‘Poëzie’ schrijft Anneke Brassinga in Crudités, ‘is meestal hinderlijk, want wezenloos, pretentieus, of braaf beantwoordend aan eigen of andermans denkbeeld over wat poëzie zij.’ Zo’n afkeer van slechte poëzie (daar komt het op neer) ruimt aardig op. Brassinga moet niets van sentimentaliteit hebben, voelt weinig voor gedichten met een boodschap, verdraagt alleen in uitzonderlijke gevallen liefdespoëzie en is geen liefhebber van ‘poëzie als een vorm van allerindividueelste expressie van de overbekendste emoties’. Maar er zijn uitzonderingen.

Blijkens Crudités beschouwt Brassinga de poëzie van Herman Gorter, J.H. Leopold, Martinus Nijhoff, Paul van Ostaijen, Kees Ouwens, Jacob Groot en de Franse dichter Stéphane Mallarmé niet als hinderlijke poëzie, integendeel, daar spiegelt ze zich graag aan. Het is dan ook geen zachtzinnige poëzie, maar weerbarstig en buitensporig in de combinatie taalvernuft en emotioneel gehalte. Dit is een poëzie die duur wordt betaald.

Anneke Brassinga is zelf ook een weerbarstige stem in de Nederlandse literatuur. Naast zo’n twaalf bundels poëzie schreef ze zes collecties essayerend proza, waaronder Het zere been, Bloeiend puin, Grondstoffen en Hapschaar, titels waar het nieuwe Crudités (Frans voor rauwkost) goed in past. Ze is vaak genoeg bekroond, tot en met de P.C. Hooftprijs aan toe. Niet iemand van wie het werk makkelijk leest, tot het onbegrip toe. Wel iemand die iets op het spel zet en daarvoor de rauwe, lastige kanten van de literatuur opzoekt. Maar dat gebeurt allerminst in rauwe taal.

een glorieuze droom

In Crudités staat een essay over de hermetische, intellectuele en abstracte dichter Mallarmé (1848-1898) waarin Brassinga het heeft over zijn uitspraak dat ‘alles ter wereld bestaat om in een boek uit te monden’. Mallarmé bedoelde dat de wereld in de vorm van taal zo maagdelijk mogelijk overgeheveld zou moeten worden in Het Boek (Le Livre). Hij zou daarin ‘de splijting tussen de gewaarwordende en waarnemende mens en de onbezielde stof ‘ opheffen. De wereld zou dan, als ik het goed begrijp, in de door Mallarmé bezielde vorm in Het Boek terecht komen. Het zou de samenkomst van wereld en bewustzijn bewerkstelligen. Het ‘bekoort’ Brassinga blijvend dat Mallarmé ‘de gooi deed naar spiegelende versmelting van wereld en woord, schepping en rituele voleinding’. Het bleef vooral ‘een glorieuze droom’ die niet werd voltooid.

Voor Brassinga is schrijven net als vergeefse rondjes lopen: ‘schrijven is bij uitstek: ergens omheen draaien.’

Dat Brassinga zich hevig voor iemand als Mallarmé interesseert heeft te maken met haar fascinatie voor schrijvers en dichters die naar iets op zoek zijn waarvan ze weten dat het niet gevonden zal worden. De taal en het denken worden er wel voor uitgebeend. Mallarmé werd er vanaf zijn vierentwintigste totaal door in beslag genomen: ‘Zich uit te putten in het vergeefse, werd voor Mallarmé misschien iets loffelijks op zichzelf,’ schrijft Brassinga, ongetwijfeld denkend aan Samuel Beckett van wie bekend is dat hij ook een voorstander was van beter of ‘moedig falen’. Ze noemt Mallarmé’s sonnetten ‘onvertaalbaar’. Het door Paul Claes vertaalde sonnet dat Brassinga citeert getuigt van Claes’ virtuoze taalvermogen, maar is zo goed als onbegrijpelijk.

Op zoek naar de heffalump

Brassinga’s manier van denken is ver verwijderd van het conventionele, logische denken en is, naar eigen zeggen, sterk beïnvloed door de manier van denken van Winnie-the-Pooh, vooral waar het Poohs ‘intellectuele onvolkomenheid’ betreft. Daarvan ziet ze veel terug in haar eigen werk. Met name ‘het celebreren van ongewisheid’ en ‘de dwaling als wegwijzer’ zijn in Crudités te vinden. Het komt ter sprake als ze het over de ‘onvoltooidheid’ heeft van de door haar bewonderde J.H. Leopold, de dichter van wie bekend is dat hij zoveel verzen onvoltooid liet. Hij bleef maar dwalen in zijn eigen gedichten, zonder een uitweg te vinden. Brassinga herkent die onvoltooidheid in de manier waarop Pooh en Piglet in hoofdstuk drie van Winnie-the-Pooh de Heffalump niet kunnen vinden omdat ze steeds maar in hun eigen voetsporen rond het bos lopen. Brassinga trekt het vergeefse rondjes lopen zelfs door naar het schrijven in het algemeen: ‘schrijven is bij uitstek: ergens omheen draaien’. Zou je dat niet doen, en zou je het juiste, verlossende woord daadwerkelijk opschrijven, dan zou het universum instorten. Dat laatste woord zou ons voor goed uit het niet-weten en dwalen bevrijden. Maar ‘dan is alles voorbij’.

Dat juiste laatste woord wordt dus nooit gesproken of geschreven. Vooral niet omdat Brassinga bij herhaling schrijft dat men zich altijd goed moet voorstellen dat elk mens een volslagen eigen werkelijkheid in zijn hoofd heeft. Ze is in literair opzicht een radicaal individualiste. En dus zal ze eindeloos om het juiste laatste woord heen draaien. Die volstrekte eigen werkelijkheid is artistiek en intellectueel gezien uitermate aantrekkelijk. Denk maar aan de originele geest van de door Brassinga gekoesterde Diderot, de Franse filosoof en encyclopedist. Over hem, wiens brieven aan zijn minnares Sophie Volland zij vertaalde) schrijft Brassinga dat hij ervan doordrongen was ‘hoe hartgrondig irrationeel en tegelijk rigide, hoe cerebraal en onbedachtzaam, wreed en teder, behoeftig en bevlogen de mens is.’ Zo vol tegenstrijdigheden (‘wreed en teder’) verschijnt de werkelijkheid ook in Brassinga’s Crudités. Het maakt haar werkelijkheid tot ‘hachelijkheid’.

Brassinga is in haar essays zelden rechtstreeks autobiografisch, maar wel ongedwongen persoonlijk, zoals in het ‘Parijs Journaal’ in Bloeiend puin en in de ‘Terugblik’ aan het slot van Crudités. Daarin valt te lezen dat ze ‘onwelkom geboren’ is in een gezin waarvan ze op vierjarige leeftijd al begreep dat alles om haar heen vreemd was. Warmte en geborgenheid hadden er geen prioriteit. Die belandden dus permanent op haar wensenlijst, om samen de weemoed en de zwartgalligheid mee op een afstand te houden. Ze bleef zich haar leven lang afvragen of die weemoed ‘een fabrieksfout’ was. Maar bij zoveel gebrek aan ‘ontferming’ was er als redding nog wel de werkster. Die ziet ze nog altijd voor zich ’als een door zonlicht omstraald silhouet, een struise schim die met een simpel zegenrijk gebaar de letters trok op het papier dat ze mij reikte en waarin de wereld openging, het land van gecondenseerde melk en honing, de spijs waar Pooh altijd trek in heeft’.

Crudités is een boek om bij de hand te hebben en met urgente traagheid te veroveren.

Ook in Crudités zit weer genoeg bloeiend puin van de soort die ze bij Diderot signaleert. Brassinga schrijft in metaforen, abstracties, beeldspraak, dagelijkse keukentaal (J.A. Dèr Mouw indachtig) en raadseltaal. Ze heeft het over haar dromen in Arcadia die uit nachtmerries bestaan. Waarna ze zich afvraagt of het dagelijkse leven zich daar ook niet afspeelt. Het komt erop neer dat Brassinga’s werkelijkheid een fantasie is van ‘tijdloze, aardse noblesse van liefde en gezelschap en goede wil – tegen het grote achterdoek van bruut geweld en manipulatie.’ Alles wordt bij Brassinga altijd tegelijk, of snel achter elkaar, gezien door de ogen van geluk én droefenis. Ze verdringen elkaar om wie er op de voorgrond moet. Brassinga kan met Mallarmé mee denken en op het Niets uitkomen, maar even later steekt de Schoonheid de kop op, die ze onmogelijk kan negeren, want dat is een ‘weermiddel’, dat voorkomt dat men afglijdt naar de sloppenwereld van de ‘kleine afvaleters, een stofmijt in een zonnig hoekje, twee zilvervisjes, innig verstrengeld in een vochtig washok’. ’Zilvervisjes, die opduiken wanneer het schoonmaken erbij in schiet, staan bij Brassinga voor het ultieme verval.

‘Als sociaal schepsel’, schrijft Brassinga in het prachtige terugkijkende persoonlijke slot van Crudités, voelde ze zich in haar jeugd ‘allang mislukt want onwelkom geboren, als een hinderlijke uitwas. Maar dat de wereld iets wonderbaarlijks had, los van mijn gestaag-beklemmend gevoel van onbehagen en onveiligheid, was me bij het eerste levenslicht al opgevallen’. Die glimp van het wonderbaarlijke plantte in haar de verwachting dat ze opheldering zou krijgen over waaruit dat wonderbaarlijke bestaat. Ze zocht het in de kleuterschool, in verliefdheid, in de literatuur, bij Kafka, Nabokov, Diderot, Mallarmé, Proust, bij Van Ostaijen, in de muziek (met Schönberg als favoriet), in de kunst (Goya). En als vertaler uit verschillende talen, want het ging er snel op lijken ‘dat het woord en ik elkaar na aan het hart lagen, dat het bereid was zich door mij te laten bezielen’.

Crudités is een boek om bij de hand te hebben en met urgente traagheid te veroveren, je kunt er veel omheen draaien, zoals Pooh en Piglet om hun bos, op zoek naar opheldering omtrent de Heffalump.

Crudités door Anneke Brassinga is uitgegeven door De Bezige Bij.