Eigenlijk had dit boek de titel Lassie, Lassie moeten dragen. Dat mocht niet van de uitgeverij. Een aantal gerenommeerde boekinkopers zag er ook geen heil in, dus die strijd verloor ik: men zou denken aan de hond Lassie of aan een bepaald merk toverrijst, werd mij verzekerd.
Ik heb er spijt van dat ik me van mijn oorspronkelijke idee af heb laten brengen en me heb laten voorschrijven hoe het moet: hoe het moest en wat er hoorde, daarvan trok de auteur van dit boek en koningin van de autonomie zich weinig aan. Haar eigengereide, onafhankelijke houding vormt bij uitstek de grote aantrekkingskracht die Renate Rubinstein op mij uitoefent.
Deze Lassie, Lassie-anekdote is hier een typerend voorbeeld van: ‘M’n moeder heeft me verteld dat ik als heel klein kind door de salon vol mensen kon hollen en roepen: “Lassie, Lassie”, alsof het mijn naam was. Dat kwam doordat mijn vader zei dat iemand me probeerde tegen te houden, op te pakken, aan m’n arm vasthouden of zo. Dan begon ik te huilen en dan zei hij “Lass sie”, “laat haar” dus, om mij te beschermen. Hij vond dat ze mij met rust moesten laten. En daarin ben ik niet veranderd.’
Schaapsherderin
Met rust gelaten worden, niet belemmerd willen worden ‘in haar vaart’: de grande dame van de Nederlandse column ten voeten uit. Even typerend waren de polemieken en bijbehorende controverses. Een houding die haar even goed paste als het rode elektrische botsautootje waarin ze de laatste jaren van haar leven rondreed vanwege haar in 1977 geconstateerde ziekte multiple sclerose.
Wars van ideologieën of gevestigde orde ging ze er in haar jonge jaren bij het oudste studentenblad van Nederland, Propria Cures, al meteen met gestrekt been in. Met haar in 1955 gepubliceerde stuk ‘Het zionisme of de nieuwe onvrijheid’ verkondigde ze een voor die tijd nogal onwelgevallige opinie over de toen ook al rumoerige situatie in het Midden-Oosten, waarover ze in 1967 de bundel Jood in Arabië, Goi in Israël samenstelde. In het stuk zet ze uiteen hoe het Joodse zionisme, gericht op het bieden van een veilig thuisland, veel gelijkenissen vertoont met de raciale opvattingen die ten grondslag liggen aan het antisemitisme.
Propria Cures was de eerste plek waar ze zich na enkele omzwervingen (als jongste bediende bij Uitgeverij Van Oorschot, als schaapsherderin in Israël en als redactieassistente bij het Nieuw Israëlitisch Weekblad) thuis voelde. Al vroeg had ze het idee bij die club ‘te willen horen’, er een familie in te ontwaren.
Weggehaald
In eigen familie grossierde ze niet. Op 16 november 1929 werd ze in Berlijn als oudste geboren in een gezin met uiteindelijk drie kinderen. Renate Ida Rubinstein (op haar expliciete verzoek uit te spreken Ru-bin-stein en niet roe-bin-sjtaijn) groeide op in Duitsland.
Het gezin vluchtte via Amsterdam naar Londen, maar moeder Johanna verlangde terug naar Nederland en drong in 1938 aan op een retour. Een dramatische beslissing, want al in 1940 werd Renates joodse vader Wilhelm opgepakt en twee jaar later vermoord. Renate bleef gedurende de gehele oorlog op hem wachten en spaarde al het snoep dat ze kreeg voor hem op. Ze zou hem dat geven bij hun weerzien, maar dat weerzien bleef uit.
De moord op haar vader bleef haar hele leven, in stukken, onderwerpen, anekdotes en interviews, bepalen.
De dood van haar vader zette de verhoudingen op scherp; Renate nam het haar moeder kwalijk dat ze voor háár naar Amsterdam waren teruggekeerd.
De moord op haar vader bleef haar hele leven, in stukken, onderwerpen, anekdotes en interviews, bepalen. In het ontroerende verhaal ‘Niet de woorden maar de stem’ beschrijft ze deze tragedie uitvoerig. Ook de getroebleerde relatie met haar moeder komt hierin pijnlijk naar voren.
In het postuum verschenen boek Renate: Herinneringen van vrienden ontvouwt een goede vriend van Renate, psychiater Dries van Dantzig, een ontluisterende anekdote: ‘Ik ben niet aardig. […] Als kind was ik al niet aardig. […] Het was op de dag dat mijn vader was weggehaald. We stonden met zijn allen in de keuken, ik keek naar mijn moeder. Die zag er heel verdrietig uit. Ik wilde haar troosten, maar wist niet wat ik zeggen moest. We hadden net een koek gekregen, van het soort dat ik het lekkerst vond, en die brak ik toen in tweeën, en gaf haar een helft. Maar ze nam hem niet aan, en zei: “Hoe kun je nou zoiets doen op zo’n moment.” Ik schaamde me dood, het was natuurlijk ook heel ongevoelig. […] Wie geeft er nou een koekje bij zoiets vreselijks?’
Zonder middelbareschooldiploma
Het aardig gevonden willen worden bleef de rest van haar leven een diep verlangen. In een interview met Ischa Meijer voor VPRO Radio zegt ze: ‘Eigenlijk wil ik aardig gevonden worden. Schrijven staat daar in dienst van. Om geliefd te worden door iemand.’
En geliefd werd ze, bij Propria Cures, zeker toen ze net begon. Ze werd er met alle egards onthaald, voelde zich er gewenst en begrepen en werd nu eens niet gezien als lastig, wat vaak het geval was. Klein detail was alleen dat ze niet studeerde, een voorwaarde om voor het blad te mogen schrijven. En studeren zonder een middelbareschooldiploma lag niet meteen voor de hand. Ze had het Vossius Gymnasium namelijk vroegtijdig verlaten: ‘Ik had het gymnasium niet afgemaakt want ik was verliefd geworden en ontmaagd en dacht: dan kun je toch niet meer op school blijven zitten.’
Iemand die vanuit een persoonlijk gedreven opinie de wereld bezag, was een compleet nieuw fenomeen binnen de Nederlandse journalistiek.
Tijdens haar schooltijd schreef ze regelmatig voor Vulpes, de schoolkrant van het Vossius. Ze schreef zich in op de Politiek-Sociale Faculteit (dat kon, ontdekte ze, zonder middelbareschooldiploma op basis van de door haar in Israël gevolgde colleges) en ontmoette bij Propria Cures een aantal voor haar belangrijke mannen die haar latere columns nog vaak zouden opluisteren, zoals Joop Goudsblom en Aad Nuis. Met laatstgenoemde trouwde ze in 1956 en verhuisde ze eind 1958 naar Jamaica. Nuis had daar een baan aangeboden gekregen en Renate kon daar het onderzoek voor haar eindscriptie doen.
Inmiddels schreef ze ook voor andere bladen, en al gauw viel haar schrijven op bij Vrij Nederland. Het duurde niet lang voor toenmalig hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse Renate een wekelijks stukje aanbod. In de Nederlandse kranten verschenen al wel regelmatig cursiefjes van mensen als Godfried Bomans en Simon Carmiggelt, maar iemand die vanuit een persoonlijk gedreven opinie de wereld bezag, was een compleet nieuw fenomeen binnen de Nederlandse journalistiek.
Niet laten vastpinnen
Renate was met haar debuut op 9 september 1961 de eerste columnist van Nederland. Het stukje verscheen op de vrouwenpagina, dat wel. Geheel in stijl maakte ze daar in haar eerste stukje, ‘Intree’, al gehakt van: ‘Ik ken geen krant die er een mannenpagina op na houdt.’
Haar column verscheen onder het pseudoniem Tamar: Hebreeuws voor ‘dadel’ en ‘palmboom’, de naam die zij zichzelf aanmat tijdens haar Israëlische jaren: ‘Iemand zei dat het dadelpalm betekende en dat vond ik heel mooi. Ik voelde me daar als een dadelpalm uitsteken boven al die kleine mannen.’
Iedere week wond ze zich wel over íéts op, of vond ze een variatie op een eerder thema. En iedere week had die opinie een eigen lengte.
Ze had vrij snel een trouwe schare fans. Eens per week viel Vrij Nederland op de mat en in bepaalde kringen was wat Renate te zeggen had écht iets om naar uit te kijken. Bovendien druiste wat zij schreef vaak lijnrecht in tegen de signatuur van het blad.
De lengte van haar stukken varieerde behoorlijk. Een columnist krijgt doorgaans een vast aantal woorden mee als opdracht, een krant moet immers worden opgemaakt en de woorden moeten overeenkomen met de plek die ervoor gereserveerd is. Maar bij Renate lag dat anders. Zij wilde zich niet laten vastpinnen op een specifiek aantal woorden, laat staan op een gereserveerde plek. Zij veroverde haar eigen plek, want iedere week wond ze zich wel over íéts op, of vond ze een variatie op een eerder thema. En iedere week had die opinie een eigen lengte. ‘We maakten gewoon ruimte in de krant voor wat zij te zeggen had,’ aldus Marian Husken, destijds eindredacteur bij Vrij Nederland. En dat was veel en luid hoorbaar.
Persoonlijke banden
Haar toon was in de 29 jaar dat ze, met twee korte tussenpozen, voor het blad schreef van begin af aan verrassend, talig en regelmatig niets en niemand ontziend. Ze was erudiet en haalde meer dan eens grote (literaire) voorbeelden aan, van wie ze er talloze had en die ze grenzeloos trouw was: van Mary McCarthy en Hannah Arendt tot goede vriendin Annie M.G. Schmidt en van Kurt Tucholsky en Dick Hillenius tot Karel van het Reve. Haar hechte vriendengroep figureerde regelmatig in haar stukken. Ze hoefde het in hun geval en bij hoge uitzondering niet eens te zijn met hun standpunten om hun namen toch (met enige trots) op te voeren.
Ze was goed in het ophemelen van mensen. In een column zegt ze daarover: ‘Het is niet makkelijk om scherp en kritisch te schrijven over iemand wiens werk niet deugt, maar met wie je samen heel wat afgelachen hebt’ en in een interview met Jan Brokken: ‘De persoonlijke banden tellen meer dan de verschillen van mening, hoe hartstochtelijk die ook zijn. Misschien is dat wel iets rechts van mij, om wat E.M. Foster personal relationships noemt belangrijker te vinden dan standpunten.’
Tussen de mensen die volgens haar niet deugden (tamelijk veel) en haar helden (eveneens een boel) zat geen groot grijs gebied.
Ze vond het heerlijk om zich te omringen met mensen aan wier kennis ze zich kon laven, die ze regelmatig raadpleegde om vervolgens meestal toch haar eigen pad te kiezen.
Tussen de mensen die volgens haar niet deugden (tamelijk veel) en haar helden (eveneens een boel) zat geen groot grijs gebied. Het stoorde haar ook geenszins om ongebreideld reclame te maken voor de boeken, toneelstukken of kunstwerken van haar vrienden, of de bundels die ze zelf publiceerde (verzamelingen van haar columns onder titels als Naar de bliksem? Ik niet, Twee eendjes en wat brood en Overgangscursus). Die vorm van zelfpromotie (soms schreef ze er zelfs een gironummer onder waarop men een gesigneerd exemplaar kon bestellen!) zou nu toch minder vanzelfsprekend zijn, maar conventies waren niet aan haar besteed.
Dubbele moraal
Haar messcherpe en regelmatig behoorlijke humorvolle ad hominem-offensieven gericht tot mensen als K.L Poll (voormalig NRC-recensent), Wim Crouwel (ontwerper), Charlotte Mutsaers (schrijfster), Wim Wertheim (jurist en socioloog) of Piet Grijs (collega Vrij Nederland-columnist, pseudoniem van Hugo Brandt Corstius) waren ontelbaar en als zij zelf werd aangevallen, liet ze geen kans onbenut om terug te slaan, haar visie uiteen te zetten, soms weken achtereen, op het drammerige af.
Kennelijk beroerde het haar toch wat anderen van haar vonden, want de moeite die ze nam zichzelf of haar standpunten te verdedigen was eindeloos.
Het aan de ene kant autonoom zijn (‘als ik geclaimd word, word ik balorig’) en aan de andere afhankelijk zijn van andermans oordeel en daar publiekelijk tegenin gaan, is een van de vele paradoxen (‘Bijna iedereen heeft een dubbele moraal’) die haar evenzeer kenmerken als haar eigengereidheid.
Grote bekendheid kreeg ze vanwege haar voor velen herkenbare en indringende stukken over de liefde, liefdesverdriet en ziekte. Maar ze schreef ook visionair over China, het land dat ze vijf dagen bezocht had in 1974 en waarover ze columns schreef die ze bundelde in Klein Chinees woordenboek. Volgens haar was China een onvrije en autoritaire staat. Nu een wijdverspreide opvatting, maar in die tijd zagen velen China als een heilstaat vol mogelijkheden.
Vrouwenkul
Als ze over feminisme (‘vrouwenkul’) schreef, kreeg ze het te verduren uit activistische hoek. Soms hadden haar betogen een monomaan karakter, maar haar weerbare houding zou voor veel vrouwen vandaag een betere les zijn dan positieve discriminatie, waartegen zij zich ook in die tijd al keerde (‘naarmate er minder reden is om te klagen, neemt het klagen toe’). Ze vond het bevoordelen van vrouwen in zekere zin hetzelfde als discriminatie, maar dan omgekeerd, en stak de draak met zogeheten vrouwenliteratuur en emoties die typisch vrouwelijk zouden zijn.
Het soort opgedrongen solidariteit die deze strijdvaardige feministen propageerden, druiste lijnrecht in tegen de onafhankelijke opvattingen die Renate zich wenste te vormen.
Er zijn stemmen die beweren dat er momenteel sprake is van een nieuwe, vierde feministische golf. Nu die golf kennelijk is ingezet, loont het de moeite Renates oude stukken over dit onderwerp opnieuw te bekijken en te constateren hoe helder en tijdloos die deels zijn gebleven.
Ze participeerde in talloze fora (‘Nog erger dan in een forum zitten is naar een forum luisteren’), waarover ze vervolgens hilarische stukken schreef en publiceerde er de bundel Hedendaags feminisme over. Het soort opgedrongen solidariteit (‘Er is in dat feminisme haast nooit iets dat ik herken, behalve dwang en die was ik juist ontgroeid’) die deze strijdvaardige feministen propageerden, druiste lijnrecht in tegen de onafhankelijke opvattingen die Renate zich wenste te vormen over bijkans elk mogelijk maatschappelijk debat.
‘Eenmans-guerrilla’
Renate werd voortdurend in politieke stromingen geduwd waar ze zich net zo weinig thuis voelde als bij de feministen. Ze was haar eigen politieke partij, een ‘eenmans-guerrilla’, en behoorde uiteindelijk niemand écht toe. Aan de verschillen tussen rechts en links wijdde ze in 1982 de Huizinga-lezing. Ook daarmee agiteerde en verwarde ze haar lezers, zoals ze dat ook deed met haar strijd vóór de kruisraketten, de rechten van de Palestijnen en natuurlijk met Friedrich Weinreb.
Je kunt het niet over Renate hebben zonder de naam Weinreb te laten vallen. Voor de jongere lezers, van wie ik vurig hoop dat ze door deze bloemlezing kennis zullen nemen van Renates werk, is het nodig om even terug te blikken op deze, in haar tijd, controversiële zaak.
Friedrich Weinreb, een chassidische Poolse jood, hield joodse Nederlanders vanaf 1942 voor dat zij tegen betaling bij hem op een speciale lijst konden worden gezet om zo een eventuele tewerkstelling te ontvluchten via Frankrijk. Maar het plan mislukte en Weinreb werd opgepakt in datzelfde jaar. Hij beweerde te hebben gehandeld in opdracht van een Duitse functionaris genaamd H.J. Von Schumann en werd vrijgelaten. In 1948 werd hij alsnog opgepakt en vastgezet voor collaboratie met de vijand.
Renate bleef achter Weinreb staan en kreeg heel Nederland over zich heen.
Het verhaal verdween naar de achtergrond totdat Renate over deze man las in Jacques Pressers boek Ondergang: de vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom, 1940-1945. Presser achtte de veroordeling van Weinreb onjuist en Renate was vastbesloten de zaak tot op de bodem uit te zoeken. Ze zocht contact met Weinreb, moedigde hem aan zijn memoires te schrijven en bood hem aan hierbij, in de rol van redacteur, te helpen. Het land der blinden, zoals deel één van de trilogie Collaboratie en verzet heette, verscheen in 1969 en werd afgesloten met een naschrift van Renate Rubinstein en Aad Nuis, van wie ze inmiddels gescheiden was.
De zaak zou later uitmonden in een roemruchte affaire. Weinrebs verhaal bleek niet te kloppen. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) kwam in 1976 met een vernietigend rapport over de man die dubbelspel had gepleegd en daar bovenop kwamen ook nog eens hardnekkige aanwijzingen over zedenmisdrijven. Maar Renate bleef achter Weinreb staan en kreeg heel Nederland over zich heen.
De kant van een verliezer
De zaak had onlosmakelijk met haar in 1942 vermoorde, joodse vader te maken. Ze had met haar steun voor Weinreb haar persoonlijke geschiedenis willen herschrijven, zoals ze dat ook had geprobeerd met haar boek Niets te verliezen en toch bang uit 1978 over haar scheiding van Jaap van Heerden. Ze had Van Heerden met die mooie stukjes ‘naar zich terug willen schrijven’.
‘Je hebt wanneer je man van je wegloopt toch ook weer die primitieve associatie met je vader: ze hebben hem van me weggenomen, weggehaald. Die hele periode van de oorlog was toch een lange tijd van wachten. En daarna nog een paar maanden. Tot tien jaar geleden heb ik wel het gevoel gehad: ik kan ’m nog steeds tegenkomen op straat. Na die echtscheiding zat ik ook alleen maar te wachten. Je zat toch ook te wachten op je vader. Je wist niet dat hij dood was, maar je wist wel dat hij ver weg was en het niet goed had en dat hij naar ons verlangde – dat vreselijke medelijden, dat heb ik nog steeds. Dat medelijden heb ik ook gehad met Weinreb, toen die hetze kwam. Wat ik niet over m’n kant heb laten gaan van die Hermans! Die pure verdachtmakingen, pure onzin! En dat ik dat over m’n kant heb laten gaan kwam omdat ik zo te doen had met Weinreb.’
In zijn ‘In Memoriam’ citeerde Jan Zandbergen in Propria Cures Renate met een sleutelzin over deze Weinreb-affaire: ‘Ik wou dat mijn vader Weinreb had gekend, dan had hij de oorlog tenminste overleefd.’
Ook in een eerder interview met Ischa Meijer legt ze een relatie tussen deze belangrijke mannen in haar leven. De zaak Weinreb ging voor haar over gerechtigheid. ‘Ik heb inderdaad wel het gevoel dat de zaak Weinreb iets te maken heeft met de dood van mijn vader, met die moord. Ik heb altijd de behoefte gehad om dát nog eens te wreken. Altijd de fantasie gehad dat ik een Duitser moest pakken en dat durfde ik niet, dat ging niet, maar die Weinrebzaak ontwikkelde zich tot een sneeuwbal van grote hartstochten, die hetze, die verdachtmakingen én de weerstand juist van de kant van de joden – en, ja, misschien, kijk, waarom ik de zaak-Weinreb tot de mijne maakte, was niet alleen omdat hij een jood was, maar omdat hij net als mijn vader iemand was die van buiten kwam, die als immigrant niet geloofd werd.’
Renate verloor er een deel van de fans van haar werk door, en ook haar naam als pleitbezorger voor de goede zaak. Vooral omdat ze nooit van standpunt veranderde, ook niet na het RIOD-rapport. Ze was er trots op ook eens aan de kant van een verliezer te staan. ‘Als je schrijft over iemand die aan de winnende kant staat, zou je er toch niet over schrijven?’
Behalve bij Annie M.G. Schmidt, die haar standpunt moedig vond, leidde de naam Renate Rubinstein vanaf die periode vooral tot de pavlovreactie. Maar bij Weinreb had ze het mis. Triomfantelijk bijna. Alsof ze daarna niet meer serieus genomen diende te worden.
De volharding waarmee ze achter Weinreb bleef staan werpt voor mij niet per se een smet op haar carrière, temeer daar haar beweegredenen zo overduidelijk waren. Stel je toch voor dat een mens zich nooit eens mag vergissen of door emoties mag worden geleid.
Opdracht van de RVD
Zelf maakte Renate, zeker later in haar leven, geen hard onderscheid tussen ratio en emotie. ‘Een ratjetoe van aardig en streng, emotioneel en rationeel,’ kenschetste Ischa Meijer haar.
‘Voor mij zijn dat geen verschillende dingen, hè. Ik stop veel gevoel in mijn rede en ook wel wat rede in mijn gevoel. Anders wordt het dor, dan wordt het logica, gewoon breien, hè?’ is Renates reactie daarop.
Van wat tegengas was Renate niet vies, ze kende tenslotte toch niemand die dominanter was dan zijzelf. Sterker nog: ‘Als mensen zich niet meer kwaad maken, moet je je afvragen waarom je nog schrijft,’ zei ze.
Maar het kon haar ook te ver gaan. En dat gebeurde binnen haar eigen Vrij Nederland, toen Hugo Brandt Corstius, alias Piet Grijs, zijn bekende gevechtshandschoenen aantrok om haar het leven zuur te maken naar aanleiding van een column die ze schreef over een bijstandsmoeder van wie ze betwijfelde of die zo wel genoemd kon worden.
Piet Grijs dreigde vanaf dat moment zijn column steevast af te sluiten met ‘Tamaraboemdiejee’, wat betekende: ‘Voorts ben ik van oordeel dat wat Tamar vorige week in dit weekblad durfde te schrijven, weer haar gewone neo-antisemitische schunnigheid is.’
De hoofdredactie, die de vrijheid van columnisten voorop stelde, liet Grijs zijn gang gaan, waarop Renate drie maanden verlof nam.
Toen ze terugkeerde bij Vrij Nederland (inmiddels had de hoofdredactie tóch ingegrepen) was net haar wonderlijke reportageboek Alexander uitgekomen, een relaas over de tijd die ze doorbracht met haar neef Maurits Rubinstein en prins Willem Alexander ter gelegenheid van diens achttiende verjaardag. Het was een opdracht van de RVD die ze in eerste instantie had geweigerd. Ze gaf de klus door aan Judith Herzberg, maar kreeg spijt en vroeg hem toch weer terug.
De starheid waarmee Renate in veel postume stukken werd gekenschetst, valt in duigen als je bijvoorbeeld deze publicatie bekijkt. In 1965 had ze nog tegen het huwelijk van Beatrix en Claus geprotesteerd en nu schreef ze, in opdracht van het Koningshuis, dit boek.
Overigens had ze een jaar na haar plakactie in 1965 alweer spijt van haar houding jegens de prins-gemaal. Ze kon, die ene grote uitzondering daargelaten, uitstekend haar mening herzien. Hoewel het boek beslist geen meesterwerk werd, was het aannemen van de opdracht, zelfs in tweede instantie, een verrassende actie, een blijk van haar veelzijdigheid ook. ‘Ik vind het zelf een leuk boekje. Ik heb het luchthartig opgevat en gedaan. Ik heb er niet […] een staatsrechtelijke verhandeling van gemaakt.’
Joodser geworden
Niet voor één gat te vangen, die Renate. Ze herzag niet alleen haar mening regelmatig, ze stond ook vaak ambivalent tegenover haar onderwerpen, waarbij Israël en het jodendom meteen in het oog springen. Los van Ischa Meijer ken ik niemand die zo indringend heeft geschreven over de ingewikkeldheden die met het jodendom gemoeid zijn en die voor zo’n grote splijtzwam kunnen zorgen in iemands identiteit.
‘Het is de identiteit die mij door het leven is gegeven. Ik draag de achternaam van mijn vader. Ik heb niet meer zo de behoefte om me van het zionisme te distantiëren. Vroeger dacht ik dat je met hersens alles kon veranderen. Ik ben niet meer zo optimistisch ten aanzien van het denken. Ik accepteer het. Je hebt in die dingen zo weinig te willen. Je hoeft er niet trots op te zijn, je moet het aanvaarden. Toen ik Jood in Arabië, Goi in Israël schreef, ging ik volledig verstandelijk te werk. Ik sta nog altijd achter dat boek, ik zou het alleen niet meer zo schrijven.’
‘Door de oorlog ben ik joodser geworden dan ik anders zou zijn geweest. Mijn moeder was niet joods. Volgens de officiële leer hoor ik er dus eigenlijk niet bij. Maar daar heb ik ook niets mee te maken. Ik denk dat ik me altijd wel joods heb gevoeld, maar het niet toe wilde geven. Het schokt me als ik op de televisie drie vermoorde Israëliërs op een scheepje bij Cyprus zie. Het schokt me meer dan drie dode Arabieren. Vroeger vond ik dat dat absoluut niet hoorde, en dan probeerde ik dat met woorden en gedachten weg te werken. Tegenwoordig accepteer ik dat het zo is. Het is niet rechtvaardig. Maar waarom zou ik beter zijn dan de mens gegeven is?’
Goede raad aan mijzelf
Naarmate de jaren vorderden, leek ze milder te worden, ook over zichzelf. Ze was niet meer zo gretig als voorheen leek het wel.
Wat de meeste mensen niet wisten en zijzelf tussen haar eerste val op het Museumplein in 1973 en de diagnose die ze kreeg in 1977 ook niet, was dat ze leed aan de progressieve ziekte MS. Ze was snel vermoeid, kon steeds minder goed lopen en was minder levenslustig dan voorheen. Maar ze klaagde niet en wilde zoals gebruikelijk niet afhankelijk worden van iets of iemand, hoewel dat niet altijd even makkelijk was. Ze wilde ook beslist niet worden uitgenodigd om over haar ziekte te praten. Mensen met een beperking hadden toch wel meer om over te vertellen dan alleen hun ziekte?
Toch was het uiteindelijk op televisie, bij het programma Hier is Adriaan van Dis (zoals van tevoren afgesproken), dat ze voor het eerst publiekelijk vertelde over haar naderende invaliditeit. Uit zichzelf had ze dat vermoedelijk nooit gedaan.
Later wijdde ze een heel boek aan het ziek zijn, Nee heb je (‘Dit boek gaat over ziek zijn en over mij zijn. Je kunt die onderwerpen niet van elkaar scheiden. Het is dus een egocentrisch boek, vol goede raad aan mijzelf.’)
Rookgordijnen
Ook het boek over haar scheiding van Jaap van Heerden was ze niet voornemens te publiceren, hoewel ze er eerder wel over geschreven had in haar columns. Toch verscheen in 1978 Niets te verliezen en toch bang, dat die periode invoelbaar beschrijft. Ze had inmiddels een bijzondere man, een vaderfiguur, zoals ze hem in haar postuum verschenen boek Mijn beter ik omschrijft, ontmoet, die haar aanspoorde over die onderwerpen toch vooral wél te schrijven. Of, nou ja, ontmoet. Ze kende hem natuurlijk al decennia. Hij was een groot voorbeeld voor haar als schrijver en onafhankelijke geest: Simon Carmiggelt, ‘de meest getrouwde schrijver van Nederland’ (meestal foutief geciteerd als ‘meest getrouwde man van Nederland’).
De vrouw die in haar werk zo gestreden had voor waarheid en waarachtigheid kreeg het voor elkaar tien jaar lang de kaken stijf op elkaar te houden over deze voor haar zo belangrijke verhouding.
Gedurende de bijna tien jaar lange clandestiene verhouding die ze met hem had, speelde hij een belangrijke rol als vertrouweling en toeverlaat. Op vaste dagen kwam hij bij haar langs, eventjes wist zijn vrouw Tiny ervan, maar toen ze na een korte breuk opnieuw bij elkaar kwamen, besloot hij hun liaison geheim te houden. Slechts de hele close intimi waren op de hoogte, maar zelfs goede vrienden van Renate, getuige het herinneringsboek, wisten van niks. De vrouw die in haar werk zo gestreden had voor waarheid en waarachtigheid kreeg het voor elkaar tien jaar lang de kaken stijf op elkaar te houden over deze voor haar zo belangrijke verhouding, hoewel er voor de geïnformeerde lezer achteraf altijd wel een hint te ontwaren was in een van haar vele stukken.
Ook dit was Renate ten voeten uit. Ongrijpbaar tot het laatst, ‘rookgordijnen scheppend’.
Belangrijke stem
Zelfs na haar dood, uiteraard door haarzelf geregisseerd, zorgde ze nog voor opschudding. Het was Igor Cornelissen, een collega bij Vrij Nederland, die de verhouding onthulde in Het Parool, tot grote ontzetting van velen. Helemaal omdat hij had weten te achterhalen dat er een boek over de affaire bij Renates uitgever lag: een rel was geboren in grachtengordel Nederland.
Renate stierf op 23 november 1990. Dat boek verscheen kort daarna. Ze had voor het laatst gesproken. Er werd nog lang over haar nágepraat.
De kranten publiceerden maandenlang het ene artikel na het andere over de verhouding, Renates rol als belangrijke stem in het Nederlandse debat, alle intriges en polemieken werden opnieuw tevoorschijn getoverd, vriend en vijand kwamen uitvoerig aan het woord.
Haar werk werd opnieuw gebundeld en er verscheen een vierdelige vuistdikke serie verzameld werk. Want godallemachtig, wat had die vrouw veel geschreven, wat hád ze zich veel opgewonden in al die jaren. En ook verschenen er boeken óver haar. Een minibiografie (niet geautoriseerd), een herinneringsboek, een boek gebundelde columns met tekeningen van Peter van Straaten, een boek over haar vijftigste verjaardag en het bonte gezelschap waarmee ze dat vierde, haar dagboekaantekeningen uit Israël.
Persoonlijk en geëngageerd
Voor de samenstelling van dit boek besloot ik niet te willen bloemlezen uit bloemlezingen. En dát heb ik geweten. Maandenlang vulde ik de dagen met haar bijna vijftienhonderd columns, haar brieven, ingezonden stukken, boeken over en ván haar. Ik werd aan haar hand meegesleurd op een historische, polemische reis.
Het was in die enorme berg belangrijk te kiezen voor een thema dat haar gehele oeuvre recht zou doen. Ik koos voor haar autonomie, een eigenschap die zich van jongs af aan bij Renate manifesteerde en waar ze haar hele leven door gekenmerkt zou blijven.
Regelmatig worstelde ze met deze karaktertrek. Vooral in de liefde stelde ze zich meer dan eens afhankelijk op en ook toen ze ziek werd bepaalde het lot grotendeels dat ze niet meer alles op dezelfde manier en met evenveel energie kon doen als voorheen.
Aan de hand van acht hoofdstukken (‘Jonge jaren’, ‘Oorlog/jodendom/Israël’, ‘Zelfportret’, ‘Maatschappij’, ‘Liefde’, ‘Feminisme’, ‘Ziekte en gezondheid’ en ‘Brieven’) heb ik gepoogd de belangrijkste publicaties en brieven die de tand des tijds hebben doorstaan te rangschikken en toegankelijk in te delen voor een hopelijk ook níeuw lezerspubliek.
Renate Rubinstein is een feest om te lezen en te herlezen. Ze is wat mij betreft de moeder van de Nederlandse column gebléven.
Anders dan veel mensen in het verleden hebben beweerd, is het merendeel van Renates columns toch wel degelijk gedateerd. Regelmatig schreef ze over maatschappelijke kwesties die het notenapparaat te veel zouden opdikken: het flirten met Cuba, het verzet tegen het huwelijk van prins Claus en koningin Beatrix, de kruisraketten, het nieuwe telefoonboek ontworpen door Wim Crouwel of de talloze akkefietjes die ze uitvocht naar aanleiding van toen net verschenen stukken, visies op toen net gepubliceerde boeken.
Bovendien is het de bedoeling voor de Privé-domeinreeks vooral de nadruk te leggen op het persoonlijke. En hoewel persoonlijk en geëngageerd elkaar bij Renate meer dan eens overlapten, heb ik strenge keuzes moeten maken en sneuvelden er stukken waarvan ik innig hoop dat ze ooit (opnieuw) het levenslicht zullen zien.
Renate Rubinstein is een feest om te lezen en te herlezen. Ze is wat mij betreft de moeder van de Nederlandse column gebléven. Door de bloemlezing heb ik me meer dan ooit gerealiseerd hoe de oorlog haar leven tekende en hoe haar vader de onzichtbare motor was achter haar bijzonder scherpe geest.
Waar zij kwam was er heisa, memoreert een van haar vrienden in het vriendenboek. Heisa, niet aardig, lastig, grillig, ambivalent, koppig: de typeringen kloppen allemaal. Maar voor mij was ze vooral ontroerend. Lassie, Lassie.
Dit is een bewerkte en bekorte versie van de inleiding van Bange mensen stellen geen vragen, een bundel stukken van Renate Rubinstein, samengesteld en ingeleid door Ronit Palache, Uitgeverij de Arbeiderspers, 510 p.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.