Direct na de oorlog, nog in 1945, begon De Bezige Bij met het uitgeven van Het Woord, een literair tijdschrift onder redactie van Ferdinand Langen en Koos Schuur, vrij snel aangevuld met Jan Elburg en Bert Schierbeek. In een van de nummers was het ‘existentialisme en de kunst’ onderwerp van een essay geweest, maar Schierbeek vond dat er alle reden was om aan de filosofie van het existentialisme nog enkele ‘grondige essays’ te wijden.

Hij vond dat er stelling genomen moest worden tegenover ‘de ziekelijke belangstelling in binnen-en buitenland voor de “angst”, alsof er niets anders meer is in het leven.’ ‘Wij’, de redactie van Het Woord, ‘stimuleren op het ogenblijk meer de “domme intuïtie en levensvreugde” dan mee te zingen in het koor van Sartre, hoewel ik zijn verdienste zeker niet onderschat.’

De dan bijna dertigjarige Schierbeek was duidelijk bezig zijn houding in de tijd te bepalen. Hij wilde de angst niet ‘als enige drijfveer’ erkennen als het gaat om oprechtheid, eerlijkheid en ‘een nieuw humanisme.’ Hij erkent wel dat angst een wezenlijke factor in het leven is, maar hij weet ook dat hij met elke stap die hij zet ‘weer blindelings vertrouwen’ in het leven heeft.

Iedereen kende zijn aanstekelijke lach, de schorre vulkanische explosie.

Vertrouwen mag niet ondermijnd worden, ‘omdat het leven anders onmogelijk zou worden.’ Maar in de literatuur dreigt ‘angst’ bon ton te worden, ‘een mode, een slechte mode zelfs.’ Juist nu (in 1947) de hoofden van de mensen ‘zo heerlijk leeg’ zijn is het zaak vertrouwen te hebben in het dagelijkse bestaan met alle vanzelfsprekende handelingen. Die relativeren de existentiële angst en dat ‘biedt ruimte aan andere gevoelens: humor, ironie, serieus taalspel, ernstige lichtvoetigheid.’

permanente beweeglijkheid

Bert Schierbeek maakte het lachen tot onderdeel van zijn poëtica als dichter en romanschrijver. Iedereen kende zijn aanstekelijke lach, de schorre vulkanische explosie. De afstand tot het existentialisme die hij nam was meer dan een filosofische onenigheid, dat was noodzakelijke distantie voor het creëren van ruimte voor zichzelf. Er moest veel weggelachen worden.

Hij behoorde, zei hij zelf, ‘niet tot de vrolijkste naturen’: ‘Dat wikken en wegen, dat geploeter om inzicht te krijgen in je zelf…maakt een mens maar voorzichtig en oud.’ Hij werd een sympathisant van het zenboeddhisme. Zen is volgens Schierbeeks biograaf Graa Boomsma ‘het lachende denken.’

In het zenboeddhisme is het de bedoeling je hoofd leeg te maken door rituelen, meditatie, het repeteren van zinnen, of door stil te zitten. Dat stilzitten was niet Schierbeeks sterkste kant. ‘Permanente beweeglijkheid’ hoorde meer bij hem, in fysieke, maar ook in filosofische zin: ‘gewoon kijken, voelen, meeleven met alles en iedereen om je heen is een remedie die meer kans van slagen heeft dan welke ingewikkelde theorie ook’, schreef hij. Boomsma vat Schierbeeks streven samen in ‘we moesten maar weer simpel worden.’

vrijzinnige ondergrond

Dat Schierbeeks moeder kort na zijn geboorte overleed bepaalde de rest van zijn leven. Hij werd aanvankelijk door zijn geliefde grootmoeder in het Groningse Beerta opgevoed, maar dat hield op toen hij te groot werd. Hij ging bij zijn vader en diens nieuwe vrouw in Boekelo wonen.

In Beerta was een vrijzinnige ondergrond gelegd (‘een veel betere bron’), in Boekelo gold een burgerlijke strengheid waar hij niet aan kon wennen. Op het gymnasium in Enschede was één lichtpunt: hij had als leraar Nederlands W.L.M.E. van Leeuwen, criticus van Tubantia en schrijver van Drie vrienden over Ter Braak, Du Perron en Marsman.

Dat Schierbeek zich afzette tegen zijn vader en stiefmoeder (‘ik kan tussen die mensen niet leven’) was het begin van zijn ‘verzet’, niet alleen dat hij in de oorlog lid werd van de Amsterdamse ondergrondse verzetgroep GS-6, maar ook breder, zoals hij in zijn dagboek schrijft: ‘Ik heb verzet tot zin van mijn eigen leven verklaard.’

de vormende jaren

Geholpen door Schierbeeks dagboeken schets Boomsma een gevarieerd en mooi beeld van die vormende jaren. Daarin getuigde Schierbeeks ‘weglopen’ naar Amsterdam en op eigen benen gaan staan van enige moed. Bovendien slaagde hij daar op eigen kracht voor zijn staatsexamen gymnasium, nadat hij eerder twee keer in Enschede en Hengelo was gezakt.

‘Verzet’ ging voor Schierbeek ook betekenen dat hij zich afzette tegen zijn opvoeders Ter Braak en Du Perron, wat zich uitte in de eerste proeven van revolte in de taal, uiteindelijk uitmondend in de wild experimentele roman Het Boek Ik in 1951.

Dat ‘Forum’ niets had willen weten van het surrealisme en dada kwam ze duur te staan: Schierbeek en de Vijftigers, waarvan hij deel ging uitmaken, zetten zich af tegen het ‘herkauwen’ van Ter Braak en Du Perron en ruimde meer plaats in voor spontaniteit, vrij associëren, zintuiglijkheid, intuïtie en minder voor intellectualiteit. De tegenstellingen burgerlijk-dichterlijk, aards-hemels, ratio-irratio moesten ze laten varen: ‘Het leven is een totaliteit.’

leeg worden

De veronderstelling dat Schierbeek zich in Het Boek Ik breed maakte voor zijn eigen ik is een begrijpelijk misverstand. Maar het ging er Schierbeek juist om dat ik minder centraal te stellen: ‘het ego is legio, het kan vele gedaanten aannemen.’

Wanneer Schierbeek het in de lyrische vertelling De derde persoon over zijn jeugd heeft gaat het ook over dé jeugd. Hij beschouwt zichzelf als ‘een kind uit tienduizenden’, hij beschouwt zich maar tot op zekere hoogte als een individueel ik.

Zelfs de dood was voor Schierbeek geen grens: zolang we nog over iemand praten is hij er nog.

Geen wonder dat Schierbeek bij Carl Jung uitkomt, de psycholoog van het collectief onbewuste. Zoals hij ook bij het zenboeddhisme uitkwam, waarin het ik wordt weggelachen. Voor zen moet de spiegel stukgeslagen worden. Het ‘zelf’ moet als een niet-ik oplossen in het universum. Het ‘leeg worden’ werd Schierbeeks dagelijkse filosofie (‘leeg zijn is creatief’). De ‘bevrijding’ van zijn geest, zelfs van ‘dé geest’, werd zijn doel.

Schierbeek werd een dichter die ‘de dingen en de mensen ziet als ongeboren, onbelast en schuldeloos en vrij.’ Dat is misschien wel erg veel ‘on’, alsof mensen geen zinvolle ervaringen hebben, geen geschiedenis, niets hebben verworven, niets hebben gedaan dat substantie aan hun leven geeft. Ook al is het interessant om elke dag ‘leeg’ en onbelast opnieuw te beginnen, het leven dreigt dan niet veel om te het lijf te krijgen en draait dan vooral om weer leeg worden. Er wordt geleegd in plaats van geleefd.

Omdat ‘leeg worden’ zo prominent als motief in Schierbeeks leven en werk voorkomt zal men nog opkijken hoe vol het leven van de gezelschapsmens Schierbeek was. Boomsma volgt zijn leven op de voet en stuit daarbij op alles wat hij schrijft, organiseert, vergadert, opent, bereist, liefheeft. Hij zit al vroeg in het bestuur van de uitgeverij De Bezige Bij, maar dat betekent niet dat de romans na zijn debuut Terreur tegen terreur daar zonder meer worden uitgegeven. Schierbeek speelde een beslissende rol bij het aantrekken van bijna alle Vijftigers, dichters waar De Bezige Bij maar heel aarzelend mee in zee ging, maar die uiteindelijk gezichtsbepalend werden voor de uitgeverij. Er moest echt voor Lucebert, Vinkenoog, Elburg en Campert gepleit worden.

Van Menno ter Braak leerde Schierbeek een politicus zonder partij te zijn. Hij deed niet aan politiek, maar zijn naam was wel te vinden wanneer het ging om het bevrijden van Breyten Breytenbach uit de gevangenis, om de apartheid in Zuid-Afrika, om de aandacht voor Chili tegen de junta, tegen de oorlog in Vietnam, om te protesteren tegen koloniale oorlog in Indonesië, tegen de neutronenbom. Hij ging wel naar Spanje in de tijd van Franco. Hij raakte verslingerd aan het land en de mensen, getuige de verschillende boeken die hij er over schreef.

duurzame affiniteit

Niet alleen ‘verzet’ en het ‘ontregelen’ zijn belangrijke motieven in leven en werk van Schierbeek, maar ook ‘het onbegrensde.’ Zelfs de dood was voor Schierbeek geen grens: zolang we nog over iemand praten is hij er nog. Grenzen in de vorm van tegenstellingen, het ontgrensde ‘ik’, landsgrenzen, literaire genres (‘proëzie’).

Alles wat Schierbeek doet en onderneemt wil grenzenloos zijn. Boomsma is goed ingevoerd in leven en werk, maar weet niet altijd een gelukkige balans te vinden tussen het vertellen over de vele activiteiten die Schierbeek onderneemt en de aandacht die moet worden besteed aan het werk en de achtergronden ervan. Het is niet altijd functioneel dat hij dat inbedt en op laat gaan in het lopende levensverhaal van het schrijven, liefhebben, opvoeden, reizen, verblijven op eilanden en in steden van verre landen. Er hadden wel enkele thematische hoofdstukken tussen mogen staan.

Schierbeeks duurzame affiniteit met het zenboeddhisme had, gerelateerd aan zijn poëzie, wel afzonderlijke behandeling verdiend. Nu lijken de essays De tuinen van zen en Een broek voor een oktopus incidenten, terwijl met name de poëzie vanaf De deur er erg door beïnvloed is. De estafette aan lezingen, toespraken, openingen, optredens, prijzen, festivals, stukjes, broodschrijverij, reizen waaruit Schierbeeks leven lijkt te bestaan wordt soms te veel. Het is dan alsof Boomsma Schierbeeks agenda omkiepert.

Het zich al vroeg afzetten tegen de angst van het existentialisme heeft ervoor gezorgd dat Schierbeeks lach, die daarvoor in de plaats kwam, zo’n prominente poëticale betekenis heeft gekregen. De lach (‘Het was een feest om met hem om te gaan. Altijd die aanstekelijke lach’, schreef Hugo Claus), zorgde er ook voor dat de ernst van zijn poëzie gerelativeerd werd en dat makkelijk genoegen werd genomen met mindere gedichten, gedichten met te simpele metaforen. Er was veel ruis rond Schierbeek. Als iets uit de biografie van Boomsma blijkt dan is het dat Schierbeek de bekende regel van zijn vriend Lucebert volledig in de praktijk bracht: dat het erop aankomt de ruimte van het volledige leven te benutten. Zijn lach reikte ver.

Niemand is waterdicht. De biografie van Bert Schierbeek door Graa Boomsma is uitgegeven door De Bezige Bij.