Wanneer Cyrille Offermans het over zijn jeugd in Limburg heeft in Een koord boven de afgrond typeert hij de jaren vijftig van de vorige eeuw als ‘rijke armoede’. Dat is een paradox uit een gedicht van Paul van Ostaijen. Er was nog niets, niets van wat later zou komen aan televisies, wasmachines, stofzuigers, elektrische scheerapparaten en broodroosters. Zonder idealiserende nostalgie noemt Offermans de jaren vijftig ‘weldadig’ en ‘een heerlijke tijd’. Zijn beschouwende aard voegt daar onmiddellijk iets aan toe: ‘In de eenvoud van de dingen ging ook een zekere menswaardigheid schuil, in de noodzaak om zijn eigen boontjes te doppen ontstond ook ruimte voor de ontwikkeling van de fantasie, het improvisatievermogen, de zelfredzaamheid en het cultiveren van een persoonlijke smaak.’

Offermans houdt zichzelf ook graag voor dat die eenvoud vaak als vanzelf ‘gepaard ging met een laconiekere houding tegenover geluk en ongeluk’ en dat de omgangsvormen toen minder last hadden ‘van egoïsme, jaloezie en ressentiment’. Nog een stap verder en we komen bij zijn diagnose van onze eigen tijd. Daarin is niet sprake van rijke armoede, maar van het omgekeerde: van ‘armoedige rijkdom’: ‘Zelden zullen mensen zo rijk zijn geweest en tegelijk zo onvrij en ongelukkig als in de huidige welvaartsstaten.’

De ervaring van rijke armoede in de jaren vijftig van de vorige eeuw bepaalt de toon en mentaliteit van Een koord boven de afgrond. Achter de ‘menswaardigheid’ van die jaren gaat een moraal en stijl schuil die wel grotendeels verdwenen is achter apparaten, maar die voor Offermans nog in alle opzichten ook van onze tijd is: waardering en bewondering voor handwerk, voor zelf maken, voor autonomie, voor simpelheid, voor zelf doen. Deze voorkeur voor vruchtbare eenvoud en wat Offermans ‘elementair individualisme’ noemt, gaat gepaard met afkeer van overconsumptie, polarisatie, verspilling en het ostentatief uitdragen van de moderne weelde. Het is een stijl waarbij betrokkenheid en nauwgezetheid horen. Op momenten van diepe vertwijfeling over de toestand in de wereld denkt Offermans wel eens ironisch dat het vermaarde Boek van de hoveling van Baldassare Castiglione uit het jaar 1528 verplichte literatuur zou moeten zijn. Het is niet alleen een genot om te lezen, het geeft ook een ontspannen kijkje in de sprezzatura van de manier van doen in een verlichte Italiaanse elite. Je kunt het tijdens het lezen makkelijk naar hedendaagse verhoudingen ombuigen.

een nieuw genre

Achter de twee eerdere delen Een iets beschuttere plek misschien (2018) en Midden in het onbewoonbare (2020) ging geen al te comfortabele wereld schuil. Dat is ook niet het geval in Een koord boven de afgrond. Niets positiefs gaat nog zonder iets negatiefs. Het zien van een sublieme tentoonstelling wordt doorschoten met het laatste gruwelnieuws uit Afghanistan of Oekraïne. Deze journaals zijn een nieuw genre essayistiek waarin zowel de grote wereld van oorlogen en onvrede aan de orde is, maar op hetzelfde niveau ook het dagelijkse, dichtbije leven met vrienden, kinderen en kleinkinderen. En alles daartussenin, zoals herinneringen en gedachtevluchten.

Door afwisselend te schrijven over literatuur, kunst, politiek, geliefde delen van Italië en geschiedenis zorgt Offermans ervoor dat zijn brein genoeg ruimte krijgt om te herkauwen, na te denken, dingen tot de bodem uit te zoeken.

Offermans heeft het over literatuur, politiek, bepaalde schrijvers, schilders, kunstenaars, cultuurgeschiedenis, de watersnood in Limburg, corona, Oekraïne, Poetin, Navalny, de opkomst van extreem-rechts, natuur en vakantiereizen naar Italië. Dat je een boek van zeshonderd pagina’s met deze onderwerpen smoothly kunt lezen heeft alles te maken met Offermans begenadigd soepele stijl. Daarmee kan hij elk groot, klein, diep of oppervlakkig onderwerp aan, hoe ingewikkeld ook. Het is een ‘journaal’, dat wil zeggen geen dagboek. Elke maand bestaat uit uitgewerkte beschouwingen die het resultaat zijn van een permanente alertheid voor onderwerpen in de werkelijkheid die een snaar in de klankkast van Offermans brein laten trillen. Die onderwerpen staan altijd ook voor iets groters, wat ze uit de actualiteit tilt.

Als jongen van tien stelde Cyrille voor zichzelf een ‘geschiedenisboek’ samen bestaande uit foto’s en krantenknipsels van interessante gebeurtenissen, zoals de Zeeuwse ‘Rampnacht’, door hem voorzien van deskundig commentaar: ‘1 Febr. Een overstroming doet vele van onze oude dijken bezwijken en overstromen. Honderden mensen komen er om het leven.’ Dit is wat Offermans al vijftig jaar in volwassen gedaante nog steeds doet. Zo geeft hij een mooie samenvatting van de film die de VPRO in mei 2022 uitzond van de Canadees Daniel Roher over de Russische oppositieleider Navalny. ‘Een zeldzaam mooi portret’, schrijft Offermans, van ‘een energieke, vriendelijke, altijd goedgemutste en geestige man (…) waar we de komende jaren hopelijk af en toe aan herinnerd zullen worden als we, naar ik vrees, niets meer van hem zullen horen.’

De wereld van Offermans staat intellectueel op scherp omdat hij zich van de ellende in de wereld maar al te goed bewust is, ook al is hij iemand die elke ochtend uit overtuiging monter uit zijn ogen kijkt. De oorlog in Oekraïne is voortdurend aanwezig. Maar daaraan denkend laat hij gerust plotselinge herinneringen toe aan zijn vader die al vijftig jaar geleden overleed, maar waaraan hij met sympathie terugdenkt als iemand die op kon gaan in zijn eigen wereld, zoals met het fotograferen. Offermans zorgt ervoor dat zijn alertheid niet te gek wordt: door afwisselend te schrijven over literatuur, kunst, politiek, geliefde delen van Italië en geschiedenis zorgt hij ervoor dat zijn brein genoeg ruimte krijgt om te herkauwen, na te denken, dingen tot de bodem uit te zoeken, verschillende perspectieven en zelfkritiek de ruimte te geven. Voor deze ruimte om te denken gebruikt hij de symbolische ‘ivoren toren’, die in de praktijk alles kan zijn, als het maar van grote drukte is afgewend.

Dat schept ook ruimte voor gedachten over de grote context waar we ook in leven, naast ons individuele bestaan. We leven in postchristelijke tijden waarin we, zoals Offermans het formuleert, metafysisch dakloos zijn geworden. Dakloos kan men niet blijven. Wat is er in de plaats gekomen van het christendom? Offermans’ antwoord is: de authentieke persoonlijke ervaring. Die speelt zich dicht bij jezelf af en dat zorgt voor een stevige ondergrond. Voor die ervaring moet ruimte zijn, men moet er niet al te zeer van afgeleid worden door de hectiek van het bestaan. Hoe belangrijk de authentieke ervaring is zie je in de kunst. Zonder die ervaring ‘is esthetische geloofwaardigheid uitgesloten’.

even van de wereld

Het even van de wereld zijn levert ook de langere beschouwingen op, zoals de twintig pagina’s over de Duitstalige Zwitser Robert Walser, schrijver van de door Jeroen Brouwers vertaalde roman Jakob von Gunten. De schrijvers waar Offermans het met genereuze bewondering over heeft staan altijd ook voor een stijl en mentaliteit, zoals de erudiet Roberto Calasso, de dwarse Oostenrijker Thomas Bernhard, de vertellende historica Elsa Morante, de ecologische essayist Ton Lemaire, de omnivore essayist/romanschrijver Stefan Hertmans en documentalist van de Tweede Wereldoorlog Walter Kempowski.

Offermans schrijft makkelijk in alle taalregisters: ernstig, luchtig, snijdend, simpel, zwaar en scherpzinnig.

Het zorgt ook voor het ongenadige stuk over Olga Tokarczuk, de winnaar van de Nobelprijs 2018. Offermans bleef in haar boeken steken omdat ze stilistisch aan alle kanten rammelen (‘dit slaat alles’). En het stikt er in ‘van de slappe, overbodige, al te voorspelbare zinnen’. Ook moet hij niets hebben van de astrologische kitsch, het zelfverheerlijkende martelaarschap van de hoofdpersoon, het karikaturale, sjabloonachtige van de personages, het voortdurende pathos, de idiomatische armoede en de pijnlijke vergelijkingen. Ook kan ‘het volkomen ongeloofwaardige plot’ nog genoemd worden. ‘Een soepzootje’, noemde de vertaler van Tokarczuk het.

Wanneer Offermans het over de Zuid-Afrikaanse schrijver Damon Galgut heeft krijgt de veel geprezen J.M. Coetzee, met wie Galgut wel wordt vergeleken, het te verduren: ‘Galgut heeft niets van de ijzige monotonie en het rigide, kille moralisme van Coetzee. Hij bespeelt soepel en trefzeker alle denkbare registers.’ Waarna Offermans in bewonderende geest over kan gaan naar tien pagina’s over Vasili Grossman, de schrijver van de duizend pagina’s Leven en lot, het boek over de slag om Stalingrad in 1942. Daarin staan fragmenten die de lezer ‘hardhandig uit zijn romantisch-realistischje roes bevrijden en hem nietsontziend naar de strot grijpen’.

Offermans beoefent een nieuw genre met dit essayistische journaal. Hij schrijft zo makkelijk in alle taalregisters (ernstig, luchtig, snijdend, simpel, zwaar, scherpzinnig) en gaat zo soepel en betrokken om met feiten, inzichten, kennis en reflectie dat hier de unieke figuur van de vertellende essayist ontstaat.

Een koord boven de afgrond door Cyrille Offermans is uitgegeven door De Arbeiderspers.