Misschien staat het verhaal ‘Brommer op zee’ wel model voor de verhalen van Maarten Biesheuvel. Het is verrassend en absurd, het is grappig, en het heeft een religieuze connotatie die er niet toe doet (Jezus die op het water loopt). Het verhaal wordt gedaan alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat de scheepsjongen Isaäc vanaf het achterdek van het schip waarop hij vaart een man op een brommer ziet aankomen. Mooi beeld (en dan ook meerdere malen getekend).

De manier waarop de bromfietser (door via een touwladder op het dek te zijn gehesen) daarna zijn rijtechniek uitlegt is zo gewoon en overtuigend – ‘Het is immers zaak om als het ware luchtigjes over het water te dansen’ – dat Isaäc op de gedachte komt hem te vragen of hij niet als bijrijder mee kan. Nee, daar heeft hij geen zin in.

Dan eindigt het verhaal met een lichtelijke hopeloze patstelling: als hij de man weg ziet rijden staat het huilen Isaäc nader dan het lachen: ‘hij hoorde niet op de wal, hij hoorde niet bij de bemanning, hij hoorde ook niet bij de man met de brommer. Hij keek naar het bruisende, gevaarlijke schroefwater en naar de meeuwen, die achter het schip aanvlogen. Hij had het gevoel dat hij een eenzaam man was en langzamerhand kwam hij tot de ontdekking dat het wel altijd zo zou blijven.’

bron van misverstand

Biesheuvel werd vanaf zijn debuut In de bovenkooi in 1972 de bron van een misverstand. Omdat zijn taal helder en duidelijk was dacht men hem tot de jonge realisten van de jaren zeventig te kunnen rekenen: Maarten ‘t Hart, Bob den Uyl, Heere Heeresma, Peter Andriesse, Mensje van Keulen en Guus Luijters. Maar Gerrit Komrij had meteen in zijn recensie van In de bovenkooi geschreven dat Biesheuvel een romanticus in de geest van Hildebrand, Multatuli en Piet Paaltjens was, meer Romantic Agony van Mario Praz dan het klein geluk en ongeluk van de realisten.

Door J.F. Vogelaar en Anthony Mertens, vertegenwoordigers van het geëngageerde en experimentele proza, werd Biesheuvel (net als Jeroen Brouwers) maar al te makkelijk tot de realisten gerekend. Ze wilden niet zien dat Biesheuvel veel meer tot de soort schrijvers behoorde waar ze zelf waardering voor hadden omdat ze de werkelijkheid heel anders waarnamen: tot de manisch depressieven, de schizofrenen, de surrealisten. Daar schreven ze over in hun onvolprezen tijdschrift Raster. De verhalen van Biesheuvel waren op hun manier ook afwijkend en ‘kritisch’, denk aan de verhalen in De angstkunstenaar en De verpletterende werkelijkheid.

Droevig

Biesheuvel was een belezen schrijver die speelde met wat hij gelezen had. Boeken als Mody Dick, Een held van onze tijd van Lermontov, de verhalen van Poesjkin, de romans van Dostojevski of Nabokov werden een deel van hem, hij spiegelde zich er aan, projecteerde er zijn eigen mentale spanningen op.

Biesheuvel heeft het leven onder mentale spanning tot een algemene, dagelijkse ervaring gemaakt door er in zijn verhalen zo plompverloren, onbevangen en geestig over te schrijven.

Hij deed alsof hij met ze wedijverde, maar hij wist zich ook klein te maken tegenover hen. In tegenstelling tot deze schrijvers gebeurde er niets in zijn leven, zei hij, ‘daarom ben ik droevig. Altijd al ben ik droevig, ik ben in duisternissen, in een diepe kuil en kan er niet uitkomen.’ Die schrijvers werden, net als God en de duivel, door Biesheuvel letterlijk gedomesticeerd, tot onderdeel van zijn huis en dagelijks leven gemaakt.

Renate Rubinstein heeft gezegd dat Biesheuvel voor de gekken heeft gedaan wat Gerard Reve voor de homoseksuelen deed. Dat niet alleen, hij heeft ook het leven onder mentale spanning tot een algemene, dagelijkse ervaring gemaakt door er in zijn verhalen zo plompverloren, onbevangen en geestig over te schrijven. Er is een verhaal (ik meen ‘Regen’) waarin het veel over de dood gaat. Daarin staat de zin ‘Soms, als ik gelukkig ben, wil ik maar meteen dood gaan.’ Al in het titelverhaal van zijn debuut In de bovenkooi wordt de toon gezet: in de bovenkooi, weg van zijn luidruchtige scheepsmaten die hem uitschelden en pesten, voelt hij zich onaanraakbaar en veilig, hoe tijdig ook. Omdat hij constant belaagd wordt door veronrustende gedachten snakt hij er naar niet gestoord te worden.

Biesheuvels verbeelding en fantasie zochten een uitweg voor deze gedachten en angsten, tot het zo’n twintig jaar geleden te hevig werd in zijn hoofd en hij weer eens opgenomen moest worden. Er kwamen daarna nauwelijks nog verhalen, al publiceerde Hollands Maandblad druppelsgewijs nog wel eens flarden die aan het vroege werk deden denken.

In het titelverhaal van De weg naar het licht wordt hij opgebeld door iemand die zegt dat hij nu eindelijk eens ‘los moet komen’, aan het werk moest gaan, zich onder de mensen moest begeven, niet in kringetjes rond zichzelf moest lopen. Daar wordt Biesheuvel kwaad van. Hij zal die vriend, die alleen maar een man van de daad is omdat hij iedereen kan beduvelen, eens laten zien wat hij waard is. Hij is helemaal niet zo schuw en onbeholpen als ze denken.

Om het tegendeel te bewijzen bespringt hij als het ware zijn schrijfmachine, als een paard: ‘ik smeet als het ware het papier in de wagen’ (van de schrijfmachine). Deze gespeelde hoge toon heeft Biesheuvel niet vol kunnen houden, maar gelukkig dat hij daar vaak een komische wending aan wist te geven.