Zodra in Marja Pruis’ roman Huiswerk de naam van Mrs. Dalloway valt, de hoofdpersoon van Virginia Woolfs gelijknamige roman uit 1925, is de rol die Pruis’ hoofdpersoon de schrijfster Clara Feij speelt ineens veel beter te zien. Mrs. Dalloway is een character, behorend tot een niet helemaal zorgeloze upperclass. Net als Mrs. Dalloway is Clara Feij vaak met bloemen in de weer. Bij allebei is sprake van een doorgaand gedachteleven, een bewustzijnsstroom. Ze vragen zich van alles af, zijn doorlopend aan het wegen en afwegen of ze iets wel of niet zullen doen, deze gedachte wel of niet kunnen toelaten, wel zo onaardig over iemand mogen denken.

Al op de eerste pagina staat dat Clara Feij schrijft ‘vanuit geluk, niet vanuit verlangen’. Ze denkt dat dat het moeilijkste is, maar ook dat dit het is wat haar ‘te doen staat’. Dit is een programmatische mededeling als een kwetsbare ballon die 214 pagina’s verder heelhuids zal moeten landen. We hoeven niet te denken dat Clara met haar geluk een onnozele softy is, ook al doet ze het ‘zachte hoekje’ in het weekblad waarvoor ze werkt. Ook is het niet nodig aan de zachte krachten van Henriëtte Roland Holst denken wanneer Clara zegt dat zij denkt ‘niet zo’n vijanddenker’ te zijn. Ze schept er een zeker genoegen in dat mensen denken dat ze te goed is voor deze wereld. Ze heeft er ook helemaal geen problemen mee dat ze met een zeker vertrouwen op haar intuïtie af gaat. Wanneer haar iets verteld wordt gaat ze er vanuit dat iemand de waarheid spreekt, haar niet iets op de mouw spelt. Is het anders, dan merkt ze dat wel. Is Clara wereldvreemd wanneer ze zegt ‘in wezen oppervlakkig’ te zijn en dat ze eraan hecht dat te zijn. Meer mensen zouden oppervlakkigheid moeten toelaten, ‘de wereld zou ervan opknappen’.

onbekommerd groeien

Je zou denken dat iemand met deze instelling niet verder kijkt dan de oppervlakte, maar dat is toch niet zo. Anders zou ze niet kunnen schrijven: ‘Iedereen die je leert kennen, daar is wat mee’. Zit bij Clara de diepte in de oppervlakte, dat ideaal van Nietzsche? Lang heeft Clara gedacht dat ze een boek van haar de titel Ambiguïteit moest geven. Ze had het ooit een wonder van diepzinnigheid gevonden dat je het raadsel moest vergroten. Maar inmiddels denkt ze dat het beter is het raadsel gewoon op te lossen. Zeg hoe het zit of zat. Dat is de kunst. En kies als titel Eenduidigheid of meteen Eenduidig. ‘Er zijn al te veel raadsels.’ Ze leest iedere dag de krant, ze weet dus het nodige over vervuiling, klimaat, dictaturen en epidemieën, maar ze heeft, schrijft ze, ook ‘dat eilandje’, waar alles onbekommerd groeit.

In plaats van het over geluk te hebben, gaat het over het dakterras, de muziek van Vivaldi, het restaurant om de hoek.

Dit delibererende, constant met zichzelf in gesprek zijnde schrijven van Clara/Pruis brengt de lezer dicht in haar buurt, maar door dat eilandje toch ook met enige afstand. Ook al is hoe ze schrijft luchtig, het krijgt gewicht doordat er toch steeds van meningen, remmingen en gedachten sprake is. Er worden vragen gesteld. Feij is gelukkig, mogen we wel zeggen, ze heeft het getroffen met haar man Hartog, volwassen zoon en dochter, met het grote nieuwe huis, met haar werk en haar betrekkelijke welstand. Maar geluk is geen onderwerp, als zodanig komt het nooit ter sprake. ‘Ze zijn er niet mee bezig.’ Clara en Hartog zullen elkaar niet gauw hun liefde gaan verklaren. Dat zou zijn alsof je iemand naar de bekende weg vraagt.

Bij Clara Feij gaat het indirect: ‘Ik fietste met Hartog naar Zaandam, dat is net een fijne rit hiervandaan. Het doet er niet toe waar we precies naartoe gingen, het gaat mij erom dat ik hem van een afstandje kon zien, en ik voelde mijn gemoed overstromen met liefde. Zou ik dat tegen hem zeggen, dan zou hij me wantrouwend aankijken, en terecht.’ In plaats van het over geluk te hebben, gaat ze het over iets anders, het dakterras, de muziek van Vivaldi, het restaurant om de hoek of ‘over stoelen die we zoeken’. Het geluk zit bij Clara niet in woorden, maar in gedrag, in het doen en laten. Daaraan leest ze geluk af. Het is precaire materie, en ook weer niet: ‘Alleen in continuïteit is het te doen, leven.’

intuïtie

Alles in Huiswerk draait om de levensinstelling van Clara Feij. Daarmee doet ze het, alsof het om gereedschap gaat waar ze niet handig mee is. Zoals met het aantrekken van een nieuwe werkster, de raadselachtige Rose. Daar heeft Clara meteen een zwak voor. Ze is meteen een en al onderdanigheid, wil het Rose naar de zin maken. Ze wil bloemen gaan kopen. Tegenover Rose is haar ontspannen instelling weg (‘Niets in mij is rustig’). Ze kan haar rol als vrouw des huizes niet spelen. Ze zou bijna het schoonmaken van Rose overnemen. Clara voelt zich schuldig. Haar ‘hele lichaam komt in een verontschuldigende kramp terecht’. Rose komt uit een ver Afrikaans land, heeft daar een dochter van veertien achtergelaten en heeft hier in Nederland een baby van een half jaar.

Heel precies is Rose niet in het verstrekken van informatie, en Clara durft er niet echt naar te vragen. Maar ze maakt goed schoon en weet met de plumeau om te gaan. Wanneer Rose op een dag aan Clara vraagt of ze misschien het geld dat ze met schoonmaken verdient voor haar wil bewaren, stemt Clara meteen toe. Alles wat Rose vraagt wordt met ‘ja natuurlijk’ beantwoord. Als ze iets stuk laat vallen zegt Clara ‘geeft niet’. Maar op een dag wordt de envelop met het geld gestolen door een insluiper. Clara’s intuïtie wordt getest. Zouden de niet helemaal keurige vriendjes van Rose ermee te maken kunnen hebben? Een flink deel van Huiswerk draait om de status van Clara’s goedheid. Is die nog wel zo betrouwbaar? Haar intuïtie zegt dat Rose niets met de diefstal te maken heeft, terwijl haar zoon er niet aan twijfelt dat ze erachter zit.

glad ijs, rare sprongen

Het komt natuurlijk niet ter sprake in Huiswerk, maar op de achtergrond van de relatie Clara en haar werkster speelt de moeizaam geworden hiërarchische verhouding tussen meester en knecht, zoals ooit bedacht door de Duitse filosoof Hegel. De evolutie van de gelijkheid tussen mensen heeft ervoor gezorgd dat die verhouding is gaan wringen, dat men zich (als men geen uitgesproken conservatief is) ongemakkelijk is gaan voelen. De hiërarchie is ongeloofwaardig geworden, helemaal voor Clara, die het goede wil doen, met een geweten.

Wie zich met de hedendaagse mores op het gladde ijs van de deugd, goedheid, goede bedoelingen en empathie begeeft, maakt rare sprongen.

Hoe de diefstal plaats heeft kunnen vinden is een prachtig voorbeeld van dat werkgevers-ongemak in de praktijk. Clara wil het goed doen voor haar employé. Rose krijgt een kerstpakket. Maar niet zo’n protserig pakket, niet iets waar de trots van de werkgever vanaf straalt. Bescheiden. Daarom pakt Clara het niet in in kerstpapier, maar laat ze het bij de ruwe kartonnen doos. Maar daarop zit nog het etiket van de internetwinkel met haar naam en adres. Dat moet het vriendje of de kennis van Rose op een idee hebben gebracht, wetend van het door Clara bewaarde geld. Terwijl haar kinderen zeggen dat Rose nooit meer in hun huis mag komen, weet Clara dat Rose onschuldig is. Daarom kan ze na een tijdje aan Clara vragen of ze weer kan komen schoonmaken.

Wie zich met de hedendaagse mores op het gladde ijs van de deugd, goedheid, goede bedoelingen en empathie begeeft, maakt rare sprongen. Wanneer Clara dan ook nog ‘uit geluk’ wil schrijven omdat zoveel van haar verlangens al zijn bevredigd, dan krijgen de nuances het druk. De ballon blijft niet heel. Geluk bestaat alleen tussen aanhalingstekens. Maar Marja Pruis is goed thuis in de wereld van de dilemma’s en ambiguïteiten, vandaar dat Huiswerk zo eenduidig geslaagd is.

Huiswerk door Marja Pruis is uitgegeven door Nigh & Van Ditmar.