Anders dan in menige andere roman van A.F.Th. van der Heijden komen we in Stemvorken niet veel pure mythologie tegen. Het blijft redelijk binnen de realiteit, ook al neemt die sprongen die men niet eerder heeft zien maken en behoort bij die realiteit menig ‘mysterie’.

Zwanet Vrauwdeunt, die we uit eerdere delen van de cyclus De tandeloze tijd kennen als vrouw van advocaat Ernst Quispel en later als vrouw van Albert Egberts, vertelt in Stemvorken, twintig jaar terugkijkend, het relaas van haar huwelijk met Albert in het jaar 1997. Ze zijn dan tien jaar getrouwd. Er komt onverwacht iemand in haar leven die alles overhoop gooit.

Dat deze liefdesstorm zich voor kan doen heeft te maken met zowel Alberts als Zwanets ‘strijd tegen de Nuchterheid’. Ze verwonderen zich dag in dag uit over de geheimen van deze wereld. De raadsels van geboorte, jeugd, dood, liefde, kennis, sex, kinderen krijgen, Zwanet was er bekend mee, maar toen kwam die ‘onverwachte onbevattelijke liefde’ Corinne. Ze dreigden allebei verpletterd te raken door deze onaardse liefde die tegelijk zo aards mogelijk was: ‘Wij waren zelf de offerdieren in het mysteriespel dat door ons werd opgevoerd.’ Ze waren elkaars vroedvrouw voor het tot leven brengen van hun passie voor elkaar.

de liefde opnieuw uitvinden

Dat Stemvorken bijna negenhonderd pagina’s telt en bovenal een zo expliciet mogelijke erotische liefdesroman is, wil zeggen dat Van der Heijden de lezer langdurig in de zevende hemel houdt en dat die lezer deelt in de lichamelijke en geestelijke belevenissen van Zwanet en Corinne.

Advertentie

Advertentie

Erotische liefdesromans zijn doorgaans niet van deze lengte. Van der Heijden rekt de liefde bewust uit omdat hij van deze affaire een uit zijn voegen knappende Ovidiaanse Ars amatoria wil maken. Hoe heerlijk ook, voor Zwanet en Corinne is het ook angstig en moeilijk: het speelt zich hoofdzakelijk in het huis af waarin Zwanet nog min of meer met Albert getrouwd is. Maar angst hoort erbij. Hier wordt aan Mario Praz’ The Romantic Agony minstens een voetnoot aangebracht bij het lemma ‘verwoestende liefde’. Hier wordt zelfs het ‘waterdichte bewijs’ geleverd, zegt Zwanet, ‘dat echte liefde, hoe zeldzaam ook, bestaat.’

Er is een zweem van vanzelfsprekendheid, routine en verveling om liefde en seks gaan hangen. Daar maakt Van der Heijden korte metten mee.

De ambities van Van der Heijden, Zwanet en Corinne zijn niet gering. Ze willen de hele wereld iets tonen: ‘We vonden onszelf soms volkomen verbijsterd in mekaars armen terug: waren wij hiervoor aangesteld, en door welke hogere macht dan…om dit te ondergaan…met en door voor elkaar…en misschien om het de hele wereld te tonen, ook zonder dat er een oog meekeek via het sleutelgat. De liefde opnieuw uitvinden, op leven en dood, daar ging het om. (…) De liefde ontwerpen zoals die nog niet bestond, en onderbrengen in een nog onontdekte, onderaardse grot van de ziel, waar okergele en roestbruine tekeningen op de wand ons verder wegwijs maakten’.

Dit is een ambitie die breekt met de reputatie die liefde, seks, erotiek en pornografie tegenwoordig hebben: ze hebben volstrekt niet unieks meer, hoe opwindend ook, er is een zweem van vanzelfsprekendheid, routine en verveling om liefde en seks gaan hangen. Daar maakt Van der Heijden korte metten mee: ‘Bij Corinne ontdekte ik dat de gebaren die we maakten, de handelingen die we verrichtten, volstrekt uniek waren: al doende vonden we ze uit.’ Door de erotische minitieusheid waarmee in Stemvorken de respectievelijke vagina’s worden beschreven, ontleed, bestudeerd en bewonderd, wordt de liefde opnieuw gedefinieerd, gerehabiliteerd, van zijn sleetsheid ontdaan. Terug naar de details.

Zonder interessante ‘theorie’ of filosofie gaat dit niet bij Van der Heijden. Het orgasme, net als de andere erotische attributen vulva, clitoris, sluitspier, penis, voorhuid, gelaagde schaamlippen, het beffen, jarretels, slipjes, worden fenomenologisch en praktisch geanalyseerd. Dat gaat net niet ten koste van de opwinding: ‘Alles duidde erop dat zo’n orgasme, zelfs een hele reeks ervan, niet alles was: dat ergens dieper in ons vlees de volmaakte bevrediging zich schuilhield. Dat die niet werd ingelost, hield het verlangen stand…en daarmee de onverzadigbare liefde. Een volgend keer moest alles weer van voren af aan in stelling worden gebracht, van hunkering en verwachting tot aan het acme in meervoud…en daarmee tot aan de noodzakelijke onvoldaanheid. Het orgasme, zo leerde ik, is een voorstadium van het Onbereikbare, dat dus uiteindelijk ook daadwerkelijk buiten bereik blijft’.

de venus van mierlo

Zwanet en Corinne (allebei midden veertig) zijn het grootste deel van de roman in bed doende met dit opnieuw uitvinden van de liefde. Maar er is meer in de roman. Corinne komt in het leven van Zwanet omdat Albert deze jeugdvriendin van hem op een avond heeft uitgenodigd om eens kennis te maken met Zwanet. Corinne was jarenlang een veelgevraagd fotomodel dat op menige cover van Vogue, Marie Claire, Elle en Libelle te zien was. Ze woonde in Mierlo, (bekend als de Venus van Mierlo), Albert niet ver daar vandaan in Geldrop.

Zwanet heeft altijd gedacht dat Albert al de jaren van hun huwelijk een geheime relatie met haar heeft onderhouden, maar daar had ze nooit bewijzen voor. Dat is wat haar de hele avond bezighoudt, zonder resultaat. De hekel die ze aan het begin van de avond aan Corinne heeft verandert geleidelijk, tot er zelfs bij het afscheid een onhandige kus van komt. De avond met z’n drieën duurt zo’n honderdvijftig pagina’s. Dat is te veel wanneer de personages nauwelijks een gezicht krijgen, zich alleen in small talk uiten.

Het is knap dat Van Heijden deze hogere nietszeggendheid zo lang volhoudt. Het is dat er niets ontbreekt aan zijn beeldende manier van vertellen (die hij voor deze gelegenheid heeft uitgeleend aan Zwanet, vandaar dat die zich zo masculien kan uitdrukken), anders was deze inleiding op de liefdescoup van Zwanet en Corinne te veel een corvee geweest.

tamelijk eendimensionaal

Een belangrijk onderdeel van de roman is dat Zwanet drie dagen in de week bij de ongediertebestrijding van de Gemeente Amsterdam werkt en daardoor meteen aan bet begin van de roman te maken krijgt met een in de war geraakte naakte vrouw die wordt aangetroffen bij een in ontbinding verkerend lijk, vermoedelijk vermoord. Zwanet trekt zich het lot van die vrouw aan, maar de vrouw is agressief, schopt en bijt en is niet te benaderen. In de opvang loopt ze en gedraagt ze zich als een tijger. Ze is een dompteuse die door haar tijgers is aangevallen en zwaar lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen.

Stemvorken is tamelijk eendimensionaal, heeft geen schurende diepere lagen.

Zwanet wil ooit een boek met verhalen schrijven over zulke ervaringen, getiteld De stad en de holen. Deze vrouw vertegenwoordigt de rafelrand van de samenleving, een contrast met het Amsterdam Oud-Zuid waar Zwanet zelf woont. Nog meer van zulke rafels zijn te vinden bij Corinne en haar dochter Rita die bevriend is met Tibbolt Satink, beter bekend als Movo uit de Movo Tapes, de jongen die van zijn eigen identiteit af wil en ‘een ander’ wil worden als escortboy. Tibbolt wil daarom van Rita af.

Deze zelfkant van de roman geeft een glimp van wat er zich verder in de samenleving afspeelt, maar schrijnend wordt het niet. Stemvorken is tamelijk eendimensionaal, heeft geen schurende diepere lagen, zoals Onder het plaveisel het moeras of Advocaat van de hanen.

In Stemvorken komt wel degelijk een moment dat Zwanet en Corinne tijdelijk uit hun liefde ontwaken. Dan leggen ze hun ‘onverschilligheid voor de ontwikkelingen in de buitenwereld’ af. Ze worden weer bezorgd en dan komen er ideeën los over het organische (natuur) dat door het anorganische (stenen, beton) wordt weggedrukt. Of over de ‘Spullenbaas’ (het kapitalisme) die al duizenden jaren de dienst uitmaakt en zo heeft gezorgd voor het Grote Teveel waar we allemaal aangenaam aan verslaafd zijn.

Aan Stemvorken ontbreken morele dilemma’s die de verrukkingen van Zwanet en Corinne onder druk zetten. Hun respectievelijke echtgenoten kunnen daar niet voor zorgen, daarvoor krijgen ze te weinig inhoud.

Dit is niet de kracht van Stemvorken, die zit in de pagina’s lang aanhoudende erotische beschrijvingen. Het is alsof je Van der Heijden ziet bouwen aan de alinea’s, de woorden als metselstenen gebruikend. Alle onderdelen van de lichamen van Zwanet en Corinne worden tijdens de liefdesscenes gedetailleerd en, natuurlijk, liefdevol hun plaats gegeven: de nekhaartjes, de puistjes, de sproeten, het karakter van de tepels, de okselhaartjes, de moedervlekken, de navel, de bilspleet, de tenen, tussen de tenen, de enkels.

Het komt zo dichtbij dat het soms is alsof je met je neus in het kruis van Zwanet (of Corinne) geduwd wordt, om het oneerbiedig te zeggen. Ze gaan er zo in op dat het groteske vormen aan kan nemen. Zoals in de erotische betekenis van de stemvorken. Twee in elkaar geschoven stemvorken stellen de vier benen van de vrouwen voor. De bedoeling is dat de halfronde onderkanten tegen elkaar komen, wat in het het echt betekent dat twee vulva’s tegen elkaar schuiven en zo proberen samen een orgasme te bereiken, de hoofden allebei aan een kant van het bed.

Het is een acrobatiek waar de Kamasutra nog geen weet van heeft. Stemvorken zorgt wel vaker voor een supplement op dat boek, zoals wanneer het over de vagina gaat: ‘Het blijft tot gekmakens toe begeerlijk in z’n grillige ranzigheid, met z’n licht gekartelde vleugels, die met elkaar nog een beetje de plettende vorm van het popomhulsel behouden hebben, terwijl het blinde kopje zich zwellend bevrijdt van z’n capuchonnetje. (…) Het glinstert en zwelt schaamteloos, en lijkt me toe te roepen: kom maar, ik lust je rauw…ik rauw, jij rauw. Kus me, en vreet jij mij op jouw beurt op…slobber maar als een zeug. Je tong zal geen weerstand ontmoeten, behalve mijn verrukkelijke afschrikwekkendheid’.

Al deze verrukkingen hebben niet stilzwijgend plaats. Wanneer ze in de Bijenkorf kleren passen en overmand worden door wat de liefde wil, klinkt er vanuit het pashokje verrukte kreet na kreet. Verrukte kreten ook thuis, maar niet altijd hebben ze zich van tevoren afgevraagd of Albert thuis is of Zwanets kinderen Cynthia en Thjum. ‘Er zijn ook nog kinderen bij in dit gehorige huis’, zegt Albert op een dag timide.

Zwanet en Corinne doen in enthousiasme voor hun liefde niet voor elkaar onder, maar bij Corinne sluipt soms enige ironie naar binnen, zoals wanneer Zwanet denkt dat hun liefde zo hevig is dat het op zelfvernietiging zal uitlopen. Wanneer Corinne’s man (met wie ze in scheiding ligt) op een dag hun herdersuur ruw verstoort zijn ze daar zeer dichtbij en komt er een voorlopig einde aan deze amour fou. Van Heijdens beeldhouwende manier van schrijven sleept je zonder meer door Stemvorken, maar het is een marathon die korter had gekund.

Stemvorken door A.F.Th. van der Heijden is uitgegeven door Querido.