Het was al de meest gefotografeerde boom in Engeland, maar dat werd hij helemaal nadat hij in 1991 te zien was in Robin Hood: Prince of Thieves met Kevin Costner: de Sycamore Gap Tree, de boom die tussen twee heuvels naast de Muur van Hadrianus stond bij Crag Lough in Northumberland. Een boom zoals een boom moet zijn, een esdoorn, mooi van vorm en silhouet, driehonderd jaar oud, beschermd door de National Trust, boom van het jaar in 2016. En toch werd hij op 28 september 2023 door idioten omgezaagd en voor lijk achtergelaten. Het te pas en te onpas gebruikte woord ‘iconisch’ was op Robin Hood van toepassing, standvastig en solitair stond hij daar de tijd uit te dagen. ‘The felling of the tree led to outpouring of anger and sadness’, stond in de krant.

The inmiddels gevelde Sycamore Gap Tree in Northumberland. Foto: Sime s.r.l./ANP

Die verontwaardiging en droefheid maakt nog eens duidelijk hoe gevoelig vandalisme ligt als het over iets van natuur en milieu gaat. De Robin Hood-boom was zo’n beetje de ambassadeur van de bomen geworden. In de huidige verhoudingen is natuur iets waar niet meer mee valt te sollen. Er is geleidelijk een tegencultuur van activistische natuur- en milieubewegingen ontstaan (Greenpeace, Milieudefensie, Extinction Rebellion, Natuur & Milieu) die permanent grote vervuilende bedrijven aanspreken dan wel gerechtelijk aanklagen voor het overtreden van regels, voor zich niet houden aan afspraken, voor het doorgaan op de oude voet.

Bomen halen elk jaar de truc uit zich helemaal te vernieuwen. Dat is ‘their yearly trick of looking new’, zoals Philip Larkin zegt in zijn gedicht The Trees. Ze krijgen dan een fantastische bos nieuwe groene bladeren waar ze bijna een heel jaar meedoen om ze tenslotte als mooie gele bladeren naar beneden te laten dwarrelen, waar ze in de herfst door jouw schoenen triomfantelijk de lucht in kunnen worden geschopt. Ton Lemaire noemt zichzelf in Bomen en bossen een bosmens en een bomenmens. Dat betekent dat ze iets meer voor hem betekenen dan als aangenaam decor in de straat, de laan, de tuin of het plein. Als kind waren bomen voor hem ‘persoonlijkheden’ voor wie hij ontzag en bewondering had, zeker wanneer ze groot en oud waren. Hij werd vertrouwd met wilde kastanjes, linden, eiken, vlieren, appelbomen en de boom van het beukennootje. Hij ging aan ze hechten en op den duur werden ze een soort vrienden. Lemaire is geen sympathisant van het pure animisme. Hij kent geen ziel toe aan bomen, maar het zijn wel levende wezens die met de nodige egards behandeld dienen te worden. Een boom doe je niets aan. Een beetje spontaan animisme kan geen kwaad.

niet boomknuffelen

Lemaire maakt van Bomen en bossen een cultuurgeschiedenis door alle registers langs te gaan waarin bomen een rol spelen. Zoals de Bijbel, de Griekse mythologie, de paradijstuin, de boom van Goed en Kwaad, monumentale bomen, bomen als metafoor, bomen die vereerd worden en bomen met helende kracht. Het nut van bomen, zoals de leverancier van zuurstof, de bomen in de schilderkunst, heilige bossen, betoverde bossen, feeën en elfen, de ontbossing en de herbebossing en de glorie van de vruchtbomen. Waar de boom in de geschiedenis ook voor staat, het is zeker de personificatie van wat niet rechtlijnig is. Dat is de esthetische en morele kracht van de boom.

De boom is het beste bewijs dat de romantiek structureel onderdeel is geworden van ons bewustzijn, niet beperkt is gebleven tot het eerste kwart van de negentiende eeuw. De boom maakt al het rechte, vierkante, zware en ongenaakbare rond, krom, licht en doorzichtig. Zet een boom strategisch voor een lelijk gebouw en weg is de lelijkheid. De nuchtere kant van de Verlichting heeft de romantiek niet kunnen uitwissen, met de boom als bewijs en getuige.

‘De stem van de natuur’ is het geluid dat nog niet al te zeer is vervormd of bedorven door de eisen van het leven. Een onbedorven kern van waaruit gedacht kan worden.

De romantiek houdt contact met primaire emoties, met gevoelens, met het wilde, met wat nog niet gecultiveerd is, nog niet door de molen van het leven is gegaan. Nadat hij een week in het bos van Saint-Germain had doorgebracht, twintig kilometer buiten Parijs, concludeerde Jean-Jacques Rousseau dat ieder mens in zichzelf ‘de stem van de natuur’ kan horen. Dat is het geluid dat nog niet al te zeer is vervormd of bedorven door de eisen van het leven. Een onbedorven kern van waaruit gedacht kan worden. ‘Een zekere dubbelheid’, Verlichting én romantiek, is daardoor stevig in onze cultuur en bewustzijn gaan zitten. Vandaar dat de industriële en technologische nuchterheid niet meer zomaar zijn gang kan gaan, moet voldoen aan eisen van het milieu en de natuur.

Hoeveel weerstand er ook is tegen de industrialisering en verstedelijking, voor Lemaire is het verre van genoeg. We leven inmiddels in een door en door kunstmatige wereld die wegdrijft van de natuurlijke bronnen. We zien de wereld steeds meer via het beeldscherm: ‘de wereld zelf in haar concreetheid raakt op de achtergrond, wordt secundair’. De kunstmatigheid is zo ver doorgevoerd dat de reactie erop alleen nog maar extreme vormen kan aannemen. De natuurbeleving wordt een oppervlakkige mode. Er worden bosbaden en woudbaden bedacht waarbij men dagen in een bos of woud doorbrengt (ondergedompeld wordt) als remedie tegen de vervlakking van de zintuigen door de moderne beschaving.

Het enorme oeuvre van Ton Lemaire, sinds zijn debuut Tederheid in 1968 bestaande uit zo’n 22 boeken met als hoogtepunten Filosofie van het landschap (1970) en De val van Prometheus, (2010) is een worsteling met de dubbelheid waarmee hij met de natuur in het algemeen omgaat: dat is zowel wetenschappelijk als esthetisch, objectief als subjectief, laverend tussen naturalisme en animisme, laboratorium en poëzie. Hij is zich er goed van bewust dat het onmogelijk is om terug te keren naar de archaïsche wereld en haar manier van denken. Maar hij moet ook weinig hebben van de ‘verkleutering’ van de boom in boeken als Het geheime leven van de bomen, waarin Peter Wohlleben het over ontspruitende boompjes heeft als ‘boomkinderen’ en over oude bomen als ‘boommoeders’. Deze vermenselijking (antropomorfisering) van bomen leidt onvermijdelijk ook tot ‘boomknuffelen’.

natuurheidenen

Lemaire zelf kan niet anders dan op een kruispunt staan waar een wetenschappelijke, cognitieve, poëtische, esthetische en ecologische benadering samenkomen. Dat betekent een paradoxale ‘ware onderdompeling in bos en boom’ en tegelijk ‘een onvermijdelijke afstand’. Het is onmogelijk om te voelen hoe het is om boom te zijn, maar een beetje in hem verplaatsen komt zijn welzijn ten goede. Lemaire gaat het er om ‘te streven naar een verruimde rede die recht kan doen aan een rijkere sensibiliteit voor de natuur, dus een symbiotische rationaliteit die dringend nodig is in een ecologische gezinde samenleving’.

Er komen in Bomen en bossen soms personen voor die niets om bomen of de natuur geven. Dat kan, en het zijn niet de minste die er geen affiniteit mee hebben. Zoals Socrates. Hij is in de dialoog Phaedrus buiten Athene aan de wandel met Phaedrus. Wanneer ze onder een plataan wat uitrusten roemt Socrates de schoonheid van de plaats waar ze zitten en het geluid van de tsjirpende cicaden. Dat is bijzonder want Socrates, hoewel zoals bekend leergierig, zegt niets van het platteland en de bomen te kunnen leren, ‘maar wel van de mensen in de stad’. De andere natuurheiden is Jean-Paul Sartre en Roquentin, de hoofdpersoon van zijn roman Walging. Wanneer hij in een park in Parijs de dikke wortels ziet van een kastanjeboom krijgt hij een aanval van walging: die verworteling versterkt voor hem de duistere dichtheid van de wereld: ondoordringbaar, absurd, doods, toevallig. Veroordeeld is hij tot de absolute vrijheid in een zinloos universum.

Ton Lemaire is in zijn werk en ook weer in Bomen en Bossen ontkomen aan een aanval van walging zoals die van Roquentin. Hij ziet geen absurditeit en doodsheid in de wortels van de kastanjeboom, maar door zijn ‘verruimde rede’ en sensibiliteit ziet hij juist leven in de bomen, misschien niet met zo’n ‘felle vreugde’ als Darwin in zijn jeugd, maar dan toch wel in zijn geest.

Bomen en bossen. Bondgenoten voor een leefbare aarde door Ton Lemaire is uitgegeven door Ambo/Anthos.