Wanneer iemand een reeks boeken de titel La République des Idées geeft en een tijdschrijft La Vie des Idées, dan weet je dat hij in een land leeft waar het denken permanent in beweging is, steeds klaar voor andere ideeën, nieuwe inzichten, verrassende stellingnames. De bedenker van deze reeks boeken en dat tijdschrift is de Franse historicus en filosoof Pierre Rosanvallon.
Hij heeft zelf een serie boeken geschreven met ‘democratie’ in de titel (La démocratie inachevée, Le contre-démocratie, La légitimité démocratique). Waaruit je kunt opmaken dat ‘democratie’ voor hem geen in lood gegoten politieke filosofie is, maar een die chronisch onaf (inachevée) is en permanent om onderhoud vraagt. Het is ‘werk in uitvoering.’ Dat is ook de ondertitel van De democratie denken, een boek met zijn essays dat onlangs verscheen.
In Rosanvallons democratie zijn de tegenspraak en het permanente wantrouwen van kritische burgers een wezenlijk onderdeel.
Net als een van zijn leermeesters Claude Lefort zet Rosanvallon de democratie af tegen autoritaire en totalitaire regimes. Allebei stelsels en ideologieën waarin alles vastligt, alles samenhangt en voor altijd ‘af’ is: in beton gegoten, zodat er geen plaats is voor nieuwe inzichten.
Tegenbeweging
In Rosanvallons democratie zijn de tegenspraak en het permanente wantrouwen van kritische burgers een wezenlijk onderdeel, als een tegenbeweging die voor dynamiek in de democratie zorgt. Die moet geen vaste structuur krijgen, anders verliest ze haar spontane tegenkracht.
Tegenstellingen en contradicties zijn onuitroeibaar wanneer ‘het leven van de ideeën’ de ruimte krijgt. De gele hesjes en het populisme vindt Rosanvallon dan ook ‘niet alleen maar slecht’, waaraan te zien is dat hij lang geleden op de werkvloer van een vakbond is begonnen (hij is nu hoogleraar aan het Collège de France). Een van zijn andere projecten is ‘het een stem geven aan wie nooit gehoord wordt’. Aan ‘gewone’ mensen die over hun leven vertellen. Dat gebeurt in de vorm van boeken en op de website Raconter le travail.
Kraaldenken
Door de opkomst van autoritaire regimes waarin het leveren van kritiek niet erg op prijs wordt gesteld (Hongarije, Polen, Brazilië), wordt kritiek uiten en je mening geven steeds minder vanzelfsprekend. Daardoor ga je de waarde ervan nog meer inzien.
Toch wordt ook in Nederland minachtend gedaan over het leveren van kritiek. Bijvoorbeeld door Willem Schinkel en Rogier van Reekum, sociologen van de Erasmus Universiteit, in hun boek Theorie van de kraal. Kapitaal | Ras | Fascisme. Kritiek leveren noemen ze ‘debatgebabbel’, ‘academische necrofilie’. Kritiek is ‘revisionistisch’. Ook is kritiek ‘een perfect gebureaucratiseerde vorm van kraaldenken geworden.’
Schinkel en Van Reekum beschouwen ordening als ‘gewelddadig’, als uiting van de ‘fascistische’ behoefte aan inkaderen, verenigen, orde aanbrengen.
‘Kraaldenken’? Wat mag dat zijn? In Theorie van de kraal presenteren Schinkel en Van Reekum de ‘kraal’ als een fictief ruimtelijk principe, als een metafoor voor alles wat een geordende ruimte inneemt. Er moet dan gedacht worden aan ‘samenleving’, ‘natie’, ‘institutie’, ‘markt’, allemaal ordeningen die Schinkel en Van Reekum beschouwen als ‘gewelddadig’, als uiting van de ‘fascistische’ behoefte aan inkaderen, verenigen, orde aanbrengen: ‘Kraal is ordening, toe-eigening van woekeringen, dressuur ervan tot orde, tot circulatie, tot regelmatige terugkeer.’ Letterlijk is een kraal een omsloten ruimte voor vee, maar Schinkel en Van Reekum zien het als ‘een biopolitieke ruimte waarbinnen populaties gedresseerd worden voor de circulatie van arbeid en kapitaal.’
Afkeer van de huidige ‘wereld’
Je zou dit een sociologenideetje kunnen noemen, maar Schinkel en Van Reekum maken een wilde en hatelijke gedachtevlucht om hun totale afkeer van de huidige ‘wereld’ te ventileren. Ze hebben zich ver van de werkelijkheid opgesteld. Ze bedienen zich van een metafysisch dieventaaltje dat een potje opgewonden filosoferen oplevert, een soort gratis voor niets idealisme, verwant aan het communisme dat de Franse filosoof Alain Badiou tegen alle redelijkheid in hooghoudt.
Het leven heeft niets met orde, het leven is volgens Schinkel en Van Reekum louter ‘woekering’.
‘Orde’ is in de metafysica van Schinkel en Van Reekum een smerig woord. Het leven heeft niets met orde, het leven is volgens Schinkel en Van Reekum louter ‘woekering’. Die woekering kent geen afbakening, speelt zich niet af in een ruimte, en al helemaal niet in een ‘kraal’. Het is onbegrensde woekering, ver weg van enige samenhang.
Wil men ordening, dan hebben we volgens Schinkel en Van Reekum te maken met fascisme: ‘fascisme is de dynamische kracht van de orde.’ In politieke termen gevat: ‘De huidige incarnatie van fascisme is uiteindelijk precies dit: explicitering van het ideologisch programma van de bestaande orde.’ Er is geen ‘wezenlijk verschil tussen de orde en het fascisme.’
De ‘woordpolitie’
Natuurlijk val ik over dit vreemde gebruik van het woord fascisme. Wie daar moeite mee heeft, is volgens Schinkel en Van Reekum een ‘keurige intellectueel’ die nooit eens uit de band springt door de dingen bij hun naam te noemen. Zo keurig moet ik dan voor een keer maar zijn.
Heb ik bezwaar tegen dit losse gebruik van het woord fascisme? Dan ben ik lid van de ‘woordpolitie’. Die vindt dat het woord fascisme alleen gebruikt moet worden voor de periode 1933-1945. Die mening ben ik helemaal niet toegedaan; er zijn genoeg momenten waarop iets ‘fascistisch’ genoemd kan worden. Maar Schinkel en Van Reekum vinden de ‘bestaande orde’ al fascistisch. Hoe grof kun je zijn?
Schinkel en Van Reekum creëren een oorlogssituatie met het bedenken van perverse tegenstellingen.
Tussen zulke half krankzinnige hersenspinsels schrijven Schinkel en Van Reekum dat ze een wereld met minder geweld willen. Dat is te begrijpen als ze zo ongeveer alles in de ‘bestaande orde’ gewelddadig vinden. Het zou goed zijn als ze met dat mindere geweld zelf zouden beginnen en geen oorlogssituatie zouden creëren met het bedenken van perverse tegenstellingen.
Zo gaat het in het boek ook voortdurend over de ‘witte mensen’ die alles fout hebben gedaan, al eeuwenlang. Spreken van ‘witte mensen’ (de halve mensheid) en die allemaal ‘gewelddadigheid’ toedichten: dát is nog eens fascistisch. Die witte mensen moeten van Schinkel en Van Reekum leren ‘dat er mensen zijn die witheid haten (…) die weten dat haat het wezen van witheid is.’
Verrechtsing
Er is nog genoeg racisme op de wereld. Angela Saini, de Engelse schrijfster van Superieur, een boek over de revival van de rassenleer, citeert de extreemrechtse ideoloog Steve Bannon. Die zei tijdens een toespraak: ‘Laat ze jullie maar racistisch noemen, laat ze jullie maar xenofoob noemen, laat ze jullie maar nativistisch noemen. Draag het als een ereteken.’
Schinkel en Van Reekum creëren willens en wetens een wereldomspannende tegenstelling tussen wit en zwart.
Met deze verrechtsing is er alle reden om hier nog meer op bedacht te zijn. Maar heeft het zin om te stellen, en is het waar, dat ‘haat het wezen van de witheid’ is? Schinkel en Van Reekum creëren willens en wetens een wereldomspannende tegenstelling tussen wit en zwart, een nieuw manicheïsme. Wat beledigend is voor alle mensen die niets van racisme moeten hebben en er ook niet schuldig aan zijn. Ook niet ‘historisch’.
Walgelijk sentimenteel
Schinkel en Van Reekum worden aan het eind van hun boek walgelijk sentimenteel – dat is altijd oppassen wanneer er eerder zo veel gewelddadige taal is gebezigd. Na de afschuwelijke tegenstelling tussen wit en zwart te hebben gecreëerd komen ze mooie sier maken met de liefde en met de apostel Paulus. Die heeft gezegd ‘dat we geen Jood of Griek, slaaf of vrij mens, man of vrouw zijn, maar één in Christus.’ Onder die eenheid scharen Schinkel en Van Reekum zich. En dan te bedenken dat ze met deze liefde een paar pagina’s eerder hulpverleners op hun ziel hebben getrapt die mensen aan de rand van het bestaan helpen. Dat zouden mensen zijn die ‘prat gaan op hun paternalistische zorg.’
Theorie van de kraal is driedubbel doorgeschoten kritiek, als je het zo al kunt noemen. Het leven mag geen vorm aannemen, moet van Schinkel en Van Reekum blijven ‘woekeren’, niet geordend worden, ook niet provisorisch. Maar er valt niet te leven zonder enige ordening. Ze willen ook dat het bestaan ‘onvolledig’ blijft, niet ‘compleet’ wordt en geen grenzen of randen kent.
Het toeval wil dat de democratie van Pierre Rosanvallon, over wie ik het in het begin had, minstens zo open en onaf is, altijd in ontwikkeling is en ook beducht is om ‘af’ te raken. Maar het verschil is dat Rosanvallon heeft begrepen dat enige ordening, enige vormgeving, onvermijdelijk is, en zelfs veel moois kan opleveren.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.