Toen het literaire tijdschrift Criterium in augustus 1947 een heel nummer wijdde aan Indonesië had Nederland twee maanden eerder, in juni, de eerste ‘politionele acties’ ondernomen om de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd te breken. Het verschijnen van dat nummer was een even gelukkige als ongelukkige coïncidentie.

Een jaar eerder had Adriaan Morriën het idee gekregen om eens iets met de rijkdom van Indonesische cultuur te doen. Er waren boeken en romans die blijk gaven van ‘meer culturele intelligentie en cultureel besef dan zeer veel Nederlandse belletrie’ schreef degene die het nummer uitvoerig en goed geïnformeerd inleidde: Willem Frederik Hermans – niet een schrijver die je verwacht als inleider van zo’n nummer.

Dit is te meer interessant omdat Hermans ingaat op de dubbele rol die Nederland in de culturele ontwikkeling van Indonesië heeft gespeeld. Nederland heeft die in twee opzichten gestimuleerd: door relaties te laten ontstaan tussen Nederlandse en Indonesische schrijvers (E. du Perron, Bep Vuyk, Tjalie Robinson, Rob Nieuwenhuys, Promoedya Ananta Toer), maar ook doordat die ontwikkeling van overheidswege behoorlijk werd tegengegaan. Daardoor ging die culturele ontwikkeling tegen de verdrukking in juist groeien, volgens Hermans. Waarna hij schrijft: ‘De strijd voor een eigen cultuur was hier tevens die voor erkenning van een eigen “menselijke waardigheid”’.

Lees ookLiteraire Kroniek: Ondanks de censuur van het koloniale bewind ontwikkelde Indonesië een eigen boekcultuur28 juli 2020
menselijke waardigheid

Het citaat is zo opmerkelijk omdat Hermans het begrip ‘menselijke waardigheid’ in zijn leven en werk later nooit in positieve zin heeft gebruikt. Menno ter Braak vond tien jaar eerder dat de menselijke waardigheid op het spel stond door het oprukkende nationaalsocialisme. Hermans vond in de jaren vijftig altijd dat het met de waardigheid van de mens wel meeviel. Daar kon je niet zo maar mee voor de dag komen. Maar hier, nog jeugdig en onbezonnen (hij is dan 26 jaar) hanteert hij het.

Maar niet voor lang. Hij bedacht zich in hetzelfde artikel. Tien regels verder komt hij erop terug en schrijft: ‘Wij spraken hierboven van menselijke waardigheid. Deze term dreigt langzamerhand een cliché te worden, dat zich voor allerlei doeleinden leent. In dit kader kunnen wij op de betekenis daarvan niet ingaan, zodat wij een beroep moeten doen op de goede verstaanders.’

In tweede helft van de jaren veertig was Hermans, in vergelijking met zijn snerpend-polemische jaren vijftig, zestig en zeventig, uitermate gezeglijk.

Dit is karakteristiek voor Hermans. In de tijd dat hij dit schreef in de tweede helft van de jaren veertig was hij, in vergelijking met zijn snerpend-polemische jaren vijftig, zestig en zeventig, uitermate gezeglijk. Dat blijkt uit deel 20 van zijn Volledige Werken. Dit is het eerste van wat vier delen gaan worden van zijn ‘Ongebundelde werken’. Dit deel beslaat de jaren 1934-1951. Alles wat Hermans in die jaren heeft geschreven maar later niet in boekvorm heeft herdrukt staat er in, vanaf zijn bijdragen aan het schoolblad van het Barleus Gymnasium Suum Cuique, tot zijn bijdragen aan Podium.

Deze periode direct na de Tweede Wereldoorlog noemen de samenstellers ‘een kwantitatief zwaartepunt’ en beslaat net geen 700 pagina’s, met het commentaar mee 1000 pagina’s. Hermans schreef toen in tijdscrhiften als Criterium, Literair Paspoort, De Baanbreker, Podium en Vrij Nederland. 

liefdesbrieven

De gezeglijkheid van Hermans in deze jaren (waarin hij ook het controversiële Ik heb altijd gelijk schreef, dus ik moet niet overdrijven) blijkt uit het grote aantal stukken waarin hij alleen maar lof voor bepaalde schrijvers heeft. Het is vreemd om van liefdesverklaringen te spreken in verband met Hermans, maar het komt soms aardig in de buurt. Du Perron, schrijft hij in ‘Du Perron als leermeester’, een essay in Criterium van zestien pagina’s, ‘had altijd gelijk’. Hij had ‘een verrukkelijke weerzin tegen moraliseren’. Du Perrons smaak was ‘welhaast onfeilbaar. Of eerder zijn gevoel voor niveau’. Hij was ‘onovertrefbaar boeiend’. Du Perron had een eerlijkheid ‘die de intrinsieke waarde van de literatuur uitmaakt’.

Multatuli prijst hij ook. Hermans noemde hem ‘het prototype van de absurde mens’, waarmee hij bedoelde dat Multatuli helemaal alleen stond, niet volgens een vast program handelde, maar alles improviseerde: ‘Hij zei: De roeping van de mens is mens te zijn. Dit is voor hem geen frase geweest. De mens is het enige wezen dat kan improviseren. Multatuli improviseerde met een weergaloze moed. Dit maakt zijn grootheid uit.’ Hij was ‘een mislukte dilettant’ en op momenten ‘een universeel genie’.

een literatuur

Hermans legt in deze jaren de bodem van zijn literaire en filosofische wereldbeeld. Een van de eerste stukjes in Suum Cuique gaat over niemand minder dan Oswald Spengler en zijn Der Untergang des Abendlandes, wiens voorspellingen hem ‘frappant juist lijkt te zijn.’ Het vergt enige close reading om uit te maken wat Hermans hier precies denkt, maar zeker is dat hij in februari 1939 vindt dat ‘al onze z.g. vooruitstrevendheid ons niet gelukkiger gemaakt heeft’. Hij is dan achttien jaar en hoopt dat wij ‘juist nu, een betere toekomst tegemoet gaan’.

Een paar maanden later, in juli, schrijft hij over Slauerhoff, ‘de 20e eeuwer die God en alle vertrouwen verloren heeft’, maar wiens ‘troosteloze leven’ velen nog lang tot troost zal zijn. Slauerhoff had voor Hermans iets ‘essentieels te zeggen’. Hij noemt hem zeven jaar later in een essay van tien pagina’s ‘de dichter der droefenis’ bij wie de sensatie van treurigheid ‘onverbrekelijk verbonden is met schoonheid’. Slauerhoffs poëzie en ‘levenswijze’ vertolkt voor Hermans het ‘vrijwel niets’ dat rest als men zich niet laat verleiden door allerlei illusies.

Het valt op dat Hermans zich afzet tegen het autobiografische schrijven, en kiest voor de roman waarin alles bedacht is, waardoor personages kunnen uitgroeien tot mythische figuren.

Het is wel verrassend om Hermans hier zo openlijk zijn sympathie te zien uiten voor Maurice Gilliams, F. Bordewijk (‘altijd interessant’), Arthur van Schendel (misschien wel de grootste der levende Nederlandse romanschrijvers’), J. van Oudshoorn. En Simon van het Reve vanwege De avonden, waar hij dertien pagina’s over schrijft. Hij vindt het van een ‘verbluffende scherpte’ en een nationale, Hollandse roman ‘van internationale allure.’ Het werk van Van Oudshoorn behoort voor hem tot het ‘allerbelangrijkste’ wat de Nederlandse romankunst ooit heeft opgeleverd. Zijn filosofie is radeloos, meedogenloos, maar vooral in Louteringen ‘diep ontroerend en hartverscheurend’.

Maar ook Céline, Kafka, Defoe, Cervantes, Julien Green en Zola behoren tot het pantheon van zijn voorkeur, waarbij het opvalt dat Hermans zich afzet tegen het autobiografische schrijven, en kiest voor de roman waarin alles bedacht is, waardoor personages kunnen uitgroeien tot mythische figuren. Terloops kom je hier allerlei meningen en bevindingen tegen die een poëticale allure krijgen, karakteristiek worden voor Hermans’ schrijverschap: iedere goede schrijver is een sadist. Het is gunstig dat de naoorlogse generatie vormeloos en onsamenhangend is.

Literatuur is pas dan een literatuur te noemen, wanneer zij een maatschappelijke kracht betekent.

het ontstaan van een ongenadig wereldbeeld

Het ontstaan van Hermans vermaarde ongenadige wereldbeeld kunnen we meemaken aan de hand van wat hij schrijft over het werk van Sartre en Camus. Hij volgt het met een gretigheid alsof hij er belang bij had precies te weten wat hen bewoog. Hij leest La Nausée, L’Etre et neant, L’Etranger, La Peste en Le Mythe de Sisyphe. Sartre en Camus proberen ‘een wereldbeeld te geven’ dat door de moderne en vooral naoorlogse intellectueel aanvaard kan worden: het gaat dan om een ‘eerlijk’ leven, ontdaan van illusies: ‘iedere valse voorstelling onttrekt de mens aan zijn verantwoordelijkheid’, citeert hij Sartre.

Het is met het absurdisme en existentialisme niet de bedoeling met ‘een nieuw systeem’ te komen. Met het absurdisme van Albert Camus leef je in voortdurende contradictie zolang je geen zelfmoord hebt gepleegd: je denkt nee, maar leeft ja. Hermans lijkt dat lastig te vinden. Hij schrijft: ‘het merkwaardige van de absurde levenshouding is het zich bewust blijven van de gratuité van alle denken en handelen.’

Sartre is iets constructiever wanneer hij veel hecht aan het zelf kiezen en het zich engageren. Het treft Hermans in Sartre iemand te vinden ‘die zonder blikken of blozen het woord optimisme durft te gebruiken en dan te weten dat de intelligentie en eerlijkheid van deze man boven iedere verdenking verheven is’. Dat is nog eens een uitspraak. Maar Camus biedt ook een uitweg uit het absurdisme door Nietzsche te citeren wanneer die zegt dat we de kunst hebben om niet aan de absurditeit van de waarheid te gronde te gaan.

ontroerend en hartverscheurend

Dit eerste deel van het ongebundelde werk is buitengewoon interessant. Hermans zit nog vol onzekerheid, maar ook vol eerste zekerheden, zoals de consequente neiging schrijvers te lezen en te zoeken met een somber, illusieloos wereldbeeld, zoals Slauerhoff, Van Oudshoorn en Camus. Ten opzichte van Céline houdt hij enige afstand. Zijn sympathiebetuigingen aan Van Schendel, de jonge Reve, Bordewijk, Du Perron, Cervantes en Multatuli, die in het vervolg van zijn schrijversleven zeldzaam zijn, verlenen het werk ineens een poreuze ondergrond: dit is een Hermans die veel ontvankelijker is dan men dacht.

Er is veel absurd en surreëel voor hem. Hij is er met ‘de moderne mens’ langzamerhand van doordrongen dat de ‘gewone’ werkelijkheid ‘goed beschouwd even nachtmerrieachtig en zinloos is als de droom’. Kafka ligt voor het grijpen. Hermans is ook een aantal keren ‘ontroerd’ (bij Van Oudshoorn) en vindt het schrijverschap soms, zoals bij Daniel Defoe, de schrijver van Robinson Crusoe, ‘hartverscheurend’. Zoals de poëzie van Slauerhoff hem ook niet onberoerd laat: ‘Zijn beste gedichten klinken niet anders dan als lange snikken, maar het zijn tranen waarin de gehele kosmos weerspiegeld wordt’.

Deze beginperiode van Hermans’ schrijverschap heeft in de biografie van Willem Otterspeer al de nodige verhelderende aandacht gekregen, maar hier komt genoeg materiaal voorhanden om er nog eens in te duiken.

Ongebundeld Werk 1934-1951, deel 20 van de Volledige Werken door Willem Frederik Hermans is uitgegeven door De Bezige Bij.