gebied met de grond gelijk was gemaakt, zag ik iets van de bijzondere woede die juist deze opstand bij het regime heeft losgemaakt, een opstand zo dicht bij het centrum van de macht dat die zich wel heel erg bedreigd moeten hebben gevoeld.

Vanaf het dakterras van mijn hotel in de oude stad van Damascus kon ik de bombardementen gadeslaan. Na een tijdje keerde ik terug naar mijn ontbijt.

Vanuit de ghouta werd de stad door opstandelingen met mortiergranaten bestookt met doden en beschadigde huizen tot gevolg. Maar de schade was reparabel en het aantal doden viel in het niet bij de vele tienduizenden mensen die omkwamen bij bombardementen op de ghouta door de Syrische luchtmacht. Twee jaar geleden kon ik vanaf het dakterras van mijn hotel in de oude stad van Damascus die bombardementen gadeslaan. De vliegtuigen doken omlaag en trokken weer op, waarna zich even later een wolkenzuil boven het getroffen gebied vormde. De vliegtuigen cirkelden en doken weer neer. Ik sloeg het een tijdje gade en keerde terug naar mijn ontbijt.

palmyra
Blik op Damascus naar het noorden waar de berg Kassioun ligt.
Bol van contrasten

Syrië staat op het ogenblik bol van dit soort contrasten. Rijdend over de ringweg rondom Damascus wordt me het zicht op de ruïnes plotseling ontnomen door een schutting waarop de toeristische hoogtepunten van het land staan geschilderd: de Middeleeuwse citadel van Aleppo, de kruisvaardersburcht Krak des Chevaliers, de burcht van Saladin, het Romeinse theater van Bosra, en nog vele meer. Het gaat honderden meters zo door – Syrië is een historisch en archeologisch zeer rijk land en heeft heel veel hoogtepunten. Op de schutting worden de nieuwe ruïnes letterlijk door de oude vervangen.

In een flits zie ik de Bel-tempel van Palmyra voorbijkomen. Wacht even, denk ik, die bestaat toch niet meer? In 2015 door Islamitische Staat opgeblazen. En veel van de andere monumenten zijn op zijn minst zwaar beschadigd. Maar zo ziet het regime het blijkbaar voor zich. De antieke, eerbiedwaardige ruïnes in oude luister hersteld en de nieuwe ruïnes opgeruimd.

Ook met de economische belangen van Russische en Iraanse investeerders moet rekening worden gehouden.

In mei gaf de regering bevel aan burgemeesters en eigenaren om de in puin geschoten gebouwen buiten de ringweg binnen twee maanden op te ruimen, omdat zij een begin wilde maken met de ontwikkeling van het gebied. Klinkt mooi, maar het zijn niet noodzakelijkerwijs de oorspronkelijke eigenaren en de bevolking die van de nieuwbouwplannen zullen profiteren.

Het regime heeft met decreten en wetten een systeem van onteigeningen opgezet dat ten goede zal komen aan loyale bouwondernemers en evenzeer loyale, nieuwe bewoners. Ook met de economische belangen van Russische en Iraanse investeerders moet rekening worden gehouden. Voorlopig wordt de terugkeer van bewoners die er hun huizen willen opbouwen verhinderd. Deze ontheemden hadden een veilig heenkomen gezocht in hotels in het centrum van de stad en zijn nu gedwongen daar te blijven wonen.

Allemaal plat

Zo ook Amer, leraar Arabisch op een lagere school in Damascus. Hij verdient wel 75.000 Syrische pond per maand, omgerekend 130 euro – lang niet slecht voor iemand met een overheidsbaan. Ik ontmoet hem in de lobby van mijn hotel waar hij de hele avond kettingrokend en tv-kijkend doorbrengt. Hij woont met zijn vrouw, volwassen dochter en zoon in het hotel op één kamer die met doeken in compartimenten is verdeeld. ‘Ik mag van mijn vrouw niet roken op de kamer,’ zegt hij met een zuinig gezicht, ‘daarom zit ik hier.’ Hij betaalt 200.000 pond voor de kamer en dat is veel meer dan hij zich zou kunnen vooroorloven, ware het niet dat zowel zijn vrouw als zoon en dochter lesgeven op de universiteit en in het privéonderwijs.

Ze vormen een hoogopgeleid, Palestijns gezin uit Yarmouk, het voormalige vluchtelingenkamp ten zuiden van Damascus en tot de oorlog een levendige buitenwijk. Amer bezat er zeven appartementen, verdiend met werken in de Golf. ‘Allemaal plat,’ zegt hij, terwijl hij zijn vlakke hand op tafel slaat. ‘Ik zou terug willen keren en kijken wat ik kan opbouwen, maar de regering laat me niet.’

palmyra
Amer en Ra’id. Ra’id komt uit Raqqa en woont net als Amer in een hotel in Damascus.

Amer legt verder niet uit wat hij bedoelt – dat ligt te gevoelig – maar iedereen weet dat Iran veel belangstelling heeft voor de zuidelijk rand van Damascus: er ligt een belangrijke sjiitisch heiligdom waar elk jaar veel Iraanse pelgrims op afkomen en ook de nabijheid van Libanon, basis van bondgenoot Hezbollah, maakt het gebied interessant. De oorspronkelijke soennitische bevolking wordt buitenspel gezet ten gunste van aanhangers van het regime. Iraanse bedrijven kopen er veel vastgoed. In feite komt het neer op ethnic cleansing.

Op weg naar Palmyra

Ik heb de ghouta achter me gelaten en ben met een archeoloog van de Oudhedendienst, die me de hele reis begeleidt, op weg naar Palmyra, de handelsstad in de oase, die bloeide in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Dat wil zeggen, dat we ons eerst moeten melden bij de directeur van de dienst in de provinciehoofdstad Homs waaronder Palmyra ressorteert. Hij ontvangt ons in zijn kantoor ter grootte van een flinke museumzaal.

Elders in het gebouw worden twee kleine ruimten gewit en heringericht met mozaïeken en sarkofagen. ‘In oktober gaat het museum in Homs weer open,’ zal het heten in de Syrische pers. Hoewel feitelijk juist, is het toch niet de hele waarheid. Het zal voorlopig bij die twee kleine ruimten blijven. De Oudhedendienst hecht echter zeer aan deze bijna symbolische handelingen. Het wil de Syriërs en de buitenwereld laten zien dat er wel degelijk een begin wordt gemaakt met het herstel en de restauratie van het culturele erfgoed.

De EU en de VS hebben sancties ingesteld tegen het regime van Bashar al-Assad en ook culturele bijstand en uitwisseling vallen daaronder.

Het toerisme is economische zeer belangrijk en de regering zoekt dan ook de samenwerking met de oude partners in Europa en de Verenigde Staten. Maar dat ligt politiek zeer gevoelig. De EU en de VS hebben sancties ingesteld tegen het regime van Bashar al-Assad en ook culturele bijstand en uitwisseling vallen daaronder. Een aantal landen houdt zich niet aan de EU-richtlijn. Tsjechië heeft recentelijk een overeenkomst gesloten om nieuwe opgravingen in de kuststreek, het ‘hartland’ van het Syrische regime, te beginnen. Hongarije, Polen en Italië voeren restauratiewerkzaamheden uit. De Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken Terzi riep zelfs op de diplomatieke betrekkingen met Syrië te herstellen; een idee dat kil werd ontvangen door de meeste Europese landen en dan ook zonder gevolg is gebleven.

Slalommen om de autowrakken

Weggezakt in de donkerbruine fauteuils neem ik het kantoor van de directeur in ogenschouw. Sinds het begin van de oorlog, nu acht jaar geleden, is hier niets veranderd. Op de affiches staan de tempels van Bel en Baalshamin in Palmyra nog te pralen, niet opgeblazen door IS. Er hangt een grote foto van Assad met de triomfboog op de achtergrond. Assad en boog staan fier overeind, alsof de laatste niet eveneens door IS is opgeblazen. Ook het theater van Palmyra is onbeschadigd, de graftorens niet gereduceerd tot armzalige puinhopen. De directeur beslist ter plekke dat hij in persoon zal meegaan naar Palmyra.

De 160 kilometer lange weg door de woestijn naar de antieke stad heeft negen wegversperringen waar we stuk voor stuk dankzij de laissez-passer van de Oudhedendienst in Damascus en de aanwezigheid van de directeur worden doorgewuifd. De woestijn is gemilitariseerd: overal mitrailleursnesten, kazernes, kapotgeschoten dorpen, zwartgeblakerde terreinwagens en een groot vliegveld. Ik ben verrast wanneer we de stad binnenrijden.

Tadmor, het moderne stadje naast de antieke ruïnes van Palmyra, ziet er uit als een oorlogszone, hoewel het al ruim twee jaar geleden door het Syrische leger werd heroverd. De zijstraten zijn gebarricadeerd. We slalommen om de autowrakken heen en bereiken de hoofdstraat. Hier is het meeste puin geruimd. Maar de straat is leeg, de hele stad is leeg. Er zijn een paar winkeltjes voor de soldaten van de grote Syrische en Russische legerbases en in een leegstaand pand is ‘Palmyra Palace’ gevestigd, een restaurant met de Syrische en de Russische vlag op de luifel. De legerbases zijn de enige werkverschaffers.

palmyra
Het moderne stadje Tadmor, naast de antieke stad Palmyra, ziet er twee jaar na de verovering door het Syrische leger nog steeds uit als een oorlogszone.

De uitgestrekte oase met zijn olijf- en dadeltuinen ligt verlaten; er wordt niet gewerkt. De beruchte gevangenis van Palmyra is door IS verwoest en biedt dus ook geen werkgelegenheid meer. De afwezigheid van de bewoners zal later door de directeur van de Oudhedendienst enigszins kort door de bocht worden aangevoerd als reden waarom er in Palmyra geen restauratiewerkzaamheden plaatsvinden: ‘geen arbeiders’. Na een korte rit door de stad arriveren we bij het enige museum van Palmyra.

In de hal zit de beheerder en een soldaat op een wrakke bank bij een lage tafel. Tegen de muur is een provisorisch gedenkteken gemaakt voor Khaled al-Asaad, de oud-directeur van de opgravingen die door IS is onthoofd. Er is een grote foto van hem met bruin verpakkingstape op karton geplakt en op een metalen kastje gezet. Ernaast hangt een Koran-tekst, ervoor op de grond staan twee potplanten.

Het museum van Palmyra zou eigenlijk geheel herbouwd moeten worden. In het dak zit een gapend gat. Ik zie een stralend blauwe lucht.

Na de definitieve verovering van Palmyra in maart 2017 is door erfgoedwerkers van UNESCO onderzoek gedaan naar de schade. In een aantal zalen van het museum hebben ze als het ware opgravingen gedaan: het ingestorte plafond en ander puin is weggehaald, zodat de van hun sokkels getrokken beelden die in stukken op de vloer liggen zichtbaar zijn. Men heeft ze in afwachting van restauratie zorgvuldig laten liggen, ‘in situ’ zogezegd. In andere ruimten is niets gebeurd. Het gebouw zelf zou eigenlijk geheel herbouwd moeten worden. De betonnen pilaren op de bovenverdieping die het dak dragen zijn gebroken en hangen alleen nog met de betonijzers aan elkaar. In het dak zit een gapend gat. Ik zie een stralend blauwe lucht.

palmyra
Een zaal van het museum van Palmyra. De grote beelden zijn beschadigd, handen en gezichten zijn weggeslagen. Vaak zijn de beelden ook nog van de sokkel getrokken.
Ook de tempel is geëxecuteerd

De directeur van de provinciale Oudhedendienst leidt ons rond. De beheerder en de soldaten volgen ons. Weliswaar zijn alle belangrijke monumenten opgeblazen of kapotgeschoten, maar het blijven ‘highlights’, al was het maar om te laten zien hoe Islamitische Staat heeft huisgehouden. We worden naar het gedeeltelijk in puin geschoten theater gebracht, dat de plaats was van de massaexecutie van Syrische soldaten. De foto’s gingen de hele wereld over.

De soldaten die hier voor het eerst van hun leven komen, dwalen stil rond. Ook zij kennen de foto’s. Dan bezoeken we de plaats waar de beroemde graftorens stonden. De toren van Elahbel was het best bewaard en had vijf etages en een grafkelder waar de naamgever en zijn hele clan in konden worden bijgezet, maar is nu gereduceerd tot een armzalige hoop stenen.

Dan gaat het naar de tempels van Baalshamin en Bel. Beide behoorden tot de best bewaarde tempels van de antieke wereld, beide zijn opgeblazen. Bij elke puinhoop verzucht de directeur ‘Daesh, Daesh’, het Arabische acroniem voor Islamitische Staat, en werpt me een blik van verstandhouding toe. Inderdaad weten we allemaal hoe verschrikkelijk Daesh was en is.

palmyra
Van de tempel van Bel staat alleen het ingangsportaal als door een wonder nog overeind.

Dat de illegale opgravingen en roverij al zijn begonnen voordat IS de stad veroverden vertelt hij uiteraard niet. Maar natuurlijk is de schaal en het karakter van de vernietiging van het cultureel erfgoed door IS ongekend. Wanneer ik het terrein van de tempel van Bel betreed en de laatste resten die nog overeind staan zie, heb ik plotseling het gevoel dat ook de tempel is geëxecuteerd, net als die soldaten in het theater.

Uit het feit dat niet alleen religieuze bouwwerken, zoals tempels, maar ook seculiere architectuur zoals de triomfboog en het theater werden verwoest is af te leiden dat de drijfveren van IS vooral propagandistisch van aard waren. Het opblazen van de tempel van Bel was een publiciteitsstunt die bijzonder effectief was en keihard aankwam, zowel bij het Syrische regime als in het Westen. Beide beschouwen de Palmyreense monumenten als hun erfgoed.

Een antieke folly

Er is nog maar weinig gedaan aan restauratie. Belangrijke monumenten in heel Syrië zijn beschadigd of verwoest. Voorlopig richt de discussie zich vooral op de vraag of er überhaupt moet worden hersteld en zo ja, hoe. Commerciële bedrijven bieden de mogelijkheid aan de monumenten te vervangen door 3D-replica’s. De wetenschappelijke wereld is sceptisch: 3D-replica’s zouden Palmyra veranderen in een antieke folly.

Het blijft echter zeer de vraag of er genoeg oorspronkelijk materiaal is overgebleven om tot herbouw over te gaan. Een andere vraag: wie dat dan gaat doen? Veel expertise zit in landen als Duitsland, Engeland, Frankrijk, de VS en ook Nederland, landen met veel ervaring in de Syrische archeologie en monumentenzorg. Zij stellen zich als gevolg van de sancties terughoudend op. In Syrië zelf ontbreekt de mankracht en het vooral het geld. Misschien moet er eens worden gedacht over ‘culturele voedselhulp’, georganiseerd door de Verenigde Naties. Het is tenslotte inderdaad erfgoed van ons allemaal.

Deze reis werd mede mogelijk gemaakt door een projectsubsidie van het Mondriaanfonds. De schilderijen en tekeningen van Theo de Feyter zijn tot en met 6 oktober te zien in de tentoonstelling ‘Syrië’ in archeologisch Museum Wierdenland in Ezinge.