Stamvader Isaak had een pittig leven. Hij werd als eerste jongetje op zijn achtste levensdag van zijn voorhuid ontdaan, dat had zijn vader Abraham zo afgesproken met God. Het was niet genoeg. God besloot dat Abraham zijn zoon in het geheel moest offeren om zijn loyaliteit aan de Almachtige te bewijzen. Alles lag klaar, Isaak incluis, op het altaar. Op het laatste moment stuurde God een engel om de jongen te ruilen voor een ram. Die gekke Schepper toch, altijd vol verrassingen. Isaak mocht blijven, maar het moet toch een tamelijk traumatische ervaring zijn geweest.

Dit is deel twee in een serie van culinair journalist Joël Broekaert over hoe bonen ons inzicht bieden in de geschiedenis van de mens. Lees de overige delen hier.

Op zijn veertigste zond Abraham er eindelijk eens iemand op uit om een vrouw voor zijn zoon te vinden. Vrouw gevonden, trouwen et cetera. Blijkt ze geen kinderen te kunnen krijgen. Isaak bidden tot God. Vooruit, gebed verhoord. Op zijn zestigste maakt hij zijn vrouw Rebekka toch zwanger. Wat denk je? Een tweeling! Op zijn leeftijd. Arme man. Daarna krijgt-ie gezeik met de Filistijnen, wordt hij ook nog volledig blind en raakt, niet geheel verrassend, in een depressie.

Je kunt het hem niet echt aanrekenen dat Isaak zich op zijn honderddertigste op tamelijk simpele wijze in de zeik laat nemen door zijn jongste zoon Jakob, die zich aan zijn stekeblinde vader voordoet als zijn, blijkbaar buitensporig behaarde, broer Esau, door zijn armen en nek te bekleden met een geitenvachtje. Het was allemaal onderdeel van een sluw plan om zijn oudere broer het geboorterecht te ontfutselen. Jakob had alleen nog de zegen van zijn vader nodig, want Esau – dat was de echte domkop – had eerder al zomaar zijn eerstgeboorterecht verruild voor een bordje linzensoep. Omdat-ie honger had…

Even een stukje Genesis (25:27-34, voor wie het weten wil): ‘Toen de jongens opgroeiden, werd Esau een man, ervaren in de jacht, een man van het veld, maar Jakob was een huiselijk man, die in tenten woonde. En Isaak had Esau lief, want wildgebraad was naar zijn smaak. (…) Eens had Jakob een gerecht gekookt, en Esau kwam vermoeid van het veld. Toen zeide Esau tot Jakob: laat mij toch slokken van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. (…) Maar Jakob zeide: verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorterecht. En Esau zeide: zie, ik ga toch sterven; waartoe dient mij dan het eerstgeboorterecht? (…) Zo verkocht hij aan Jakob zijn eerstgeboorterecht. Toen gaf Jakob aan Esau brood en het linzengerecht.’

Linzen waren, naast erwtjes en tarwe, een van de eerste gewassen die werden gedomesticeerd in de Vruchtbare Sikkel

Deze rode linzen van Jakob spelen een sleutelrol in de historische interpretatie van dit verhaal, namelijk dat het de transitie van een jager-verzamelaars- naar een agrarische cultuur symboliseert: Esau is een man ‘van het veld’, een stereotiepe jager. Jakob was een ‘huiselijk man’, hij woonde in tenten, zoals de vroege herders-boeren. De samenleving was in transitie: de vader Isaak had nog een duidelijke voorkeur voor ‘wildgebraad’. Maar de jacht blijkt een weinig betrouwbare manier van voedselvoorziening. Esau komt met lege handen en uitgehongerd terug. Hij is afhankelijk van de verbouwde gewassen van Jakob, de boer, die vanaf dat moment de meer prominente plek inneemt.

Paulus Moreelse, Ezau verkoopt zijn eerstgeboorterecht, na 1609. Beeld: Rijksmuseum Amsterdam
Orde en gemeenschapszin

Dat in dit verhaal linzen symbool staan voor de ontwikkeling van de landbouw is niet toevallig. Linzen waren, naast erwtjes en tarwe, een van de eerste gewassen die werden gedomesticeerd in de Vruchtbare Sikkel (het land tussen de Nijldelta en het tweestromenland tussen de Eufraat en de Tigris), zo’n tienduizend jaar geleden. Linzen zijn altijd een bijzonder belangrijk onderdeel van het dieet geweest in het Midden-Oosten (het oudst bekende peulvruchtenrecept is een Akkadische tekst uit 1600 v. Chr. dat een gerecht met linzen beschrijft).

Een mens kan zo rond de honderdvijftig andere individuen echt goed kennen.

Landbouw en bevolkingsgroei gingen hand in hand en versterkten elkaar. Agrarische samenlevingen groeiden uit tot stad­staten en koninkrijken. Steeds meer mensen moesten in steeds grotere verbanden steeds dichter op elkaar samenleven. Maar daar zijn mensen niet voor gemaakt. Jager-verzamelaars leefden in stamverband in kleine groepen, in een relatief simpele hiërarchie op basis van persoonlijke bekendheid, onderling vertrouwen en roddel. Als de groep te groot wordt om elkaar onderling te kennen, werkt dat niet meer. Een mens kan zo rond de honderdvijftig andere individuen echt goed kennen. Die grens geldt in de moderne samenleving nog steeds in bijvoorbeeld familiebedrijven.

Als die grens overschreden wordt, dan heeft men gemeenschappelijke mythen nodig om sociale ordes en hiërarchieën in te verankeren en om mensen die elkaar niet kennen te laten samenwerken. De natiestaat is een voorbeeld van zo’n mythe: twee Nederlanders die elkaar totaal niet kennen, vieren toch samen Koningsdag omdat ze geloven dat ze allebei Nederlander zijn. Of de Universele Rechten van de Mens: we kennen elkaar niet, maar geloven er allebei in, dus demonstreren we samen.

Het grootste deel van de geschiedenis werd die rol van gemeenschappelijke mythe met veel verve vervuld door religie. Mensen hebben ziekenhuizen gebouwd en kruistochten ondernomen omdat ze geloofden dat een marginale joodse sekteleider voor hun zonden aan het kruis genageld was.

Religie bood ook een emotionele vervanging voor de gemeenschapszin die onherroepelijk verdween. Religie was vooral handig omdat het uitgaat van algemeen bindende normen en waarden op basis van een bovenmenselijke orde die legitimiteit kan verschaffen aan de imaginaire en daardoor fragiele sociale ordes en hiërarchieën waarop steeds grotere en complexere samenlevingen waren gebaseerd. Het handigste bleek een monotheïstische godsdienst die uitgaat van een universele bovenmenselijke orde die overal en voor iedereen geldt, met een gezonde portie bekeringsdrang – zoals het christendom, de islam of het boeddhisme. Voor het grootste deel van onze geschiedenis verschafte religie structuur, orde en gemeenschapszin. Het was de grote harmonisator en als zodanig een voorwaarde voor de ontwikkeling van complexe beschavingen.

Lens culinaris Papilionoideae in de familie Leguminosae
Bonen zijn voor de armen

Terug naar die rode linzen van Jakob. Volgens de Bijbelse chronologie speelt dit verhaal zich af rond de negentiende eeuw voor Christus. Het verschafte de Israëlieten, een klein millennium later, een gemeenschappelijke mythe: zij stammen allemaal af van de twaalf zonen van Jakob. En de moraal bevestigde dat hun sedentaire, agrarische levensstijl juist en betrouwbaar was.

Als je rijk was, kon je je vlees veroorloven. Dat is altijd zo geweest.

In het linzenverhaal schuilt ook een andere historische waarheid: bonen zijn handig als eiwitrijke vleesvervanger, maar alleen als het echt moet. Bonen zijn voor de armen. Als je rijk was, kon je je vlees veroorloven. Dat is altijd zo geweest. Je vindt dat ook terug in onze taal. In gezegden als: een boon in de brouwketel (dat stelt niets voor); een boon in de pot willen doen (iets onbelangrijks willen zeggen); of boontjes uit water eten (een eenvoudige maaltijd genieten). Mensen eten liever vlees dan bonen, dat is bijna altijd en overal zo. Behalve in India, daar zijn bonen geen ondergewaardeerd armeluisvoedsel. En dat heeft ook met religie te maken. In het hindoeïsme en het boeddhisme zijn alle wezens gelijkwaardige afstammelingen van dezelfde oerbron. Dus wordt het doden van levende wezens in zijn geheel afgewezen. Hindoeïstische en boeddhistische samen­levingen zijn daarom overwegend vegetarisch. En als je geen vlees eet, dan zijn bonen daadwerkelijk van levensbelang. Een bekend hindoe-spreekwoord luidt: ‘Rijst is God, maar linzen zijn mijn leven.’

De rest van de mensheid is en blijft vleeseter. We consumeren in deze moderne tijd ongeëvenaarde hoeveelheden vlees, tot wel meer dan honderd kilo per jaar per persoon in landen als de VS en Australië. Dat blijft niet zonder consequenties: milieuvervuiling, verwoesting van vitale regenwouden en opwarming van de aarde zorgen voor zeespiegelstijging, bosbranden en droogtes. Je zou kunnen zeggen dat we door onze gulzigheid afstevenen op een zelfveroorzaakte Apocalyps. Misschien is het tijd voor een moderne herinterpretatie van Genesis 25:27-34. Laten we ons herinneren hoe het vleeseter Isaak verging en zijn domme jagende zoon Esau. En een voorbeeld nemen aan de huiselijke linzeneter Jakob. Hij had de toekomst. Amen.

Voor dit stuk heb ik gebruik gemaakt van de volgende bronnen: Beans, A History van Ken Albala; Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid van Yuval Noah Harari (vertaling Inge Pieters); ‘Meat and Seafood Production & Consumption’, uit Our world in data, WHO; de Huisbijbel in NBG-vertaling 1951 (Haarlem 1995).