In Onder een andere hemel kijkt de essayiste Hermsen op een even ongedwongen als noodzakelijke manier terug op haar leven. Het heet een ‘filosofische memoir’, een boek waarin persoonlijke herinneringen worden gelardeerd met filosofische en literaire bespiegelingen. Hermsen kijkt terug op het gezin waaruit ze komt, op de jaren dat ze Frans studeerde, promoveerde en twee kinderen kreeg met de man die in het boek ‘H’ wordt genoemd. Hij krijgt weinig contour, behalve dat Hermsen heimwee heeft naar de twaalf jaar die ze samen zijn geweest. Er komen veel schrijvers en denkers langs die haar begrip van de wereld en de literatuur hebben gevoed, in het bijzonder de dichter Rilke, de Russisch-Duitse schrijfster Lou Salomé, de politiek filosofe Hannah Arendt en de romanschrijfster, filosofe en dichter Ingeborg Bachmann.

Bij de heimwee waar de ondertitel van het boek het over heeft, Over heimwee & vertepijn, moet men niet denken aan een kleine Joke Hermsen die tijdens een schoolreisje snikkend aan thuis zat te denken. Dat deed de jonge Hermsen juist helemaal niet, integendeel, zij keek hoopvol uit waar de bus haar zou heen voeren, ‘altijd met bonzend hart van opwinding’. Voor haar geen heimwee. Ze verlangde juist in een ander gezin te zijn geboren, waar een andere sfeer zou heersen, andere gebaren werden gemaakt, niet geschreeuwd zou worden en niet met huisraad werd gegooid. Wonderlijk genoeg noemt Hermsen dit verlangen heimwee, het woord voor iets waarnaar je terug verlangt. Het gezin Hermsen was helemaal niet zo gezellig dat ze er naar terug wilde. De driftbuien en klappen van haar vader konden haar gestolen worden. Zich voedend en spiegelend aan literatuur komt bij Hermsen al gauw de klappen op die de Franse schrijfster Annie Ernaux als kind kreeg. Ook al bevond Hermsens gezin zich iets hoger op de sociale ladder, de agressie en de grove taal die Ernaux in De schaamte beschrijft herkent ze. Hoe meer kennis Ernaux verwierf hoe minder ze zich thuis voelde. Ze wilde zo snel mogelijk weg.

Zo verging het Hermsen ook. Zij noemt het weg willen en zich steeds meer verdiepen en verschansen in literatuur en filosofie ‘vertezucht’. Studeren en schrijven werd een voortdurend op weg gaan, ‘van kamer naar kamer, van stad naar stad, van boek naar boek’. De intensiteit van die overgave aan de literatuur en filosofie werd gevoed door de verwachting dat er iets gevonden en veroverd zou worden dat voor een helder inzicht zou zorgen. Dat was het geval met Hermsens boek Stil de tijd (2009), een ‘Pleidooi voor een langzame toekomst’, waarin ze, voortbordurend op anderen, de duurzame tijd ontdekte en de tirannieke kloktijd op afstand zette. Het boek voorzag in een behoefte in een hectische tijd.

Het verloren paradijs is te vergelijken met het besef dat er altijd iets ontbreekt, dat de wereld zich altijd in een zekere staat van ontreddering bevindt.

Dit lijkt een solide leven van denken, schrijven en liefhebben. Tot Hermsen vijfentwintig jaar na een schokkende gebeurtenis waarover ze altijd heeft gezwegen onverwacht de man tegen het lijf loopt die voor dat schokkende incident zorgde. De ontreddering van toen komt helemaal terug. De herinnering aan de aanranding door de vader van de kinderen waar ze als veertienjarige op paste, zet zich in haar vast en maakt de wereld om haar heen voorgoed unheimisch, niet iets om heimwee naar te hebben. Het incident wordt een onderdeel van het zich niet thuis voelen in de wereld, van het bewustzijn het paradijs verloren te hebben. Dat is voor Hermsen een universeel gegeven, ook al wordt het niet door iedereen zo ondergaan. Dit verloren paradijs, onttrokken te zijn aan de onschuldige en onbewuste kindertijd, is te vergelijken met het besef dat er altijd iets ontbreekt, dat de wereld zich altijd in een zekere staat van ontreddering bevindt.

Om aan haar ontreddering te ontkomen gaat Hermsen op reis, met als alibi het bezoeken van schrijvershuizen in Duitsland, zoals dat van Hölderlin in Tübingen en van Lou Salomé in Göttingen. Rilke en Salomé weten in Hermsen het meeste los te maken omdat ze het meeste ziet in hun inzichten. Rilke offerde zijn leven op voor de kunst. Zijn poëzie en speciaal de Duineser Elegien, werden voor hem het belangrijkste. Hij werd een luxe nomade voor wie het schrijven van brieven van levensbelang werd. Maar er was een tijd dat hij zich helemaal aan Salomé wilde wijden. Hij verlangde van haar dat ze geliefde, vriendin, zus, raadgeefster, arts en moeder voor hem zou zijn. Maar Salomé voelde niets voor zo’n multitask-verhouding. Ze wilde ook geen twee-eenheid. Ze wilde hoogstens een verhouding waarin ze intieme raadsels voor elkaar bleven: twee vreemden die vreemd weten te blijven zodat er altijd nog het nodige te ontdekken valt.

een bewoond leeg nest

‘Heimwee’ betekent bij Hermsen verschillende zaken. Soms zelfs iets dat nog niet eens heeft plaatsgevonden. Concreter is het heimwee naar de rust die ontbreekt in existentiële onrust: dat er permanent iets ontbreekt, altijd iets te verlangen valt. Wanneer Hermsen ‘de strijd’ die Rilke in zijn Duineser Elegien voert samenvat speelt die zich af in de onrust van de tegenstrijdigheden die wel en niet opgeheven willen worden. Met die ‘strijd’ voelt ze zich verwant: tussen kindertijd en volwassenheid, buiten- en binnenwereld, leven en dood, nabijheid en verte, zichtbaarheid en onzichtbaarheid, geborgenheid en ongewisse verte, thuis zijn en weg zijn. Dit alles staat ‘voor de wezenlijk ambiguïteit van de werkelijkheid’.

De verinnerlijkte wereld waar Rilke volgens Hermsen uiteindelijk op uit was is in de loop der jaren een geheime ruimte voor uitverkorenen geworden, de wereld van het ‘Weltinnenraum’. Die wordt door Hermsen ‘een binnenwereld’ genoemd ‘die geen kloktijd kent, maar in een andere tijd ligt ingebed, waarin heden en verleden, leven en dood in een mythisch verband samenkomen. Het is de ruimte van de herinnering en van de verloren tijd, die zich opnieuw aan het “opene” en “beloftevolle” van het ogenblik verbindt, waarin we als kinderen vanzelfsprekend thuis waren, maar die we als volwassenen verlaten hebben.’ Het is aan het wolliger en wolliger worden van Hermsens taalgebruik te zien (het ‘mythisch’ samen komen van leven en dood, terwijl men doorgaans óf leeft óf dood is) dat de poëzie van Rilke zo wordt geïnterpreteerd dat ze voor ingewijden wordt.

Onder een andere hemel is een soepel doorlopend, substantieel relaas waarin bescheidenheid en ijdelheid in evenwicht zijn.

De door Hermsen gekozen vorm van de ‘memoir’ waarin literatuur, herinneringen, evaluaties, leven met denkbeelden van anderen en filosofie door elkaar lopen, werkt bij Hermsen heel goed. Het is een soepel doorlopend, substantieel relaas waarin bescheidenheid en ijdelheid aardig in evenwicht zijn. Minder is het wanneer Hermsen zich met de grote wereldproblemen bezighoudt. Dan wordt te snel een beroep gedaan op Albert Camus en Simone Weil die ooit opriepen tot ‘een massale weigering’. Hermsen denkt nu aan ‘een algemene staking wellicht, die net zo lang zou duren tot dat regeringen bereid waren om de ecologische belangen boven de economische te plaatsen’.

‘Heimwee’ betekent in Onder een andere hemel ook heimwee naar de verloren kindertijd. Bedoeld wordt de tijd die we niet bewust hebben meegemaakt, tot drie of vier jaar. Die heimwee naar het paradijs van de jeugd is een psychoanalytische aanname, met een hoog plausibiliteitsgehalte. Behalve wanneer die kindertijd helemaal niet zo paradijselijk was, zoals die van Annie Ernaux. Maar wanneer die heimwee wordt vertaald tot ‘het eeuwige tekort’, ‘er ontbreekt altijd iets’, ‘het eeuwige verlangen’, dan klinkt het al heel wat overtuigender. Wanneer Hermsen heimwee heeft naar het bewoonde ‘lege nest’ dat haar man heeft achtergelaten toen hij haar verliet, wordt die heimwee ook op slag veel concreter, en zelfs op het poëtische af.

Onder een andere hemel. Over heimwee & vertepijn door Joke J. Hermsen is uitgegeven door Prometheus.