‘Weet u wat ik nou echt lekker vind? Kwe lapis.’ Ik ben in een repetitielokaal van studentenclub CREA. Ik hang een beetje achterin, tegen de tafels. Ik lees de eerste zin van mijn tekst van mijn papier. Ik heb nog geen zin om in het midden van de ruimte te staan. Nog geen zin om te doen alsof ik een actrice ben. Mijn pluizige, gele winterjas, veel te warm voor deze oktober, houd ik stevig dicht. Er klinkt wat gebrom uit de keel van de regisseur. Hij wisselt een snelle blik met de productieleider. Gaat zij het zeggen? Hij kijkt weer naar mij. ‘Het is koewee lappis, niet kwee laapis.’

Hij vraagt me of ik wil gaan staan, we moeten even helemaal door de tekst. Ik ga langzaam staan, even doorbijten nu, maar zak dan weer in elkaar. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ik wil niet. Ik moet nog wat dingen tegen je zeggen.’

Ik kijk naar de productieleider. ‘Kan jij misschien even weg gaan?’ zeg ik. Wat doe ik nu? Dit is zeldzaam onbeleefd. ‘Natuurlijk,’ zegt ze en loopt naar de deur. Ik wil haar nog iets achterna roepen. Sorry, het ligt niet aan jou. Wat lomp, wat arrogant. Ze is al weg.

Durf ik eindelijk eens iets over mijn achtergrond te vertellen tegen iemand die uit hetzelfde land komt als ik, krijg ik deze professionele koude douche.

‘Vind je het goed, mijn tekst?’ vraag ik de regisseur. ‘Nog niet,’ zegt hij kalm. Het wordt heet achter mijn ogen. Zie je, ik had dit niet moeten doen. Waarom komt hij zomaar met dit droge oordeel? Die vuile rot-Indo, we zijn toch al heel lang vrienden? Durf ik eindelijk eens iets over mijn achtergrond te vertellen tegen iemand die uit hetzelfde land komt als ik, krijg ik deze professionele koude douche. Hij ziet toch dat dit gaat over echte dingen, recente gebeurtenissen, rauwe wonden? Zie je, ik wist het wel. Te echt is nooit goed.

Ik kijk verstrooid naar mijn papieren. Al die zinnetjes over afkomst en trauma. Waarom doe ik dit mezelf aan? Andere mensen liegen over het verdriet in hun leven. Andere mensen zijn veel handiger. Waarom ga ik voor de zoveelste keer met messen aan armen en benen gebonden blind de vuurlinie in? Kan ik het niet beter bij een verhandeling over allerlei lekkernijen houden? Ik bedoel: De Indië Monologen. Hallo, de mensen komen om te genieten. Misschien kan ik beter iets over de rijsttafel van mijn vader vertellen. Roer ik er wat extra vette santen doorheen en geef ik ze allemaal een stuk spekkoek. Lekker lachen, klaar.

Moeders en dochters

In plaats daarvan begin ik oeverloos tegen de regisseur te praten, over het matriarchaat. Over de wisselende enclaves die vrouwen met elkaar kunnen vormen. Over maffia-achtige trekjes. Het eisen van solidariteit, het in stand houden van een strenge hiërarchie. Ik zeg iets vaags over een muur van zonnebrillen en omlaag getrokken mondhoeken. Over dochters die hun moeders moeten troosten. Over de oneindige en vergeefse zoektocht naar veiligheid. En over de tomeloze liefde voor het kleine kind, het afhankelijke engeltje. Een liefde die moeizaam wordt wanneer er vanaf de puberteit autonomie opgeëist wordt.

Wat is het toch met moeders en dochters, vraag ik hem. Bijna al mijn vriendinnen hebben in meerdere of mindere mate problemen met hun moeder. We lachen samen hoofdschuddend om de absurde verhalen, maar ons echt ontworstelen lukt niet. Hij haalt zijn schouders op en vertelt me iets over mannen. Egomane grootvaders met een KNIL-achtergrond en hun onmachtige zonen zitten vaak net zo goed gevangen in een verstikkend parcours, zegt hij.

Ik wacht even, haal diep adem. Een paar maanden daarvoor werd ik op een feestje wreed door mijn familie verstoten, zeg ik. Ik schrik van die zin. De regisseur zegt niets terug. Ik vertel hem over mijn Nederlands-Marokkaanse vriendin die zei, toen ik haar vertelde over hun blikken, hun woorden, hun woede. ‘Dit is erger dan bij ons, daar zwijgen ze je gewoon dood.’

Is dit wel een Indisch probleem? Of gaat dit gewoon over een disfunctionele familie?

‘Schrijf die zin over dat wreed verstoten even op,’ zegt de regisseur. Ik doe het, al wil ik het niet gebruiken. Ik weet niet eens meer wat ik hem precies aan het vertellen ben. Is dit wel een Indisch probleem? Of gaat dit gewoon over een disfunctionele familie?

De regisseur zit naast me. We kijken allebei naar het wit van de muur tegenover ons. Ik ga verder terug.

De Indië Monologen
Josephine Rietveldt, Sarah Sluimers oma. Geboren in Tjimahi, 25 augustus 1925
Naar de baboe

Daar is ze dan, mijn overgrootoma, de Indonesische, vluchtend van haar gezin. Ze heeft minnaars op alle eilanden. Ze laat soms haar kinderen in de steek, zomaar. Ik probeer mijn oma’s stem terug te halen. Dat zachte geluid, die beschaafde toon. Een N aan het einde van ieder woord. Niets wordt ingeslikt, iedere klank krijgt een eigen zilveren presenteerblaadje. Nederlandser dan de Nederlanders.

‘En we staan daar, in het plantsoentje bij het treinstation te wachten omdat mama ons vertelde dat te doen. Als jullie een witte zakdoek uit het raam zien komen, weten jullie dat ik vertrokken ben, zei ze. En daar kwam de trein en kijk: daar was haar hand met de zakdoek. Snikkend liepen we dan naar huis, naar de baboe. Ach, die lieve baboe. Ik herinner me haar gezicht niet meer, maar wel haar handen. En als ze me waste met ruwe zeep, deed ik alsof het de handen van mijn moeder waren.’

Alle Indische oma’s zijn toch zo geraffineerd als de duivel.

Dit is veiliger gebied. Ik vertel de regisseur smakelijk over mijn oma’s streken, omdat ik denk dat hier gemeenschappelijke grond moet liggen. Alle Indische oma’s zijn toch zo geraffineerd als de duivel. Allemaal zijn ze opgegroeid met een foto van Shirley Temple boven hun bed en de swing van de vooroorlogse Amerikaanse jazz in de heupen.

Maar dan. Het kamp, de boot naar Holland, de ruwe teleurstelling van kou en minderwaardigheid. En ondanks dat alles: neerkijken op het Nederlandse klootjesvolk met hun vieze speklappen en hun holladie-jee-gooi-die-vingertjes-in-de-lucht. Oma bleef vorstelijk, tot aan de verzorgingsflat waar ze hoog boven de grond zo kromp dat ze niet meer over de rand van haar grijze balkon kon kijken. Maar ook toen liet ze, als ze de telefoon opnam, een perfect dramatische stilte vallen, voor ze haar naam noemde.

Ik vertel hem hoe haar dochters, met een niet te ontkennen zweem van bewondering in hun stemmen, konden praten over al die keren dat ze door hun moeder virtuoos vernederd werden. Hoe oma met geloken ogen stamelde dat niemand van haar hield en dan opeens recht in je ziel keek en je feilloos wist te pakken op je grootste angst. Je opbollende figuur, het neurotische monster dat in je ribbenkast huisde, je gillende minderwaardigheidscomplex.

De regisseur knikt.

Ik zeg: een kind houdt meer van zijn ouders dan andersom, denk je ook niet? Het blijft altijd verlangen naar de liefde van de vader en de moeder. Een kind wijst de moeder alleen af, als het niet meer kan ademen.

Hij zegt: dit verhaal kan je vertellen. Het matriarchaat, de eeuwige herhaling. Generaties lang tussen wal en schip. Geen wortels geslagen. Noch hier noch aan de overkant van de zee.

Hij zegt: denk je wel eens na over het koloniale trauma? Het kamptrauma? Ik schud van nee. Niet echt.

Ik zeg: ik wil dat de ellende stopt bij mijn kind. Dat heb ik overigens niet zelf verzonnen, dat vertelde mijn therapeut mij.

Hij zegt: het is theatraal interessanter als je in je verhaal laat zien dat ook jij niet vrij bent van de mechanismen van manipulatie en uitsluiting. Dat je het toch weer doorgeeft aan je zoontje. Anders wordt het allemaal zo prekerig.

Ik knik. Dat snap ik. Nu durf ik even te spelen. Ik ga op mijn hurken zitten en doe alsof ik tegen mijn kind praat. ‘Wil je mama een kusje geven? Nee? Echt niet? Ah toe, één kusje. Alsjeblieft? Nee? Als je mama geen kusje wil geven, moet mama heel erg huilen.’

Ik sta snel op. Ik vind het eng, zeg ik. Hij zegt dat al die verhalen gewoon materiaal zijn. Stenen en cement. En dat ik het verdorie ook zo moet behandelen.

Ik vraag hoe het eigenlijk met hem gaat. ‘Ik hoor nu met die repetities veel levensgeschiedenissen,’ zegt hij.

‘Ja, dat kan ik me voorstellen,’ zeg ik, veel te geïnteresseerd. Nu wil ik weten wat die anderen allemaal voor lelijkheid opdissen.  Hij kijkt me aan. ‘De eerste die nu nog over tempo doeloe begint, die…’ Hij maakt zijn zin niet af. Te beschaafd.

De pijn van het Jappenkamp

Ik zit in een auto en ben op weg naar de eerste try-out, middenin de Betuwe. Ik ruik naar sigaretten. Ik heb er wel tien gerookt vanochtend. ‘Het is gewoon materiaal en zo moet je het behandelen,’ dreunt door mijn hoofd.

Naast me zit een medespeler. Voorin de productieleider. Er wordt zonder omwegen gepraat over de pijn van het Jappenkamp. Over verkrachtingen, honger, zwijgende kinderen van de tweede generatie, kinderen van de derde generatie die als een vat vol angsten door het leven rollen. Doorgegeven verdriet tot in de vierde generatie wordt tot een feit gebombardeerd.

Is pijn überhaupt erfelijk? Is een overgeheveld trauma niet gewoon een excuus voor rotgedrag en ander gedoe in je leven?

Ik praat mee, maar twijfel. Hoe kan ik getraumatiseerd zijn door iets waar ik slechts wat flarden van weet? Is pijn überhaupt erfelijk? Is een overgeheveld trauma niet gewoon een excuus voor rotgedrag en ander gedoe in je leven? De medespeler deelt de inhoud van haar monoloog met ons. Het stukje over haar familielid, die als mooie puberjongen misbruikt werd in het kamp. Hoe erg dat was en nu nog steeds is. Ik word kriegelig. Waarom praat ze zo hard? Ze is compleet wit en moet het verleden van Indo’s niet zo claimen. Zij weet niet hoe het is om je hele leven nét anders te zijn, zonder het recht te hebben dan ook maar daadwerkelijk anders te zijn.

Indo’s met zwarte haren en kleine ogen tellen niet als vieze buitenlanders, maar krijgen wel de vragen. ‘Waar kom je echt vandaan? Kan je goed koken? Jullie zijn altijd zo zachtaardig.’

En was mijn oom Johnny, die later zelfmoord pleegde, niet precies hetzelfde overkomen in het kamp? Hoorde je mij daar stennis over trappen? Niets daarvan, zijn dood is een incident op de onoverzienbare hoop misère binnen mijn geschiedenis. Tanden op elkaar en doorleven. Ik zeg opeens: ‘Ja, maar jij bent natuurlijk ook gewoon een nep-Indo.’

Ik ben jaloers dat zij het wel aandurft om zichzelf een oorlogsverleden te gunnen. Ik ben jaloers dat ze zichzelf in de geschiedenis durft te plaatsen. Dat ze ruimte opeist.

Ik kijk in twee verbijsterde ogen die zich een beetje met tranen vullen. Ik schrik van mezelf en van haar verdriet. Wat is dit voor fundamentalisme? Het ene moment weet ik niet beter dan dat Indo-zijn voornamelijk gruwelijke eenzaamheid betekent, het ontbreken van een groep, van een wens om de eigen identiteit schaamteloos te vieren. Het volgende moment kom ik op voor een zelfbedachte gang van bloed-Indo’s.

Ik weet het. Ik ben jaloers dat zij het wel aandurft om zichzelf een oorlogsverleden te gunnen. Ik ben jaloers dat ze zichzelf in de geschiedenis durft te plaatsen. Dat ze ruimte opeist. Ik verwar stoer zijn met ontkenningsdrift. Later leent ze me haar volumepoeder en praten we over seks en liefdesverdriet en verslaving aan sigaretten. Ik zie opeens aan de bewegingen van haar nek dat we dezelfde oorsprong kennen.

Een goede kleindochter

Iedereen drentelt wat heen en weer tussen foyer en zaal. Er is koffie, er wordt niet veel gepraat. Sommigen wentelen zich met groot gemak in het artiestenleven, doen een dutje op de bank, smeren overvloedig handcrème en hebben een rugzakje vol versnaperingen om suikerdips voor te zijn. Anderen zijn te oud om nog aan dat soort gedoe te doen. De zangeres heeft een gekleurde zijden doek om haar schouders geslagen. Ze lijkt op mijn moeder, vooral aan de achterkant. Dik, stug haar. Iedere keer als ik haar zie schrik ik en kalmeer pas als ze begint te zingen.

Een schrijfster van zevenentachtig doet mee. Ze lijkt zestig. Een meisjesfiguur, wuft honingkleurig haar en stralende ogen. Opeens herinner ik me wat ze in mijn familie gniffelend zeiden. ‘Als die op tv is, noemt ze altijd haar leeftijd om daarna expres even te wachten tot het applaus aanzwelt.’

Ik wil aan haar bewijzen dat ik het waard ben om van te houden.

Ik merk dat ik lief voor haar wil zijn. Een goede kleindochter. Ik wil aan haar bewijzen dat ik het waard ben om van te houden.

Ik dacht dat ze op oma zou lijken, maar dat is niet waar. Ze zegt namelijk niets onaardigs. Ja, dat het licht in de zaal zo hard is dat het wel gemaakt moet zijn door een vrouwenhater. En ze vraagt zich af of we niet ergens een mooi jongetje hebben die kan helpen met de decorwisselingen, omdat het toch geen gezicht is als we dat zelf moeten doen. Maar ze zegt het tegen mij, zachtjes, zodat we samen kunnen lachen.

Als ik een stukje van mijn tekst heb gespeeld om het geluid te kunnen checken en daarna weer naast haar ga zitten, knikt ze en lijkt ze plotseling op Yoda uit Star Wars. ‘Ach meisje,’ zegt ze kalm. ‘Ik heb mijn moeder uiteindelijk vergeven.’

Sexy rood getsjet

We eten gezamenlijk. Nasi goreng, gado gado, saté ajam. ‘Geen sambal,’ zegt de regisseur. ‘Dat is niet goed voor je stem.’

 Misschien sta ik hier het verhaal te vertellen van een sneue, uit de hand gelopen familieruzie die ik gewoon moet oplossen en niet mag uitvergroten tot een historisch epos.

De zaal is amper gevuld. Ik kijk tegen het licht in en zie vermoeide hoofden. Veel grijs, weinig Indo. Abonnementshouders. Het applaus is tam. Ik heb het gevoel alsof ik een andere taal spreek dan de Betuwenaren.

Misschien heb ik het toch mis. Misschien sta ik hier het verhaal te vertellen van een sneue, uit de hand gelopen familieruzie die ik gewoon moet oplossen en niet mag uitvergroten tot een historisch epos.

Na afloop legt de schrijfster een benige hand op mijn schouder en knijpt even. Het is de hand van oma, met vingers die gevoeld willen worden. Ze prijst me. Ze zegt dat ik lijk op de mooie, ronde meid die ooit de hoofdrol speelde in een boekverfilming van haar. ‘En dan die lippen zo sexy rood getsjet, heel goed.’ Ze maakt een kordaat gebaar langs haar mond. Ook dat is oma.

Ze nodigt me bij haar thuis uit. De regisseur vertelt me vol vuur dat het huis van de schrijfster van boven tot onder vol ligt met stapels boeken en foto’s van vroeger. Ik knik, maar weet dat ik niet bij haar langs zal gaan. Het zou me herinneren aan wat ik mis.

De Indië Monologen
Sarah Naomi Sluimer, geboren in Hardinxveld-Giessendam 18 september 1985, met haar oma
Geen familiefeesten meer

Ik speel de première in Den Haag. Ik zit in de foyer en eet nasi goreng, gado gado, saté ajam. De regisseur zegt weer dat we geen sambal mogen eten omdat dit niet goed is voor onze stem. Ik besluit dat ik hem vanaf nu hier vreselijk mee ga pesten.

De oude acteur is er ook. Degene waar we allemaal voor sidderen, behalve degenen die van zijn leeftijd zijn en hem al eeuwen kennen, van reisprogramma’s, optredens op de pasar malam, grote shows uit de vorige eeuw. Zij diepen fluisterend anekdotes over hem op, liefdevol, maar hoofdschuddend. Nog één keer speelt hij mee, nog één keer gunt hij ons zijn aanwezigheid. Hij draagt een stok bij zich, zo blauw als lapis lazuli. Hij eet wat kleine muizenhapjes en neuriet ‘Don’t fence me in.’ De Andrew Sisters. Mijn vaders lied. Niemand die ik ken zingt dit, behalve hij. En mijn moeder. En de rest van mijn Indische familie, vooruit.

‘Nee laat mij maar sterven, ik ben jullie toch maar tot last,’ hoor ik oma zeggen.

Het neuriën wordt zingen, met zijn ogen dicht. Een beetje beledigd, omdat iedereen door hem heen blijft praten. ‘Nee laat mij maar sterven, ik ben jullie toch maar tot last,’ hoor ik oma zeggen.

Ik ben stil, speel al de hele dag mijn nieuwe rol van de goede kleindochter met verve, maar besluit dan mee te zingen. Misschien om bij hem op te vallen, maar ook omdat ik mee móet zingen. Nooit meer in mijn leven zal ik dit nummer op deze manier horen. Alles is uit elkaar gevallen. Geen familiefeesten meer, geen vader. We zingen nu samen, hij kijkt me aan, geamuseerd. In de gang pakt hij me bij mijn kin. Zijn blauwe ogen vlakbij. ‘Ik ken jou toch. Ja, ik ken jou al heel, heel lang. En dat spleetje tussen die tanden had ik ook vroeger. Je weet wat ze zeggen. Wij zijn gelukskinderen.’ Oma op haar allerliefst.

Het moederleed

Iedere keer speel ik met anderen. Ieder theater lijkt een andere kant van de Nederlandse volksgeest te vertegenwoordigen. De goedbedoelde bontgekleurde kleedkamers die pijn doen aan je ziel. Het keurige mandje met appels. De wel heel nauwkeurige bewegwijzering in het trappenhuis. De artiestenfoyer waar drie gestikte Xenoskussens de boel enorm opvrolijken. Het regent, het is koud, de hagel stort zich over onze hoofden uit, maar wij rijden stug het land door. Een koninklijke troep tweederangsburgers die proberen hun verhaal van vernedering en pijn aan het Nederlandse volk te verkopen.

Soms zitten de zalen vol, andere keren is er wat minder belangstelling. Niemand klaagt. Oude acteurs zitten geduldig in hun kleedkamer te wachten tot iemand hen eindelijk eens een kopje thee komt brengen. Er wordt niet gehuild. Niemand breekt, niemand neemt zijn eigen lot serieuzer dan dat van een ander.

 Alsof de overlevers zelfs nu nog niets direct mogen tonen, maar hun verhaal als kleine stukjes goela djawa moeten opdienen.

In de coulissen lig ik vaak op mijn buik tussen de doeken te luisteren voor ik zelf op moet. Ik hoor hoe de ouderen draaien met hun stem, op en neer springen van toonladder naar toonladder. Het is het Indisch dat iedere Nederlander kent van Tante Lien. Een grap, een karikatuur. Lempeerrrrrrr, adoe, klappermelk met suiker. Nu ik avond na avond goed luister, begrijp ik opeens hoe al die strapatsen in toon en dictie het leed moeten verbergen. Alsof de overlevers zelfs nu nog niets direct mogen tonen, maar hun verhaal als kleine stukjes goela djawa moeten opdienen. Je mag wel zeggen wat de Jap met je familie deed, maar laat je woorden smelten op hun tongen. Dan luisteren ze misschien en slaan ze je niet dood.

De grote schrijver die uit zijn hoofd een conference doet die je naar adem doet snakken, zo goed, een fenomeen, niemand in ons land formuleert zoals hij, komt na de voorstelling naar me toe en zegt zachtjes: ‘En nu ga jij het dus doen, het moederleed.’

Typisch tweedegeneratiegedrag

Ik ben vaak laat thuis. Mijn vriend wacht dan slaperig op me en maakt nachttosti’s. Ik struikel over woorden en maak alles veel te groot. Dat ik voor het eerst me ergens thuis voel. Dat ik van alles bij de anderen herken, van hun afgemeten humor tot een zekere onverschrokkenheid. Wij kunnen niet kapot, wat ze ook proberen.

Maar ik krijg steeds meer moeite om het podium op te lopen en te vertellen over al die keren dat het leven misging. Ik speel steeds beter en de autobiografie begint daarom werkelijk als kneedbaar materiaal te voelen, dus ook als een trukendoos. Mensen moeten vaak lachen, zeker aan het begin, en ik maak daar gebruik van. En ik weet hoe ik ze bij de strot moet grijpen, opeens, in het midden, en ben blij met de solidaire ‘ooohs’ die zo nu en dan uit de zaal klinken.

Maar in mijn leven lost niets zich op. Het heilige theater verandert geen moer aan mijn uitsluiting. Het gaat helemaal niet zoals in de film.

Jij kon er niets aan doen. Jouw moeder was ook gebroken. En zij kon het ook niet helpen. Want ook haar moeder was kapot.

Ik hoopte natuurlijk dat ik iets kon doen voor al die moeders. Dat ik iets voor hen kon duiden waar ze zelf niet over na wilden denken. Want zie, vrouwen: je bent en je blijft een Indo. En dat is van veel groter belang dan je misschien gehoopt had. Jij kon er niets aan doen. Jouw moeder was ook gebroken. En zij kon het ook niet helpen. Want ook haar moeder was kapot.

Jij bent het historische verdriet niet aangegaan, dat kon je nog niet. Ik durf er wel over te praten, ja. Ik heb het allemaal voor je uitgezocht. Ik moest het weten, omdat ik niet kon accepteren dat al dat wantrouwen en al die voorwaardelijkheid naar je nageslacht zomaar karaktereigenschappen zijn. En ik weet nu: jij kan er niet zoveel aan doen dat je zo bent. Weten jullie dan niet dat jullie typisch tweedegeneratiegedrag vertonen, moeders? Kijk dan. Ben je nu trots? Snap je het eindelijk? Hou je me dan even vast?

Die klomp DNA

Ik speel in Haarlem. Ik weet net dat ik weer zwanger ben.

Aan het einde spreid ik mijn armen. ‘Ik ben de afsluitdijk,’ zeg ik. ‘Ik houd het kolkende water van de generaties voor me tegen.’

Vanuit mijn handen gaat er opeens een lijntje naar mijn buik, naar die klomp DNA. De wroetende celletjes. Het is er, het is er echt. De lijntjes schieten omhoog, door mijn ruggengraat naar mijn keel. Ze zijn warm en maken me sterker. Ik ga nooit meer omvallen, denk ik even.

Ze zeggen dat ze iets veel ergers hadden verwacht, maar dat ze het allemaal niet zo shockerend vonden. ‘Het ís toch ook gewoon zo,’ zegt er één.

In Gouda komen mijn halfzussen, van mijn vaders kant, kijken. Mijn jongste zus is mager. Een week daarna blijkt ze heel ziek te zijn. Toch is ze gekomen, helemaal uit het noorden. Ik ben bang dat ze heel boos zullen zijn op mijn verhaal. Na afloop schuifel ik naar ze toe en kijk drie keer in mijn vaders ogen. Ze zeggen dat ze iets veel ergers hadden verwacht, maar dat ze het allemaal niet zo shockerend vonden. ‘Het ís toch ook gewoon zo,’ zegt er één.

Ik zie drie vrouwen die ook niet meer heel jong zijn. Met volwassen kinderen en lange huwelijken en lachrimpels om hun mond. Ze weten alles, ze hebben hun kinderen grootgebracht. Twee zijn oma. Ze schrikken niet zo snel. Ze zijn niet Indisch, maar kennen ons. Kennen mij. Ze zijn mijn moederzussen.

Ik ga zo licht als een veertje naar huis.

Stiekeme superioriteit

Vanochtend lag ik op mijn rug en voelde mijn volgende zoon bewegen. Nog een jongen. Het matriarchaat wordt met hem doorbroken. Ik praat met mijn vader, eventjes. En met mijn oma. Allebei dood. En dan praat ik met mijn moeder, op dezelfde manier. Hier is jullie nageslacht. Hij heeft heel grote handen zei de dokter.

Ik dacht dat ik na deze tournee eindelijk alles zou begrijpen over de Indische identiteit, maar ik bleek alles al te weten. Het zit in me, onuitgesproken. Het is niet mystiek. Het is een verzameling aan gemeenschappelijke situaties, geografische aanduidingen, demografie, politiek en sentiment, overgoten met een klodder historische assimilatie die alle gerechten dezelfde smaak geeft. Erbij willen horen, niet afwijken. Stiekeme superioriteit ten opzichte van de lompe Hollander ervaren, maar weten dat je elk moment van de maatschappelijke wagen gegooid kan worden. Met je pindabek. Niet meer denken aan de oorlog. Jezelf verkopen als tropische verrassing. Als Hollander plus, met extra seroendeng.

Indo’s hebben er honderden jaren over gedaan om zichzelf uit te wissen, wees dan nu niet degene die aan de finish alles nog eens oprakelt.

Het is te laat om nu nog te praten over die oorlog. Laat het rusten, begraaf het, ga door. Je wilde er toch bij horen? De prijs is dat je de geschiedenis moet vergeten. En waar wil je nog over hebben, eigenlijk? Niemand heeft zin in dat verhaal. Indo’s hebben er honderden jaren over gedaan om zichzelf uit te wissen, wees dan nu niet degene die aan de finish alles nog eens oprakelt. Niet vechten, niet strijden. Of wil je eindigen zoals de Marokkanen in Nederland? Nou dan.

Even een familie

Maar er is ook iets nieuws gebeurd. In al die Nederlandse theaters, in al die praktische artiestenruimtes, waren Willem en Yvonne en Eric en Ellen en Adriaan en Bo en Fay en Thom en Xavier en Astrid en Erwin en Czeslaw en ik even een familie. Iedere keer met andere ooms, nichtjes, knappe neven en kleine rotzusjes zoals ik. Iemand speelde rommelig piano. Een ander lachte om een vieze zin in een boek. En iemand fluisterde tien keer koewee lappis tegen haar spiegelbeeld in haar kleedkamer.

Niet tot elkaar veroordeeld, geen hoeder van elkaars verdriet. Vrij. Het gelukkigste Indogezin dat ooit op deze aarde leefde.

We leefden in die kleine uren harmonieus, omdat we wisten dat iedereen die avond zijn of haar verhaal zonder onderbreking mocht vertellen. Aan de Hollander, de Indo, aan al die hoofden in de zaal. Ze luisterden, zoals er zelden naar de pijn van de Indo geluisterd wordt. Zo konden we even onnadrukkelijk verbonden zijn, om daarna weer uit te waaieren over het land. Niet tot elkaar veroordeeld, geen hoeder van elkaars verdriet. Vrij. Het gelukkigste Indogezin dat ooit op deze aarde leefde.

Ik moet nog één keer spelen, in de Stadsschouwburg in Amsterdam, daarna zal ik een grote opluchting ervaren. Tot ik op een dag toch maar weer blind het slagveld op strompel, terwijl ik zieligjes ‘de afsluitdijk, de afsluitdijk’ fluister.

De Indië Monologen is nog te zien op 21 en 22 februari in ITA (voorheen de Stadsschouwburg) in Amsterdam; 21 februari met Willem Nijholt, Sarah Sluimer, Reggie Baay en Theodor Holman; 22 februari met Adriaan van Dis, Ellen Deckwitz, Gustaaf Peek en Mei Li Vos.

Vaste muzikale kern van De Indië Monologen wordt gevormd door Astrid Seriese en gitarist Erwin van Ligten. Ze worden in ITA bijgestaan door pianist Xavier Boot. De regie is in handen van Bo Tarenskeen.