Kundmanngasse, het huis dat de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein tussen 1926 en 1928 in Wenen ontwierp voor zijn zuster Margaret Stonborough-Wittgenstein, is een ongenaakbaar wit modernistisch gebouw, van binnen en buiten. Het is groot en strak, met in het gelid staande ramen. De strenge allure van het gebouw wordt nog eens sterker wanneer je de bewoonster erbij voorstelt zoals zij in 1905 magnifiek is geschilderd door Gustav Klimt (te zien in de Pinakothek in München). Een gaaf, zacht en gedistingeerd gezicht, gekleed in een witte jurk met een grote variatie aan laagjes en versiering. Het contrast kan niet groter.

Het interieur van de villa is vooral bekend door de koele foto’s die ervan werden gemaakt toen het nog niet ingericht was. Het hang en sluitwerk kent geen pardon, alleen de rechte lijn. De deuren en ramen zijn persoonlijkheden, zelfs de deurkrukken en de sleutels hebben karakter.

Bij zijn zoektocht naar het thuisgevoel gaat Pieter Hoexum ervan uit dat dat gevoel ergens in huis hangt en dat hij het moet betrappen.

Voor de inrichting koos Margaret niet speciaal voor meubels van de Wiener Werkstätte, wat voor de hand had gelegen, maar voor klassieke Franse stoelen en tafels. Wel stond er een schrijftafel van Josef Hoffmann. Tegenover de weinige foto’s van het interieur staan de nodige ingekleurde houtskooltekeningen van een andere zuster van Wittgenstein, Hermine. Daaraan is te zien dat Margaret het huis naar haar hand probeerde te zetten. Ze ontdeed het van zijn ongenaakbaarheid. Ze maakte er een te bewonen huis van.

De wittgenstein van de ondoorgrondelijke uitspraken

Pieter Hoexum brengt het Wittgensteinhuis ter sprake in Thuis, zijn ‘Filosofische verkenningen van het alledaagse’, maar wijst niet op de pogingen van Margaret Wittgenstein om het huis tot een thuis te maken. De tekeningen van Hermine, die het zelf ‘een huis voor goden, niet voor kleine stervelingen, zoals ik’ noemde, laten duidelijk zien dat Margaret een heroïsche poging deed er een aangenaam onderkomen van te maken.

Bij wat ‘thuis’ is, vraagt Hoexum zich af of hetniet zo’n doel is dat je slechts af en toe in je ooghoek ziet verschijnen.

Zij ging heel anders te werk dan Hoexum. Bij zijn zoektocht naar het thuisgevoel gaat Hoexum ervan uit dat dat gevoel ergens in huis hangt en dat hij het moet betrappen, in plaats van zelf te creëren zoals Margaret. Hij gaat er niet vanuit dat hij zelf voor dat gevoel moet zorgen. Bij wat ‘thuis’ is, vraagt hij zich af of hetniet zo’n doel is dat je slechts af en toe in je ooghoek ziet verschijnen, maar dat meteen weer uit je zicht verdwijnt zodra je je aandacht erop richt?’

Dat hij er zo over denkt komt door Wittgenstein, niet van de ongenaakbare architect, maar van de Wittgenstein van de ondoorgrondelijke uitspraken. Zoals deze, die door Hoexum meerdere malen met instemming wordt geciteerd: ‘De aspecten van de dingen die voor ons het meest belangrijk zijn blijven ons door hun eenvoud en alledaagsheid verborgen. (Je merkt het niet op, – omdat je het altijd voor ogen hebt.)’

De blauwe deur van Rudy Kousbroek

Een andere filosoof die door Hoexum geregeld wordt aangehaald is Gilbert Ryle, de analytische filosoof en schrijver van The Concept of Mind. Ryle heeft het vaak over maken van ‘categoriefouten’, dat wil zeggen eigenschappen aan iets toewijzen die het niet kan bezitten.

Een tafel bewustzijn toekennen is een categoriefout want een tafel is niet menselijk. Hoexum maakt een categoriefout wanneer hij ervan gaat dat het thuisgevoel ‘slechts af en toe’ in je ooghoek verschijnt en uit je zicht verdwijnt zodra je je aandacht erop richt. Dat is niet de kenmerkende eigenschap van het thuisgevoel. Dat gevoel zit niet in je ooghoek, maar in je bewustzijn.

Bij Hoexum is thuisgevoel een plotselinge, snel wegvliegende gewaarwording. In werkelijkheid is het een bewustzijn dat er actief, en niet passief zoals bij Hoexum, voor zorgt dat het gevuld is met een zelfgekozen omgeving, met voorwerpen waaraan je gehecht bent, met mensen, met stemmingen, met gewoonten en met vertrouwde signalen. Samen zorgen ze voor een thuisgevoel dat zoveel mogelijk continu aanwezig is, of makkelijk is op te roepen.

Een tafel bewustzijn toekennen is een categoriefout want een tafel is niet menselijk.

Thuisgevoel ontstond toen Rudy Kousbroek lang geleden de voordeur van zijn nieuw verworven huis aan de Koninginnegracht in Den Haag donkerblauw had geverfd. Thuisgevoel ontstaat door de vertrouwde aanwezigheid van een schilderij dat je zelf hebt gekocht en waar je erg op gesteld bent. Het is zo’n goed schilderij dat het je maar blijft boeien: altijd blij dat het in je buurt is.

Hetzelfde met het huis waarin je woont: als het je bevalt gaat het in je bewustzijn zitten als iets dat in de positieve zin maar niet went: het stemt je steeds tot tevredenheid (zonder dat die tevredenheid tot zelfgenoegzaamheid verwordt).

akelig burgerlijk

Ook al is Hoexum niet bepaald een zwever, wel zoekt hij het te veel in zweverige sferen wanneer hij schrijft dat ergens thuisraken betekent dat de omgeving ‘onzichtbaar’ wordt: ‘als je ergens thuis wilt raken, loop je er net zo lang rond, tot je de weg er blind kan vinden en je omgeving helemaal niet meer opmerkt.’ Dat lijkt mooi, maar je bent je dan niet bewust van een thuisgevoel. ‘Thuis’ valt dan samen met de omgeving zonder dat je het weet.

Hoexum trivialiseert het thuisgevoel te veel en maakt het akelig burgerlijk. Wanneer hij zijn in de ochtend op te warmen havermoutpap ter sprake brengt en het ‘zijn’ met het Dasein van Heidegger probeert op te krikken, verlaagt hij het bestaan tot gekrabbel. Het leven wordt bij Hoexum ‘redderen’: ‘Bestaan betekent voor de mens “redderen”, gedoe. Ik woon, ik zorg, ik bekommer me…dus ik besta.’ Kan het kleurlozer?

Blijkens Dagelijksheden, de nieuwe bundel columns van Remco Campert, is hij zich scherp bewust van wat dagelijksheden kunnen doen: die kunnen ervoor zorgen dat ‘er sleet op onze verwondering’ komt. Hoexums passiviteit ten aanzien van het thuisgevoel heeft het gevaar in zich dat de verwondering sleets wordt.

Ongrijpbaar en etherisch

Gelukkig dat hij bij het schrijven over dit ‘redderen’ niet zo kleurloos te werk gaat. In zijn ‘verkenningen’ is hij inderdaad ook nog zoekende. De filosofie en filosofen die hij te berde brengt houden hem gelukkig van het al te triviale en kneuterige af. In de tijd van het schrijven van deze verkenningen verbleef Hoexum vier keer een maand in het Roland Holsthuis in Bergen. Hij kent het huis inmiddels, voelt zich er thuis, vooral wanneer hij in de draaistoel in de erker zit. Dat zorgt voor een concreet thuisgevoel, maar verder probeert Hoexum het begrip ‘thuis’ wel erg ongrijpbaar en etherisch te maken.

Ook al is Hoexum niet bepaald een zwever, wel zoekt hij het te veel in zweverige sferen.

‘Filosofisch verkennend’ zou hij het begrip juist moeten verduidelijken en verhelderen. Maar zo cartesiaans wil hij het niet: ‘Ik moest juist laten zien hoe onhelder en onduidelijk, hoe vaag en ongrijpbaar dat begrip is. Ik moest de mist niet verjagen, maar juist tonen.’ Dit betekent wel dat het alledaagse thuis iets erg onduidelijks wordt.

Hoexum gaat gelukkig niet helemáál op in het onheldere en onduidelijke, anders wisten we niet dat hij op een dag een thuisgevoel kreeg omdat hij de trap in het huis niet meer eng vond. Hij heeft hem op de knieën gekregen. Of dat hij op een avond een thuisgevoel kreeg toen hij zag dat er licht in huis brandde toen hij terugkwam van een fietstochtje. Hij was vergeten het aangedaan te hebben. Dat is tamelijk concreet en niet mistig.

Daar kun je Campert ook niet op betrappen in zijn Dagelijksheden. Hoezeer op zijn leeftijd ook tot mijmeren geneigd, hij laat zich niet tot mistigheden verleiden. Campert zit het leven in deze verhalen dicht op de huid. Hij slaapt niet graag, want dan is hij er niet bij, bij de wereld. Hij schrijft om te weten dat hij leeft. Niet schrijven zou betekenen: ‘Als een vis op het droge zou ik naar adem happen.’

Het gaat bij Campert nog steeds om ‘het volledige leven’ dat tot uitdrukking moet komen, ook zijn thuisgevoel. ‘Ik open de deur van mijn Amsterdamse huis, ga naar binnen en voel me veilig.’ Waarom? Omdat daar binnen alles is waar hij aan hecht. Niet alleen vanuit zijn ooghoek.

Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse door Pieter Hoexum is uitgegeven door Altlas Contact.

Dagelijksheden door Remco Campert is uitgegeven door De Bezige Bij.