K. Schippers (1936-2021)
De op 12 augustus op vierentachtigjarige leeftijd overleden dichter, romanschrijver, kunstcriticus en documentairemaker K. Schippers was een van ‘De jongens van Barbarber’, het tijdschrift waarover Toef Jaeger afgelopen juni het gelijknamige boek publiceerde.
Schippers was naast J. Bernlef en G. Brands zonder twijfel de filosoof van de drie, al zou hij in elkaar krimpen van afschuw als hij het hoorde. Hij was niettemin degene die de richting onder woorden bracht die het tijdschrift in de Nederlandse literatuur ging innemen: de werkelijkheid hoefde voor hem niet geïnterpreteerd te worden, die was zichzelf genoeg. Het moest alleen gezien worden: ‘Als je goed om/je heen kijkt/zie je dat alles/gekleurd is.’
Schippers had genoeg aan de oppervlakte, daar voelde de diepte zich thuis. De waarheid als de koe luidde dan ook de titel van zijn poëziedebuut in 1963. Schippers hoefde zijn poëzie niet altijd uit zichzelf te halen, voor Een klok en profil vond hij overal zinnen, op aanplakbiljetten, in straatnamen, als ready mades in de geest van Marcel Duchamp. Het werd vanzelf poëzie als ze werden geïsoleerd en op een witte pagina kwamen te staan.
Naar aanleiding van De jongens van Barbarber boog Carel Peeters zich in juni in zijn Literaire Kroniek over de rol die K. Schippers en het tijdschrift in de Nederlandse literatuur heeft gespeeld.
In april 1965 schrijft K. Schippers als redacteur van het ‘tijdschrift voor teksten’ Barbarber aan de dichter C. Buddingh’ in Dordrecht dat ze van ‘de ouderwetse pointe’ af moeten. Een pointe is niet alleen maar het geestige slot van een mop. ‘Alles is pointe’: álles wat je opmerkt is te beschouwen als iets bijzonders. Het is oog hebben voor het bijzondere van het gewone. Een man koopt een pond zout en komt onder een auto. Ready mades, uit hun verband gerukte voorwerpen of voorvallen, ooit in 1917 door Marcel Duchamp begonnen met het verheffen van een urinoir tot kunst, werden geliefde bijdragen in het tijdschrift. Dat ‘álles pointe is’ wilde zeggen dat álles materiaal voor poëzie kon zijn.
Barbarber was in 1958 door de goed twintigjarigen Henk Marsman, Gerard Stigter en Gerard Bron begonnen als een gestencild blaadje nadat zij op de middelbare school in Amsterdam een aantal jaren de invloed hadden ondergaan van hun leraar Nederlands Rob Nieuwenhuys. Die, kersvers terug na jaren verblijf in Indië/Indonesië, hield zich niet erg aan de verplichte lesstof en had het over Nescio, Elsschot, Piet Paaltjens, Slauerhoff, Vestdijk, De Schoolmeester, Lewis Carroll en Paul Léautaud. Ze leerden van hem efficiënt lezen, geen tijd te verdoen met het lezen van slechte of geijkte schrijvers (A. den Doolaard, Antoon Coolen). Hun tuintje was daarna gereed om te bezaaien.
Bij het verscheiden van Barbarber in 1971 schreef Marx Nord in Het Parool dat ‘het lang niet uitgesloten is dat Barbarber in onze letteren van evenveel belang geweest zal blijken te zijn als beginsel-uitdragende en vernieuwende tijdschriften genre-De Nieuwe Gids.’ De literatuur heeft er een ander gezicht van gekregen volgens Nord, ‘een vrolijker, minder deftig gezicht, een “aardser” verschijning, een onbezorgder wandelpas.’
Dat was niet slecht gezien. Ook al had Barbarber in het begin een oplage van honderd en in jaren zestig op het hoogtepunt 350 abonnees, de invloed reikte aanzienlijk verder. Elk nummer werd op de literatuurpagina’s van de kranten besproken. De Vijftigers waren al experimenterend spraakmakend, maar de Barbarianen bepleitten een andere en betere manier van kijken naar de werkelijkheid waar iedereen aan kon meedoen. De rekening van een kruidenier was niet minder dan een echt gedicht, schreef Stigter (die zich K. Schippers ging noemen, zoals Henk Marsman J. Bernlef werd en Gerard Bron G. Brands). Men bevond zich daarmee vaak op de rand van meligheid, maar dat risico moest genomen worden.
Door haar boek over ‘hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde’ De jongens van Barbarber te noemen, loopt Toef Jaeger het gevaar dat het wat al te rebellenclubachtig wordt opgevat. Barbarber wilde niets clubachtigs hebben. Er was juist veel welkom, als het maar ‘geschikt’ was voor Barbarber, wat altijd de vraag bleef (zodat Judith Herzberg onzeker was over wat de jongens van Barbarber nu precies leuk vonden). Barbarber was een blad voor mensen die op dezelfde golflengte afgestemd waren, die ook van Erik Satie hielden, van Laurel & Hardy, Charles Ives, Marcel Duchamp en John Cage.
de grote ontnuchteraars
‘Doe maar gewoon, dan doe je al poëtisch genoeg,’ schiep ruimte, maar in de praktijk stak wat ‘gewoon’ en poëtisch was nauw. Hoe gewoon Bert Schierbeek ook wilde zijn, Bernlef vond het ‘magisch geleuter’. Diepte moest men verbergen. Waar? Aan de oppervlakte. Men moest zich permanent verbazen: ‘de drempel der verwondering’ moest verlaagd.
Bernlef was bang dat mensen te veel zochten achter wat ze deden. Ze denken ‘dat wij een nieuwe richting in de literatuur willen stichten of zoiets’. Maar dat was wel de consequentie van wat ze deden. Alle poëticale uitspraken wijzen maar één kant op: welkom aan het waarnemen, het ‘kijken’, aan het ‘leren zien’, aan het zien van de werkelijkheid zonder ‘vooroordelen’, welkom aan een nieuw realisme, aan de taal als een verlengstuk van het oog. Weg van de intellectuele reflectie. De ‘bevlogenheid’ moest bij Barbarber niet uit het hart, maar uit het hoofd komen. Ze worden de ‘grote ontnuchteraars’ genoemd.
De werkelijkheid moest niet ‘verdraaid’ worden door de dichter, hij moest haar niet ‘interpreteren’ om haar te kunnen zien.
Tussen alle teksten, ready mades, verhaaltjes, foto’s en gedichten ontstaat in de 75 nummers een onmiskenbare poëtica, een richting in de literatuur. Bernlef en Schippers gingen ervan uit dat de werkelijkheid gewoon waargenomen kan worden, ‘niet overwoekerd’ door de eigen werkelijkheid van de mens en de dichter. De werkelijkheid moest niet ‘verdraaid’ worden door de dichter, hij moest haar niet ‘interpreteren’ om haar te kunnen zien. De verdienste van Toef Jaeger is dat ze deze ideeën aan de hand van K. Schippers’ brievenarchief tot een samenhangend geheel maakt, al deed Hans Renders daar ook al het nodige aan in zijn boek Barbarber 1958-1971 uit 1986. Barbarber heeft ervoor gezorgd dat het dagelijks leven onderdeel is geworden van de literatuur, dat het gewone als iets bijzonders kon worden gezien. En als humoristisch. Niet verbazingwekkend dat Simon Carmiggelt een groot liefhebber van Barbarber was.
Barbarber heeft een ontnuchteringsproces voortgezet dat begint in de eerste jaren van de vorige eeuw met het dadaïsme en in de jaren twintig met Paul van Ostayen. In de literatuur begint daar de definitieve breuk met de woordkunst van Tachtig, voortgezet door de Forum-generatie met Ter Braak, Du Perron en Vestdijk. Zij keren zich af van het religieus en politiek collectivisme, koesteren net als Rob Nieuwenhuys Nescio en Elsschot. Ook schrijft Du Perron parlando, ‘praatpoëzie’, die in Barbarber goed had gepast.
de verbeelding
Niet lang na de opheffing van Barbarber in 1971 kwam in 1974 De Revisor, een nieuw tijdschrift dat voor een nieuwe richting in de literatuur zou zorgen. Barbarber had zijn eigen beperkingen gekweekt. Niet alleen werd het bijzondere aan het gewone van de werkelijkheid sleets, ook de filosofie dat de werkelijkheid altijd onbevangen aanvaard kon worden, zonder enige interpretatie, werd onhoudbaar. In De Revisor dook de verbeelding op, de werkelijkheid werd getoetst aan de verbeelding van de schrijver. De werkelijkheid kreeg een injectie van de verbeelding.
Er is veel in de werkelijkheid dat onbevangen aanvaard kan worden, dat genoeg heeft om waargenomen te worden zoals het is: de gewone zichtbare werkelijkheid, zoals huizen, straten, winkels, voorwerpen. Maar er is ook veel werkelijkheid die niet kan bestaan zonder eerst geïnterpreteerd te worden. Aan een mens is aan de buitenkant veel af te zien, maar lang niet alles. Er zal het nodige geïnterpreteerd moeten worden wil hij goed begrepen kunnen worden.
Er was een hele werkelijkheid die in Barbarber niet aan bod kwam, een die niet zo maar aanvaard kon worden: de lastige kanten van de werkelijkheid, zoals morele dilemma’s, de psychische conflicten, maatschappelijke fricties, politieke conflicten, gevoelens, meningen, inzichten, het toekennen van waarde, het hebben van overtuigingen. Dit allemaal was niet de wereld van Barbarber.
humor is een serieuze zaak
Wie zich deel voelt van deze lastige wereld kan nog alles voelen voor Barbarber. Niet alleen vanwege het literaire genot dat er aan te beleven is (met de bloemlezing Barbarberalfabet die in 1990 gemaakt is), maar ook als reminder dat de werkelijkheid van het gewone vol bijzonderheden zit. Barbarber bevatte het nodige ‘vindingrijk materiaal’ van Jan Hanlo, Judith Herzberg (‘de charme is toch voor een groot deel de huisbakkenheid’), Louis Th. Lehmann, Dick Hillenius, Chr. J. van Geel, Remco Campert, Marianne Moore, Nico Scheepmaker, Gerrit Krol en tientallen anderen.
Toef Jaeger wijst er in haar onderhoudende relaas op dat Bernlefs eigen poëzie aanvankelijk helemaal niet zo paste in Barbarber, anders dan die van Schippers en Brands, die waren al van nature Barbariaan. Bernlef moest het naar eigen zeggen ‘leren worden’. Hij wilde toch altijd graag een ‘betekenis’ in een gedicht rijgen. Emoties waren in Barbarber niet erg in trek, maar Bernlef schreef doorgaans toch uit ‘psychische genotterigheid of ook wel droevigheid.’ Ook Jan Hanlo, een van de ijverigste medewerkers, wilde niet alleen maar ‘eenvoud’, er moest volgens hem (de ‘wijsgeer’ van Barbarber volgens Kees Fens) ‘toch diepte in’. Barbarber had (en heeft) veel invloed, maar is nooit echt ‘populair’ is geworden. Daarvoor combineerde het eruditie en intelligentie te veel met humor, wat voor vele medewerkers nu juist de grote charme ervan was. Humor was voor hen een serieuze zaak.
Niet alleen is alles gekleurd (de bomen zijn groen, de huizen zijn bruin, de auto is rood), alles wordt ook gekleurd door de subjectiviteit van de waarnemer.
Hans Renders wijst in zijn boek over Barbarber op de interessante dubbelzinnigheid van een van de bekendste gedichten van Barbarber, ‘De ontdekking’ van K. Schippers. Die dubbelzinnigheid illustreert aardig waarom de werkelijkheid zelden zo maar de werkelijkheid is:
als je goed
om je heen kijkt
dan zie je dat
alles gekleurd is
Niet alleen is alles gekleurd (de bomen zijn groen, de huizen zijn bruin, de auto is rood), alles wordt ook gekleurd door de subjectiviteit van de waarnemer, die neemt onvermijdelijk zijn gevoelens en geschiedenis mee wanneer hij of zij om zich heen kijkt.
De jongens van Barbarber. Hoe een vriendschap het literaire landschap veranderde door Toef Jaeger is uitgegeven door Querido.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.